Sprookjes: Tweede verzameling · Jacob Grimm and Wilhelm Grimm (translated by M. van Eeden-Van Vloten)

Chapter 30: De Gouden Gans

Er was eens een man, die had drie zonen, de jongste heette Domoor, en hij werd veracht en bespot, en altijd achtergezet bij anderen. Eens zou de oudste het bosch ingaan om hout te halen; vóór hij ging gaf zijn moeder hem een kostelijke eierkoek mee, en een flesch wijn, dat hij geen honger en dorst zou lijden. In het bosch ontmoette hij een oud, grijs mannetje: »goeden dag,« zei het, »geef mij toch een stuk van je koek en laat mij een slok van je wijn drinken, ik heb zoo'n dorst en honger.» Maar de slimme jongen zei: »als ik jou van mijn eierkoek en van mijn wijn geef, dan heb ik zelfs niets; maak maar gauw, dat je wegkomt!« en hij liet het mannetje staan, en liep door. Toen hij nu begon een boom om te hakken, heeft hij al heel gauw mis geslagen, en de bijl drong in zijn arm. Toen moest hij naar huis om zich te laten verbinden. Maar dat kwam van het grijze mannetje.

Nu ging de tweede zoon het bosch in, en de moeder gaf hem, even als den oudsten, een eierkoek en een flesch wijn. Hem kwam ook het oude, grijze mannetje tegen, en vroeg om een stuk koek en een slokje wijn. Maar de tweede zoon zei ook heel verstandig: »wat ik jou geef, dat heb ik zelf niet, maak dat je weg komt!« en hij liet het mannetje staan, en ging verder. De straf bleef niet uit: toen hij een paar slagen met de bijl gedaan had, hakte hij zich in zijn been en moest naar huis gedragen worden. Toen zei Domoor: »vader, laat mij ook eens hout gaan hakken.» Maar de vader antwoordde: »Dat hoef jij niet te beginnen, je broêrs hebben het er niet eens goed afgebracht, blijf jij nu maar stil thuis.« Maar Domoor hield niet op te bedelen, dat hij hem zou laten gaan, en eindelijk zei de vader: »Ga dan maar; door schade en schande moet je wijs worden.« De moeder gaf hem een koek meê, die met water en in de asch gebakken was, en daarbij een flesch zuur bier. In het bosch was weêr het oude mannetje; het groette hem en zei: »geef mij een stuk van je koek en een slok uit je flesch, ik heb zoo'n dorst en honger.« Toen antwoordde Domoor: »ik heb maar een aschkoek en zuur bier, als je dat hebben wilt, kom dan maar bij mij zitten, dan gaan wij eten en drinken.« En zij zijn gaan zitten en hebben gegeten en gedronken, en daarna zei het mannetje: »omdat je zoo'n goed hart hebt, en graag van het jouwe wat meedeelt, zal ik je geluk geven. Daar staat een oude boom, hak dien om, dan zul je in de wortels iets vinden.« Toen nam het mannetje afscheid. Domoor hakte den boom om, en toen hij gevallen was, zat er tusschen de wortels een gans, en die gans had veêren van het zuiverste goud. Hij pakte de gans op, en ging een herberg binnen waar hij overnachten wilde. Nu had de waard drie dochters; zij waren nieuwsgierig toen zij de gans zagen; zij wilden weten wat het voor een wonderlijke vogel was, en zij wilden ook graag een van zijn veêren hebben. En de oudste dacht: »ik zal en moet een gouden veer hebben,« zij wachtte tot Domoor uitgegaan was, en toen pakte zij de gans bij een vleugel; maar haar hand en vingers bleven er aan vastkleven. Kort daarop kwam de tweede dochter, en die had ook geen rust of zij moest een gouden veêr hebben; maar nauwelijks had zij haar zuster aangeraakt of haar hand bleef vastzitten. Eindelijk kwam ook de derde om een veêr; toen riepen de twee anderen: »blijf weg, blijf toch in godsnaam weg!« maar zij begreep niet, waarom zij weg zou blijven en zij dacht: »als zij er bij zijn kan ik er ook bij,« en toen sprong zij er heên. Maar toen zij haar zuster had aangeraakt, zat zij ook vast. En zoo moesten zij dien nacht bij de gans blijven.

