Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 61: Hoofdstuk 61

De "Heilige Nacht."

Daarboven, op de helling van een berg, bij een stortbeek, staat tusschen geboomte verscholen een op boomstammen gebouwde hut. Op het dak van kogon [76] slingert en rankt, beladen met vruchten en bloemen, de kalebas-plant. Hertegewei, schedels van wilde varkens eenige met lange slagtanden versieren de landelijke woonstede. Daar huist een Tagaalsch gezin dat zich wijdt aan jacht en houthakken.

In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje, spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken herkennen we Sisa's zoon Basilio, den broer van Crispin.

"Wanneer je been beter is", zeide het meisje tot hem, "gaan we verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn."

"Je klimt dan met ons mee op den top van den berg," voegde het knaapje erbij, "dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de andere, boven de stortbeek."

Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte dan den blik naar de zon, die schitterend scheen.

"Verkoop die bezems," zeide de grootvader tot het jonge meisje, "en koop iets voor je broertje en je zusje, want 't is vandaag feest."

"Voetzoekers, ik wil voetzoekers!" riep de jongen.

"Ik een kop voor mijn pop!" riep het meisje, haar zuster bij haar kleedje grijpend.

"En jij, wat wil jij?" vroeg de grootvader aan Basilio.

Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe.

"Meneer," zeide hij tot hem, "ik ben dus nu meer dan een maand ziek geweest?"

"Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee maanden om. We dachten dat je sterven..."

"God moge 't u vergelden. Wij zijn heel arm!" antwoordde Basilio, "maar nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn."

"Maar, m'n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg: je komt er niet vóór middernacht."

"Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker geschreid hebben, toen ze me zocht."

"Je komt niet levend in 't dorp, jongen! Vanavond hebben we kip en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van 't veld terugkomen..."

"U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen: een zoon."

De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het hoofd van den knaap, en zeide aangedaan:

"Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar 't kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was."

"Ga je heen?" vroeg het jongetje. "Daar beneden zijn soldaten, er zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!"

"Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?" vroeg op haar beurt het meisje. "Heb je je wel 's verstopt? Niet-waar, er is niets zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!"

Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen zeide hij:

"Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en met hem spelen. Hij is even groot als jij."

"Loopt hij ook mank?" vroeg het meisje, "dan zullen we hem 'moedertje' laten wezen bij 't "pico-pico"-spel."

"Vergeet ons niet," zei de oude man; "neem dezen plak wildzwijnsvleesch mee, en geef dien aan je moeder."

De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek met zijn klaterenden loop.

Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht der kinderen.

Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet.

De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude.

't Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt op verheugenis als in andere jaren.

In de "opkamer" van Capitán Basilio's huis zaten deze en Don Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een tralievenster te praten; terwijl aan 't andere Sinang, haar nichtje Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken.

De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken, boomen en huizen, overal lange en fantastische schaduwen werpend.

"Je bent er genadig afgekomen, hoor, zoo vrijgesproken te worden, in deze tijden!" zeide Capitán Basilio tot Don Filipo. "Je boeken hebben ze wel verbrand, maar anderen hebben meer verloren."

Een vrouw naderde het tralievenster, en keek naar binnen. Haar oogen schitterden, haar gelaatstrekken waren vermagerd, heur haar loshangend en verward. De maneschijn gaf haar een vreemd aanzien.

"Sisa!" riep Don Filipo verbaasd, en zich tot Capitán Basilio wendend, vroeg hij, terwijl de krankzinnige vrouw zich verwijderde:

"Was ze niet bij een dokter in huis? Is ze al genezen?"

Capitán Basilio lachte bitter.

"De dokter was bang, dat ze hem zouden beschuldigen, een vriend van Don Crisóstomo te wezen, en heeft haar weggezonden.

"Nu dwaalt ze weer even gek als te voren rond. Ze zingt, doet niemand kwaad, en woont in 't bosch..."

"Wat is er meer in 't dorp gebeurd sinds wij 't verlaten hebben? Ik weet dat we een nieuwen pastoor en een anderen alférez hebben."

"Vreeselijke tijden, de menschheid gaat achteruit!" mompelde Capitán Basilio, terwijl hij aan 't verleden dacht. "Je zult 's zien: den dag volgende op jouw vertrek vonden ze den hoofdkoster opgehangen aan de zoldering van zijn huis. Padre Salvi was erg naar over zijn dood, en nam al zijn papieren in beslag. Och en de filosoof Tasio is ook al gestorven, en dien hebben ze op 't Chineesche kerkhof begraven."

