Sprookjes: Tweede verzameling · Jacob Grimm and Wilhelm Grimm (translated by M. van Eeden-Van Vloten)

Chapter 20: De Ransel, het Hoedje en het Hoorntje

Er waren eens drie broêrs, die langzamerhand tot armoede waren vervallen; eindelijk was de nood zoo hoog gestegen, dat zij niets meer te eten hadden, en honger moesten lijden. Toen zeiden zij: »Zoo kan het niet blijven: wij zullen de wereld in moeten en ons geluk zoeken.« En zij trokken weg. Op verre wegen waren zij al gegaan, en veel grassprietjes hadden zij al plat getreden, maar het geluk hadden zij nog niet ontmoet. Op een dag gebeurde het, dat zij in een groot bosch kwamen, en midden daarin was een berg; en dichterbij gekomen, zagen zij, dat de berg heelemaal van zilver was. Toen zei de oudste: »nu heb ik het verlangde geluk gevonden, en heb niets verder noodig.« Hij nam zooveel zilver van den berg als hij maar dragen kon, keerde toen om, en ging weêr naar huis. Maar de beide anderen zeiden: »wij verlangen van het geluk nog iets meer dan enkel zilver!« en zij raakten het niet aan en gingen verder. Toen zij weêr een paar dagen geloopen hadden, kwamen zij aan een berg, die heelemaal van goud was. De tweede broeder bleef staan en weifelde. »Wat zal ik doen?« dacht hij, »zou ik van het goud zooveel nemen dat ik voor mijn leven genoeg heb, of zou ik verder gaan?« Eindelijk nam hij een besluit, vulde zijn zakken met wat er in kon, nam afscheid van zijn broêr en ging naar huis. Maar de derde sprak: »Goud en zilver trekt mij niet; ik zie niet van het geluk af, misschien is er voor mij nog iets beters weggelegd.« Hij trok verder, en toen hij drie dagen geloopen had, kwam hij bij een bosch, nog veel grooter dan de vorigen, er kwam geen eind aan. Hij had niets te eten of te drinken en was op het punt te versmachten. Toen klom hij in een hoogen boom om te zien waar het bosch ophield; maar zoover zijn blik ging zag hij niet anders dan boomtoppen. Hij kwam weêr naar beneden, maar de honger plaagde hem geweldig en hij dacht: »als ik mij maar eens flink verzadigen kon!« En daar zag hij op eens onder den boom tot zijn groote verbazing een tafel, die rijkelijk bezet was met spijzen. »Nu is mijn wensch toch eens vervuld geworden!« dacht hij; en zonder te vragen wie het eten gebracht, en wie het gekookt had, ging hij naar het tafeltje en at tot hij verzadigd was. Toen hij klaar was dacht hij: »Het zou toch jammer zijn, als dat mooie tafellakentje hier in het bosch bleef liggen bederven,« en hij vouwde het netjes op en stak het in zijn zak. Daarna ging hij verder, en 's avonds toen hij weêr hongerig werd, wilde hij zijn tafellakentje eens op de proef stellen; hij legde het uit, en zeide: »nu wensch ik, dat je weêr met lekker eten gedekt wordt,« en hij had niet uitgesproken of er stonden vele schotels op met het heerlijkste eten, zoodat het heelemaal vol was. »Nu merk ik in welke keuken er voor mij gekookt wordt; jij zult mij liever zijn, dan een berg zilver of goud!« Want hij zag wel, dat het een »tafeltje dek je« was. Maar het tafeltje was hem toch nog niet genoeg om er rustig mee thuis te gaan zitten; hij woù liever nog wat in de wereld rondtrekken en nog meer geluk zoeken. Op een avond ontmoette hij in een eenzaam bosch een kolenbrander; hij brandde kolen en had aardappelen op het vuur staan, daarmeè zou hij zijn maaltijd houden.

