Sprookjes: Tweede verzameling · Jacob Grimm and Wilhelm Grimm (translated by M. van Eeden-Van Vloten)

Chapter 21: Rompelsteeltje

Er was eens een molenaar; hij was arm maar had een mooie dochter. Nu kwam het zoo, dat hij eens met den koning sprak en tegen hem zei: »Ik heb een dochter dié kan spinnen! stroo tot goud!« De koning, die veel om goud gaf, vond dat een prachtige kunst en beval, dat de schoone molenaarsdochter bij hem zou gebracht worden. Hij nam haar meê naar een vertrek dat vol stroo was en gaf haar een spinnewiel en haspel en sprak: »Als van dezen avond tot morgen vroeg, niet al het stroo tot goud is gesponnen, moet ge sterven.« Toen werd de kamer afgesloten en zij bleef alleen.

Daar zat nu het arme mulderskind en wist geen hemelschen raad; want stroo tot goud spinnen, hoe dat moest, dat wist zij niet. Haar angst werd grooter en grooter, en eindelijk begon zij te schreien. Daar ging op eens de deur open en een klein manneke kwam naar binnen. »Goeden avond, juffer muldersche,« zei hij, »wat schreit ge zoozeer?« »Ach,« antwoordde het meisje, »ik moet goud spinnen van stroo en dat kan ik niet!« Toen sprak het manneke weêr: »Wat geef je mij als ik het voor je doe?« «Mijn halsketting,» zei het meisje.« Het mannetje nam de ketting en ging aan het spinnewiel zitten: »snorrr, snorrr, snorrr!« driemaal getrokken en de spoel was vol. Toen zette hij een andere op: »snorrr, snorrr, snorrr,« driemaal getrokken, en de tweede was ook vol. Zoo ging het tot aan den morgen en al het stroo was gesponnen, en al de spoelen waren vol goud. Toen nu de koning er naar kwam zien, was hij verbaasd; maar de goudzucht in zijn hart werd er te sterker door. Hij liet de molenaarsdochter in een andere kamer, ook vol stroo, brengen, die nog veel grooter was, en hij zeide haar, dat alles ook in dien éénen nacht te spinnen als haar leven haar lief was. Het meisje zat radeloos schreiend neêr; maar weêr ging de deur open en het kleine mannetje kwam en zeide: »Wat geef je mij als ik goud spin van dat stroo?« »Den ring van mijn vinger,» zei het meisje. Het mannetje nam den ring en liet weêr het wieltje snorren en 's morgens was al het stroo glanzend goud. De koning was op dat gezicht bovenmate verheugd; maar nog had hij geen goud genoeg, en hij bracht het meisje voor een nóg grooter vertrek vol stroo: »nu moet je dit nog in ééne nacht spinnen,» zei hij, »en dan zul je mijn vrouw worden,» want, dacht hij, een rijkere vrouw is er op de heele wereld niet te vinden. Toen het meisje alleen was, kwam voor de derde maal het mannetje weêr en zei: »wat geef je mij als ik ook dát stroo tot goud spin?» »Ik heb niets meer te geven,» zei het meisje. »Beloof mij dan je eerste kind als je koningin zult zijn.« »Wie weet hoe het loopen zal!« dacht het meisje, en zij wist er ook niets anders op te bedenken; daarom beloofde zij het mannetje maar wat hij verlangde, en toen spon hij nog eens het stroo tot goud. En toen 's morgens de koning kwam en alles vond zooals hij het gewenscht had, hield hij bruiloft en de schoone molenaarsdochter werd een koningin.

Na een jaar werd haar een mooi kind geboren en om het mannetje dacht zij niet meer. Daar kwam hij op eens haar kamer binnen en zeide: «geef mij nu, wat je mij beloofd heb.« De koningin schrikte en bood hem alle rijkdommen van het koninkrijk aan, als zij maar haar kind mocht houden; »neen,« zeide het mannetje, «iets dat leeft is mij liever dan alle schatten ter wereld.» Toen begon de koningin zoo bitter te schreien en te jammeren, dat het mannetje medelijden kreeg en zeide: «drie dagen tijd zal ik je laten, als je dan mijn naam weet, mag je je kind houden.»

Nu overdacht de koningin 's nachts alle namen, die zij ooit gehoord had, en zij zond een bode uit, het heele land door om nieuwe namen. Toen nu den volgenden dag het mannetje kwam, begon zij: Albert, Gerard, Christiaan, en achtereenvolgens alle namen, die zij wist, maar bij ieder zei het mannetje: »zoo heet ik niet.« Den tweeden dag liet zij bij alle menschen rondvragen, en toen het mannetje kwam noemde zij de allervreemdste en wonderlijkste: «Rattevel, Beerekuit, Sparrebeen,» maar het bleef er bij: «zoo heet ik niet.» Den derden dag kwam de bode terug en vertelde: «Nieuwe namen heb ik niet meer kunnen vinden; maar toen ik van een hoogen berg kwam aan den hoek van het bosch, waar haas en vos elkaâr goeden nacht zeggen, zag ik een klein huisje en voor het huisje brandde een vuur, en om dat vuur sprong een raar mannetje rond op één been, en hij riep:

Heden bakker, morgen brouwer,
Overmorgen 't koningskind;
O wat vreugd, dat niemand weet,
Dat ik »Rompelsteeltje« heet.

Wat was de koningin toen blij, dat zij den naam wist! En toen kort daarop het mannetje kwam en vroeg: »Wel, vrouw koningin, hoe heet ik nu?« toen vroeg zij eerst: »Heet je Gijs?« »Neen.« »Heet je Gert?« »Neen.« »Heet je misschien ook »Rompelsteeltje?« «Dat heeft je de duivel verteld! dat heeft je de duivel verteld!« schreeuwde het mannetje, en hij stampte met zijn rechtervoet zoo hard op den grond, dat hij er tot aan zijn middel inzakte, en toen pakte hij in woede zijn linkervoet met twee handen, en trok zichzelf midden door.