"Arme Don Anastasio!" zuchtte Don Filipo. "En zijn boeken?"

"Die werden verbrand door de vromen die zoo Gode welgevallig meenden te zijn. Ik heb niets kunnen redden, zelfs niet Cicero's werken... en de gobernadorcillo deed niets om het te beletten."

Beiden zwegen.

Op dat oogenblik hoorde men het droeve weemoedige zingen der krankzinnige.

"Weet je wanneer Maria Clara gaat trouwen?" vroeg Iday aan Sinang.

"Ik weet het niet," antwoordde deze. "Ik heb een brief van haar ontvangen, maar ik maak hem niet open, uit vrees van 't te vernemen. Arme Crisóstomo!"

"Ze zeggen dat het alleen aan Linares te danken is, dat Capitán Tiago niet opgehangen wordt. Wat zou Maria Clara dan moeten beginnen?" merkte Victoria op.

Een knaap kwam strompelend voorbij. Hij liep in de richting van het plein, waar de zang van Sisa te hooren was. 't Was Basilio. Het kind had zijn huis verlaten en vervallen gevonden. Na allerlei vragen, kon hij alleen te weten komen dat zijn moeder gek was en in 't dorp ronddoolde. Over Crispin geen enkel woord.

Basilio had zijn tranen ingeslikt, zijn smart verstikt, en, zonder te rusten, was hij erop uitgegaan om zijn moeder te zoeken. Hij kwam in 't dorp aan, vroeg naar haar, en een eigenaardig gezang trof zijn ooren. Het ongelukkige ventje bedwong het beven van zijn beenen, en wilde hard vooruitloopen om in de armen van zijn moeder te ijlen.

De krankzinnige verliet het plein, en kwam voor het huis van den nieuwen alférez. Nu was er evenals te voren een schildwacht voor de deur, en het hoofd van een vrouw vertoonde zich aan het venster. Doch 't was niet de Medusa, 't was een jonge vrouw: alférez en ongelukkig getrouwd is niet hetzelfde.

Sisa begon voor het huis te zingen, en keek naar de maan, die met grootsche pracht tusschen gouden wolken aan een blauwen hemel prijkte. Basilio zag zijn moeder, maar waagde het niet naderbij te komen. Wellicht wachtte hij tot de jonge vrouw vandaar weg zou gaan. Hij liep heen en weer, maar zorgde ervoor niet te dicht bij de kazerne te komen.

De jonge vrouw aan het venster luisterde aandachtig naar de zang der krankzinnige, en gaf den schildwacht bevel, haar boven te laten komen.

Toen Sisa den soldaat op zich af zag komen en zijn stem hoorde, kreeg ze een vreeselijken schrik, en zette het op een loopen, zoo hard als ze maar kon. Basilio liep haar achterna, en vreezende dat hij haar uit het oog zou verliezen, dacht hij daarbij niet aan de pijn aan zijn voeten.

"Kijk 's hoe die jongen de krankzinnige naloopt!" riep een dienstmeisje, dat op straat was, verontwaardigd uit.

En ziende dat hij doorging met haar te achtervolgen, nam ze een steen op, en wierp dien naar hem toe.

"Daar, pak aan!" riep ze. "Hoe jammer dat de hond vastligt."

Basilio voelde een tik tegen zijn hoofd, maar bleef doorloopen zonder er acht op te slaan. De honden blaften, de ganzen kwakkelden, enkele vensters gingen open, en nieuwsgierigen vertoonden zich. Andere werden gesloten, omdat men vreesde voor een tweeden nacht van oproer.

Ze kwamen buiten het dorp. Sisa begon haar vlucht te matigen; een groote afstand scheidde haar van haar vervolger.

"Moeder," riep Basilio, toen hij zag dat ze minder snel liep.

De krankzinnige hoorde nauwelijks de stem, of ze begon opnieuw hard te loopen.

"Moeder, ik ben 't!" riep de knaap wanhopig.

De krankzinnige hoorde 't niet. De zoon volgde hijgend.

De bebouwde velden waren achter den rug, en ze bevonden zich in de nabijheid van 't bosch.

Basilio zag zijn moeder daar ingaan, en hij drong er ook in door. De struiken en heesters, de doornige rotanplanten en uitstekende wortels beletten beider voortgang. De knaap volgde het silhouet van zijn moeder, nu en dan beschenen door de stralen der maan, die doordrongen op de open plekken en door de takken der boomen. Het was het geheimzinnige bosch van Ibarra's familie.