»Zoo, goeden avond zwarte lijster,« zei de reiziger, »hoe stel je het al in je eenzaamheid?« »Den eenen dag als den anderen!« antwoordde de kolenbrander, »en iederen avond aardappelen; heb je zin, dan kun je mijn gast zijn.« »Wel bedankt,« zei de andere, »ik zal je je maal niet afnemen; je hebt niet op een gast gerekend; maar neem je voor lief wat ik heb, dan nood ik jou.« »Waar moet dat van daan komen?« zei de kolenbrander, »ik zie, dat je niets bij je hebt en een paar uur in den omtrek is er niemand, die het je bezorgen kan.« »En toch zal het een maaltijd zijn, zoo fijn als je er nog nooit een gegeten hebt.» Hij haalde het servetje uit zijn ransel, legde het uit en zei: «tafeltje dek je,« en op eens stond er gezoden en gebraden en zoo lekker warm als kwam het pas uit de keuken. De kolenbrander zette groote oogen op; hij liet zich niet lang nooden, maar tastte toe en gedurig gingen er grootere brokken zijn zwarten snoet binnen. Toen zij klaar waren monkelde de kolenbrander en zei: »voor dat kleedje ben ik te vinden, dat was iets voor mij hier in 't bosch, waar nooit eens iemand iets lekkers voor mij kookt. Ik zal je een voorslag doen: wij ruilen. Ik heb een soldatenransel; hij is oud en leelijk, maar hij heeft een wonderbare kracht; ik gebruik hem toch niet, en ik zal hem je geven voor dat kleedje.« »Eerst moet ik weten wat het voor wonderbare krachten zijn,« antwoordde de andere. »Dat zal ik je zeggen: als je met de hand er op klopt, komt er telkens een korporaal en zes man, met sabel en geweer, en wat je beveelt dat doen ze.« »Nu, 't is goed; als 't zoo zijn moet, dan zullen wij ruilen;» en hij gaf den kolenbrander het kleedje voor den ransel, en nam afscheid. Toen hij een eindje geloopen had, wou hij de wonderkracht van den ransel wel eens probeeren en klopte er op. Dadelijk stonden de zeven krijgshelden voor hem, en de korporaal vroeg: »wat verlangt mijn heer en gebieder?« «Marcheer naar den kolenbrander en vraag mijn tooverkleedje terug!« Zij maakten rechts om keert en in een oogenblik brachten zij het verlangde, zij hadden het den kolenbrander zonder complimenten afgenomen. Hij dankte ze af, en ging verder; hij hoopte, dat zijn gelukszon nog klaarder zou gaan schijnen. Tegen zonsondergang kwam hij bij een anderen kolenbrander, die bij het vuur zijn avondmaal klaar maakte. »Wil je met mij eten?« zei de zwarte gezel, «aardappelen met zout, maar zonder vet, ga dan maar zitten.« »Neen,« zei hij, »van daag moet je mijn gast zijn,« en hij spreidde zijn kleedje uit, en 't was dadelijk met de heerlijkste gerechten bezet. Zij aten en dronken samen en hadden schik. Na het eten zei de kolenbrander: »ik heb een oud versleten hoedje, dat heeft zeldzame eigenschappen: als iemand het opzet en op zijn hoofd ronddraait, dan schieten de kanonnen, of er twaalf naast elkander waren opgesteld, en ze schieten alles neêr, dat niemand er iets aan verhelpen kan. Aan het hoedje heb ik niets, en ik wil het graag geven voor je kleedje.» »Dat geloof ik wel,« zei hij, nam het hoedje en liet zijn kleedje achter. Maar toen hij een eindje ver was, klopte hij op het ranseltje en zijn soldaten moesten toen het doekje terughalen. »Het komt alles bij elkaâr,« dacht hij, »en 't is of mijn geluk nog niet ten einde is.« En zijn gedachten hadden hem niet bedrogen. Toen hij weêr een dag geloopen had, kwam hij bij een derden kolenbrander, die hem als de vorigen op droge aardappelen noodde. Hij liet hem weêr van zijn tooverkleedje meêeten, en dat smaakte den kolenbrander zóó goed, dat hij hem ten laatste een hoorntje er voor aanbood, dat nog heel andere eigenschappen had als het hoedje. Als men er op blies, dan vielen vele muren en vestingwerken en eindelijk alle steden en dorpen, in puin. Hij gaf er den kolenbrander wel het kleedje voor, maar liet het door zijn manschappen weer opeischen, zoodat hij eindelijk den ransel, het hoedje en het hoorntje bijeen had. »Nu ben ik het heertje,» zei hij, »en nu is het tijd dat ik naar huis ga en eens kijk hoe mijn broêrs het maken.«