Den volgenden morgen pakte Domoor zijn gans op, en ging er meê weg, en om de meisjes, die er aanhingen bekreunde hij zich in het minst niet. Zij moesten maar meêloopen, links en rechts, zooals het uitkwam. Midden op den landweg kwam hen de dominee tegen, en toen hij het spektakel zag, riep hij: »schaamt je toch, jelui onkuische meisjes, met een jongen knaap zoo door het veld te loopen, past je dat?« En hij nam de jongste bij de hand, en wilde haar wegtrekken, maar toen hij haar aanraakte bleef hij ook kleven, en moest zelf meêloopen. Niet lang daarna kwam de koster, en zag hoe de dominee drie jonge meisjes vlak achteraan liep. Dat verwonderde hem en hij riep: »wel, dominee, waar gaat dàt naar toe? denk er aan, dat er van daag nog een kind gedoopt moet!« en hij liep op hem toe en trok hem bij zijn mouw, maar toen zat hij ook vast. Toen die vijf zoo achter elkaâr aan draafden, kwamen twee boeren met hun hakken van het land. De dominee riep hen toe, of zij hem en den koster los wilden maken. Maar nauwelijks hadden zij den koster aangeraakt, of zij bleven vastzitten en nu waren er zeven, die Domoor en zijn gans achterna liepen.

Hij kwam al gauw in een stad; daar regeerde een koning die had zóó'n ernstige dochter, dat niemand haar kon laten lachen. Daarom had hij een wet afgekondigd, dat hij, die haar aan het lachen kon brengen, met haar zou mogen trouwen. Toen Domoor dat hoorde, ging hij met de gans en toebehooren, naar de prinses, en toen die nu die zeven menschen zoo al maar achter elkaâr aan zag loopen, begon zij hard te lachen en kon niet meer bedaren. Toen verlangde Domoor haar als zijn bruid; maar de koning had allerlei uitvluchten, en zei, hij moest eerst een man brengen, die een heele kelder met wijn kon uitdrinken. Domoor dacht aan het grijze mannetje, dat zou hem wel kunnen helpen, en hij ging het bosch weêr in, en naar de plaats waar hij den boom had geveld; dáár zag hij een man zitten, die trok een allerdroevigst gezicht. Domoor vraagde wat hem toch zoo vreeselijk aan zijn hart ging. »Ik heb zoo'n dorst,« antwoordde hij, »en ik kan maar niet genoeg te drinken krijgen; een vat wijn heb ik leeg, maar wat is een druppel op een gloeienden steen?« »Dan kan ik je helpen,« zei Domoor, »ga maar meê, dan kun je je genoegen drinken.« Hij bracht hem toen in 's koning's kelder, en de man viel op de groote vaten aan, en dronk en dronk, tot hij geen adem meer had, en vóór den dag om was, had hij de heele kelder leeggedronken. Nu verlangde Domoor zijn bruid weêr; maar de koning ergerde zich, dat zoo'n gewone jongen, die door iedereen Domoor genoemd werd, zijn dochter zou krijgen. Hij maakte weêr nieuwe voorwaarden: Eerst zou hij een man zoeken, die een heelen berg brood eten kon. Domoor ging weêr naar het bosch waar hij den boom had omgehakt; op die plaats zat een man, die zich met een riem het lijf samen snoerde en een verdrietig gezicht zette. »Ik heb een oven vol brood gegeten, maar wat helpt dat, zoo'n honger als ik heb! Ik voel altijd nog een leege maag, en ik moet mij insnoeren om niet van honger te sterven.« Toen Domoor dat hoorde, had hij schik: »sta maar op en ga mee, dan kun je je genoegen eten!« Hij bracht hem bij den koning; die had al het meel uit het heele rijk laten aanvoeren, en er een kolossalen berg van laten bakken. De man uit het bosch ging er vóór staan, en begon te eten: in één dag was de heele berg verdwenen. Nu eischte Domoor zijn bruid op; maar de koning zocht nog een uitvlucht: hij verlangde een schip, dat te land en te water kon varen. Wist hij dat te krijgen dan zou hij de koningsdochter mogen trouwen. Domoor ging maar weêr naar het bosch; daar zat het oude mannetje, dat hij zijn koek had gegeven en het zeide: »Ik heb voor je gedronken en gegeten, ik zal je ook het schip geven; en dat doe ik allemaal, omdat je zoo goed voor mij zijt geweest.« En hij gaf hem het schip, dat te land en te water kon varen, en toen de koning dat zag, kon hij hem zijn dochter niet langer onthouden. De bruiloft werd gevierd, en Domoor leefde nog langen tijd heel vergenoegd met zijn vrouw.