Sprookjes: Tweede verzameling · Jacob Grimm and Wilhelm Grimm (translated by M. van Eeden-Van Vloten)

Chapter 22: De Liefste Roland

Er was eens een vrouw, dat was een echte heks. Zij had twee dochters: de eene leelijk en kwaadaardig, die had zij lief, omdat het haar eigen dochter was; de andere, mooi en goed, die haatte zij, want dat was haar stiefdochter. Eens had de stiefdochter een mooi boezelaar, dat de andere bijzonder beviel, zoodat zij afgunstig was en tegen haar moeder zei, dat zij dat boezelaar wilde hebben. »Wees maar stil, kind,« zei de oude, »je zult het ook hebben. Je stiefzuster heeft al lang den dood verdiend; van nacht als zij slaapt, dan kom ik en hak haar hoofd af. Zorg jij nu, dat je achter in het bed komt te liggen, en schuif haar maar ver naar voren.«

Het zou nu met het arme meisje gedaan zijn geweest als zij niet in een hoek had gestaan, en er alles gehoord had. Zij mocht den heelen dag de deur niet uit, en 's avonds moest zij het eerst naar bed, opdat de andere achterin zou kunnen gaan liggen. Maar toen die was ingeslapen schoof de stiefdochter haar zachtjes naar voren en ging zelf tegen den wand liggen, 's Nachts kwam de oude aansluipen; in de rechterhand had zij een bijl, met de linker voelde zij of er iemand vooraan lag, en toen nam zij de bijl met twee handen en sloeg. En zij sloeg haar eigen kind het hoofd af.

Toen zij weer weg was, stond het meisje op en ging naar haar liefste, die Roland heette, en zij klopte aan de deur. Toen hij naar buiten kwam zeide zij tegen hem: »Hoor eens liefste Roland, wij moeten vluchten, dadelijk, mijn stiefmoeder heeft mij willen doodslaan, maar zij heeft haar eigen kind getroffen. Als de dag komt en zij ziet wat zij gedaan heeft, dan zijn wij verloren.« »Maar ik raad je,« zei Roland, »dat je eerst den tooverstaf wegneemt, anders kunnen wij ons niet redden als zij ons nazet en achterhalen wil.« Het meisje haalde den tooverstaf, en toen nam zij het afgeslagen hoofd en druppelde drie bloeddruppels op den grond, een voor het bed, een in de keuken en een op de trap. Toen ging zij met haar liefste op de vlucht.

Toen nu 's morgens de oude heks was opgestaan, heeft zij haar dochter geroepen om haar het boezelaar te geven, maar zij kwam niet. Toen heeft zij geroepen: »Waar ben je?« »Wel, hier op de trap om te vegen!« riep de eene bloeddruppel. De oude ging kijken, maar er was niemand op de trap, toen heeft zij weêr geroepen: »Waar ben je?« »Wel, hier in de keuken om mij te warmen!« riep de tweede bloeddruppel. Ze is toen naar de keuken gegaan, maar er was niemand. Toen riep zij nog eens: »Waar ben je?« »Ach, hier in het bed, ik slaap!« riep de derde bloeddruppel. Zij ging naar de slaapkamer en naar het bed. Wat zag zij daar? In een bad van bloed haar eigen kind, dat zij zelve het hoofd had afgehouwen.

De heks brieschte van woede en vloog naar het raam. Zij vermocht ver in de wereld te zien, en zij zag haar stiefdochter, die vluchtte met haar liefste, Roland. »Dat zal je niet baten,« riep zij. »Al ben je ver weg, aan mij kun je niet ontkomen!« Zij trok haar mijlslaarzen aan, waarmee zij in één stap een uur verder was, en zoo had zij hen spoedig ingehaald. Maar toen het meisje de heks zag komen, veranderde zij met den tooverstaf haar liefste in een meer en zichzelve in een eend, die midden op het meer zwom. De heks trad aan den oever, en strooide brood en gaf zich alle moeite om de eend te lokken; maar de eend liet zich niet lokken en de oude moest 's avonds onverrichter zake weêr terug. Toen nam het meisje met haar lief Roland weêr de menschengedaante aan en zij liepen den ganschen nacht door, tot het licht werd. Toen veranderde zich het meisje in een fraaie bloem, die bloeide midden op een doornhaag en haar liefste, Roland, veranderde zij in een vedelaar. Niet lang daarna kwam de heks aangeloopen en zij zeide tegen den speelman: »lieve speelman, mag ik die mooie bloem wel afplukken?« »O, jawel,« zei hij, »en dan zal ik er wat bij spelen.« Toen zij nu haastig in de heg kroop en de bloem wilde afbreken,--want zij; wist wel wie die bloem was—begon hij te spelen en zij moest dansen of ze wou of niet, want het was een tooverdans. Hoe vlugger hij speelde des te hooger sprongen moest zij maken en de doornen reten haar de kleêren van het lijf en staken haar bloedende wonden, en toen hij niet ophield met spelen moest zij blijven dansen tot zij zich had doodgedanst.