Toen hij aankwam, hadden zijn broêrs van hun zilver en goud een mooi huis gebouwd en leefden een leventje van vroolijken Frans. Hij ging bij hen binnen maar omdat hij in een versleten jas was, het schunnige hoedje op zijn hoofd had en den ouden ransel om, wilden zij hem niet voor hun broeder herkennen. Zij spotten en zeiden: »Geef jij je uit voor onzen broeder, die zilver en goud verwierp en een grooter geluk zocht? Neen, die komt zeker in volle pracht als een machtig koning aangereden, en niet als een bedelaar,« en zij joegen hem de deur uit. Toen werd hij kwaad en hij klopte zóó lang op zijn ransel tot er honderdvijftig man in 't gelid voor hem stonden. Hij gebood hun het huis van zijn broeders te omsingelen, en twee zouden er hazelroeden meênemen en de overmoedige rakkers de huid van hun rug zoolang warm striemen tot zij wisten wie hij was. Er kwam een hevig opstootje, de menschen liepen te hoop, om de twee mannen in hun nood te hulp te komen, maar zij konden tegen de soldaten niets uitrichten. Er werd melding van het geval gemaakt aan den koning; hij ergerde zich en liet een kapitein met zijn manschappen uitrukken. Maar de man met den ransel had dadelijk meer manschappen bijeen en sloeg den kapitein met de zijnen terug dat ze met bloedneuzen moesten aftrekken. De koning zei: »wij zullen dien landlooper toch wel klein krijgen, en hij beval een nog grootere schare tegen hem op te rukken, maar die kon nog minder uitrichten; want hij zette er nog veel meer volk tegenover, en daarna draaide hij nog driemaal zijn hoedje op zijn hoofd rond; toen begon het zware geschut te spelen, en al 's konings soldaten werden verslagen en op de vlucht gejaagd. »Nu maak ik geen vrede,« zei hij, «voordat de koning mij zijn dochter tot vrouw geeft, en ik in zijn naam het geheele rijk mag regeeren.« »Moeten is dwang!« zei de koning tegen zijn dochter, »wat kan ik anders doen dan hem zijn zin geven; wil ik vrede hebben en de kroon op mijn hoofd houden, dan zit er niets anders op dan dat hij je krijgt.«

De bruiloft werd gevierd; maar de prinses was verdrietig omdat haar gemaal maar een gewoon man was, met een schunnig hoedje op en een ouden ransel om. Zij was graag weêr van hem af geweest en dag en nacht gingen haar gedachten over een middel. Toen dacht zij: «zouden zijn wonderkrachten misschien in zijn ransel steken?« en zij stelde zich erg vriendelijk aan, en liefkoosde hem en zei: »Als je toch dien leelijken ransel maar afleggen wilde, hij ontsiert je zoo, dat ik mij soms voor je schamen moet.« »Lieve kind,« antwoordde hij, »die ransel is mijn grootste schat, zoolang ik hem heb, behoef ik voor geen macht ter wereld bang te zijn,« en hij vertelde haar welke de wonderkracht was. Toen viel zij hem om den hals of zij hem wilde kussen, maar nam hem tegelijk handig den ransel van den schouder en liep er meê weg. Toen zij nu alleen was klopte zij er op en beval de soldaten, dat zij hun vorigen meester moesten gevangen nemen en uit het paleis wegbrengen. Zij gehoorzaamden, en de valsche vrouw liet nog meer manschappen volgen, die hem over de grenzen moesten jagen. Nu zou hij verloren zijn geweest zonder zijn hoedje. Toen zijn handen even vrij kwamen, draaide hij het een paar maal rond, en daar begon het geschut te donderen, en sloeg alles neêr, en de prinses moest zelve komen en om genade vragen. En toen zij zoo roerend smeekte en beloofde zich te beteren, liet hij zich overhalen en maakte vrede. Zij gedroeg zich heel vriendelijk en stelde zich aan of zij hem heel lief had, en na een poosje had zij hem zóó behekst dat hij haar vertelde hoe iemand die hem den ransel afhandig maakte toch nog niets kon uitrichten zoolang hij het oude hoedje nog had. Toen zij dat geheim kende, wachtte zij tot hij was ingeslapen en nam toen zijn hoedje weg en liet het op de straat gooien. Maar nu was het hoorntje er nog, en in zijn woede blies hij er op met al zijn kracht. Toen viel alles ineen: muren, vestingwerken, steden en dorpen, en verpletterden den koning en de prinses. En als hij het hoorntje niet had afgezet, maar nog langer had geblazen, zou alles ondersteboven zijn gegaan, en geen steen was er op den anderen gebleven. Toen kon niemand hem meer weerstaan en hij stelde zich als koning over het geheele rijk.