Sprookjes: Tweede verzameling · Jacob Grimm and Wilhelm Grimm (translated by M. van Eeden-Van Vloten)

Chapter 34: De Gauwdief en Zijn Meester

Jan wou zijn zoon een handwerk laten leeren; toen ging Jan naar de kerk en bad onzen Lieve Heer, wat Hem wel het beste leek voor zijn zoon. De koster stond achter het altaar en zei: »het gauwdieven, het gauwdieven!« Toen ging Jan met zijn zoon op de zoek van een man, die verstand had van gauwdieven. Zij liepen een heelen tijd tot zij in zoo'n groot bosch kwamen; daar stond een klein huisje met een oude vrouw er in. »Weet je een man die verstand heeft van gauwdieven?« zei Jan.

»Dat kun je hier wel leeren,« zei de vrouw, »mijn zoon is er meester in.« Toen sprak Jan met den zoon, of hij wel heel knap was in 't gauwdieven. De gauwdiefmeester zei: »ik wil het je zoon wel leeren. Kom over een jaar maar terug; als je dan je zoon nog kent, wil ik in 't geheel geen leergeld hebben, en ken je hem niet, dan kun je mij tweehonderd rijksdaalders geven.«

De vader gaat weer naar huis, en de zoon leert goed heksen en gauwdieven. Als het jaar om is, loopt de vader te grienen, hoe hij het klaar moet spelen om zijn zoon te kennen. Toen hij nu zoo loopt te grienen komt hem zoo'n klein manneke tegen, dat zei: »man wat grien je, ben je zoo bedroeft?» »O,« zei Jan, »ik heb mijn zoon voor een jaar bij een gauwdiefmeester in de leer gedaan, en die heeft mij gezegd, dat ik over een jaar terug moet komen, en als ik dan mijn zoon niet ken, zou ik hem tweehonderd rijksdaalders geven, en als ik hem ken, hoef ik niks te geven. Nu ben ik zoo bang, dat ik hem niet ken, en dan weet ik niet waar ik het geld vandaan moet halen.« Toen zei het manneke, hij zou een korstje brood meenemen, en onder den schoorsteen gaan staan: »daar staat een mandje, daar kijkt een vogeltje uit, en dat is je zoon.«

Toen gaat Jan heen, en gooit een korstje rogge-brood voor het mandje. Het vogeltje komt er uit en kijkt naar het brood. »Héla! mijn zoon, ben jij; daar?« zegt de vader. Maar de leermeester zei: »dat heeft je de duivel ingegeven, hoe kun je anders je zoon kennen?« »Vader laat ons gaan,« zegt de jongen.

De vader gaat met zijn zoon weer naar huis. Onderweg komt er een koets aangereden. De zoon zegt tegen zijn vader: »Nu zal ik een groote hazewind worden, dan kun je veel geld met mij verdienen.« De heer uit de koets roept: »man, wil je dien hond verkoopen?« »Ja,« zegt de vader. »Hoeveel geld moet je er voor hebben?« »Dertig rijksdaalders.« »Nou, dat is veel! maar omdat het zoo'n deksels mooi dier is zal ik hem nemen.« De heer neemt den hond in de koets. Als zij een eindje zijn doorgereden, springt de hond uit de koets door het glas, en toen was hij geen hazewind meer, en hij kwam weer bij zijn vader.

Zij gingen toen samen naar huis. Den volgenden dag is er in het naaste dorp markt. Toen zegt de jongen tegen zijn vader: »ik zal mij in een mooi paard veranderen, dan moet je mij verkoopen; maar als je mij verkoopt dan moet je mij eerst den toom af doen, anders kan ik geen mensch meer worden.« De vader gaat met het paard naar de markt. Daar komt de gauwdiefmeester en koopt het paard voor honderd rijksdaalders; en de vader is 't vergeten en doet hem den toom niet af. De man gaat met het paard naar huis, en brengt het in den stal. Als de meid over den deel komt, zegt het paard: »doe den toom af, doe den toom af!« De meid blijft staan luisteren: »wat! kan jij praten?» en ze gaat heen en doet hem den toom af, toen werd het paard een musch, en die vliegt boven over de deur weg, en de gauwdiefmeester wordt ook een musch en vliegt hem achterna. Ze komen bij elkaar, en vechten, maar de meester verspeelt het, en hij gaat in 't water en wordt een visch. Toen werd de jongen ook een visch, en gaat ook in 't water, en ze vechten weer, tot de meester het verspeelt. Toen werd de meester een kip, en de jongen een vos, en hij bijt den meester den kop af; toen is hij gestorven, en hij ligt dood tot op den huidigen dag.