Sprookjes: Tweede verzameling · Jacob Grimm and Wilhelm Grimm (translated by M. van Eeden-Van Vloten)

Chapter 14: De Oude Sultan

Een boer had een trouwen hond, die Sultan heette; hij was oud en had al zijn tanden verloren, zoodat hij niets meer kon aanpakken. Eens stond de boer met zijn vrouw buiten voor de deur, en de boer zei: »Den ouden Sultan schiet ik morgen dood, wij hebben geen nut meer van hem.« De vrouw had medelijden met het trouwe dier en daarom sprak zij: »Hij heeft ons zoo veel jaren trouw gediend en zoo goed geholpen, wij konden hem nu het genadebrood wel geven.» »Wat,« zei de man, »ben je niet wijs? Hij heeft geen enkelen tand meer in zijn bek; geen dief, die meer bang voor hem is, 't is nu zijn tijd. En heeft hij ons gediend, dan heeft hij er ook goed eten voor gehad.»

De arme hond, die niet ver daar vandaan in de zon lag uitgestrekt, had alles gehoord, en hij was treurig, dat het morgen zijn laatsten dag zou zijn. Hij had een goeden vriend, dat was de wolf, daar sloop hij 's avonds in het donker door het bosch naar toe, en hij klaagde hem over het lot, dat hem treffen zou. »Wees maar goedmoeds, buur,« zei de wolf, »ik zal je wel helpen uit den brand. Ik heb wat bedacht. Morgen ochtend vroeg moeten je baas en je vrouw naar het hooiland, en zij nemen het kleine kind mee, omdat er niemand in huis achterblijft. Terwijl zij aan 't werk zijn leggen zij het kind gewoonlijk achter de heg, in de schaduw; ga jij daar nu naast liggen, of je het wilde bewaken. Ik zal dan uit het bosch komen draven en het kind rooven, en dan moet jij dadelijk opspringen en mij achterna rennen, om het mij weêr af te pakken. Ik laat het vallen, je brengt het aan de ouders terug; die gelooven dan, dat je het gered hebt, en zijn veel te dankbaar om je iets aan te doen; je zult in volle genade worden aangenomen en zij zullen het je aan niets laten ontbreken.«

Dat plan beviel den hond best, en zooals het bedacht was, werd het uitgevoerd. De vader schreeuwde het uit toen hij den wolf met zijn kind zag wegloopen, maar toen de oude Sultan het terugbracht was hij blij en streelde den hond, en sprak: »jou zal geen haartje gekromd worden, je zult het genadebrood eten zoolang als je leeft.« En tegen zijn vrouw zei hij: »ga gauw naar huis en kook voor den ouden Sultan wat wittebroodspap, dat hoeft hij niet te bijten, en breng het hoofdkussen uit mijn bed, daar mag hij op slapen.« Van nu af aan, had de oude Sultan het zoo goed als hij maar wenschen kon. Kort daarop bezocht hem de wolf, en had er schik in, dat alles zoo goed gegaan was. »Maar buur,« zei hij, »nu zul je toch wel eens een oog dicht doen, als ik bij gelegenheid bij je baas eens een vet schaap weghaal. Het is tegenwoordig zuinig met de kost.« »Daar moet je niet op rekenen,« zei de hond, »mijn baas blijf ik trouw, daar gaat niets van af.« De wolf dacht, dat het niet ernstig gemeend was, en in den nacht kwam hij aangeloopen om het schaap te stelen. Maar de trouwe Sultan had den boer gewaarschuwd, en die paste hem op, en kamde hem zijn haar met den dorschvlegel, dat het bar was. De wolf moest vluchten, maar hij riep tegen den hond: »wacht schoelje, dáár zul je voor boeten!»

Den volgenden dag stuurde de wolf het wilde zwijn, die moest den hond opvorderen naar het bosch, daar zouden zij de zaak uitvechten. De oude Sultan kon geen andere hulp vinden dan een kat, die maar drie pooten had; en toen zij samen naar buiten gingen, strompelde de arme kat langzaam voort, en van pijn, hield zij den staart in de lucht. De wolf en zijn partij waren al op de bepaalde plaats, maar toen zij hun tegenpartij zagen aankomen, meenden zij dat hij een sabel droeg, want daarvoor hielden zij de recht opgerichte staart van de kat. En toen het arme dier zoo op drie pooten sprong, dachten zij, dat het iedere keer met de vierde een steen opnam om hen meê te gooien. Toen kregen zij het te kwaad: het wilde zwijn kroop weg in een akker en de wolf sprong in een boom. De hond en de kat verwonderden zich toen zij aankwamen, dat er niemand te zien was. Maar het wilde zwijn had zich niet heelemaal kunnen wegstoppen, en de ooren staken er nog uit. Terwijl de kat bedaard rondkeek, bewoog het zwijn zijn ooren; de kat dacht, dat het een muis was, en sprong er op af, en beet er flink in. Het zwijn sprong schreeuwend op, liep hard weg, en riep: »daar op den boom zit de schuldige!« De hond en de kat keken naar boven en zagen den wolf; die schaamde zich, dat hij zich zoo laf had aangesteld, en sloot vrede met den hond.