Toen zij nu verlost waren sprak Roland: »Nu zal ik naar mijn vader gaan om de bruiloft te bestellen.« »Dan zal ik hier blijven,« zei het meisje, »en op je wachten, en omdat niemand mij zal herkennen, zal ik de gedaante aannemen van een rooden steen.« Roland ging, en het meisje lag als een roode steen op het veld en wachtte op haar liefste. Maar toen Roland thuis kwam raakte hij in het net van eene andere, die maakte, dat hij het meisje vergat. Het arme meisje lag daar langen tijd; maar toen hij eindelijk in het geheel niet terug kwam, werd zij treurig en zij veranderde zich in een bloem en zij dacht: »er zal wel iemand komen die mij vertrapt.«

Maar het gebeurde, dat daar een herder zijn schapen hoedde, en hij zag de bloem. En omdat zij zoo mooi was, plukte hij haar af en nam haar meê en legde ze thuis in een kast. Van dien tijd ging het bij den herder aan huis wonderlijk toe. Als hij 's morgens opstond was al het werk al gedaan: de vloer was geveegd, de tafel en de banken afgezeept; er was vuur in den haard en water gedragen; en als hij 's middags thuis kwam, was de tafel gedekt en een stevig maal opgedragen. Hij kon maar niet begrepen hoe dat toeging, want hij zag nooit een mensch in zijn huis en niemand zou zich ook in die kleine hut kunnen verbergen. Die goede zorg beviel hem best; maar het begon hem toch angstig te worden en hij ging naar een wijze vrouw, en vroeg haar om raad. De wijze vrouw zei: »er zit tooverij achter; let 's morgens vroeg eens heel goed op, of er niet iets beweegt in de kamer, en wanneer je iets ziet, wat het ook is, gooi er dan vlug een witte doek over, dan wordt de betoovering verbroken.« De schaapherder deed wat zij gezegd had, en den volgenden ochtend, juist toen de dag aanbrak, zag hij hoe de kast openging en de bloem er uit kwam. Vlug sprong hij er op af en wierp er een witte doek over heen. Toen was de gedaanteverwisseling voorbij en een mooi meisje stond voor hem en zij bekende, dat zij de bloem was geweest en zijn huis verzorgd had. Zij vertelde haar geschiedenis; zij beviel hem zeer en daarom vroeg hij haar of zij hem trouwen wilde; maar zij antwoordde, neen, want zij wilde haar liefste Roland trouw bleven, hoewel hij haar verlaten had, maar zij beloofde hem toch, niet weg te zullen gaan en verder voor zijn huishouden te zorgen.

Nu kwam de tijd, dat Roland bruiloft zou houden, en naar oud gebruik werd er in het land bekend gemaakt, dat alle meisjes moesten komen om ter eere van het bruidspaar te zingen. Het trouwe meisje werd zoo bedroefd toen zij dat hoorde, dat het was of haar hart uiteen zou springen; zij wilde niet gaan, maar de anderen kwamen om haar te halen. Toen het nu haar beurt zou zijn om te zingen trad zij op zij; maar toen zij nog maar alleen over was moest zij wel. Toen zij begon te zingen en het gezang Roland's ooren trof, riep hij: »die stem ken ik, dat is mijn eerste bruid en een andere wil ik niet!« Alles wat hij vergeten was en uit zijn gemoed was verdwenen, dat werd plotseling weer levend in zijn hart. Toen hield het meisje bruiloft met haar liefste Roland, en haar leed was teneinde en de vreugde ving aan.