De jongen struikelde verscheidene malen en viel, maar hij stond weer op, voelde geen pijn. Zijn heele ziel trok zich samen in zijn oogen, die de geliefde gestalte volgden.

Ze gingen de beek over, die zacht murmelde. De dorens der bamboestengels, die in de modder van den oever waren gevallen, drongen diep in zijn naakte voeten. Basilio bleef niet staan, om ze te verwijderen.

Tot zijn groote verbazing zag hij dat zijn moeder onder het dichte geboomte doorliep, en de houten deur openstiet, die het graf van den ouden Spanjaard aan den voet van den baliti-boom afsloot.

Basilio trachtte hetzelfde te doen, maar hij vond de deur dicht. De krankzinnige verdedigde den ingang met haar ontvleesde armen, en haar hoofd met de fladderende haren, hem uit alle macht gesloten houdend.

"Moeder, ik ben 't, ik ben 't, ik ben Basilio, uw zoon!" kreet de uitgeputte jongen, terwijl hij op den grond in elkaar zakte.

Doch de krankzinnige week niet. Met haar voeten op den grond steunende, bood ze een krachtigen tegenstand.

Basilio beukte tegen de deur met zijn vuist, met zijn hoofd, dat van bloed stroomde, hij schreide, doch alles tevergeefs. Hij stond met moeite op, keek naar den muur, dacht erover dien over te klauteren, maar hij vond niets dat hem er op helpen kon. Hij liep er toen omheen, en zag een tak van de noodlottige baliti, die over dien van een anderen boom heen groeide. Hij klom er tegen op: zijn kinderlijke liefde deed wonderen. En van tak tot tak kwam hij aan de baliti, en zag zijn moeder, die nog steeds met het hoofd de bladen der deur dichthield.

Het gedruisch dat hij in de takken maakte, trok Sisa's aandacht. Ze keerde zich om, en wilde wegvluchten, maar haar zoon liet zich uit den boom neervallen, omhelsde haar en bedekte haar met kussen. Doch daarna verloor hij 't bewustzijn.

Sisa zag zijn voorhoofd vol bloed. Ze bukte over hem heen, haar oogen schenen uit hun kassen te zullen springen. Ze keek hem in 't gelaat, en die bleeke trekken brachten een schok teweeg in de ingesluimerde cellen van haar brein, iets als een vonk gloorde op in haar geest, ze herkende haar zoon, en, een kreet slakend, viel ze op den bezwijmden knaap, hem kussend en omhelzend.

Moeder en zoon bleven roerloos liggen.

Toen Basilio weer bijkwam, vond hij zijn moeder bewusteloos. Hij riep haar, overstelpte haar met de liefste naampjes, en, ziende dat ze niet ademde, en niet bijkwam, stond hij op, ging naar de beek, om water te halen, in een pisang blad, en besprenkelde daarmee het bleeke gelaat zijner moeder. Doch de krankzinnige verroerde zich niet in 't minst, haar oogen bleven gesloten.

Basilio keek haar ontsteld aan. Hij legde zijn oor tegen haar hart, maar de magere, dorre boezem was koud, en 't hart klopte niet meer. Hij deed zijn lippen tegen de hare, en ontwaarde geen ademtochtje. De rampzalige knaap omhelsde het lijk, en schreide bitter.

De maan blonk in den heerlijk helderen hemel, het briesje doolde zuchtend rond en onder het gras snerpten de krekels.

De nacht van licht en vreugde voor zooveel kinderen, die in de lieve schoot van 't gezin het feest der zoetste herinneringen vieren, het feest dat den eersten liefdeblik herdenkt, door den hemel naar de aarde afgezonden; die nacht waar in alle christelijke gezinnen eten, dansen, lachen, spelen, liefhebben, elkaar kussen...die nacht, die in de koude landen tooverachtig is voor de kinderen, met zijn traditioneele kerstboom, beladen met lichtjes, poppen, suikergoed en klatergoud, waar de groote oogen, waarin onschuld zich afspiegelt, verblind naar staren, die nacht had voor Basilio niets te bieden: hij werd er wees in. Wie weet? Wellicht spelen ook de kinderen in de woonstede van den zwijgenden Padre Salvi. Wellicht zingt men er:

La Nochebuena se viene,
La Nochebuena se va... [77]

De knaap schreide en kermde lang, en toen hij zijn hoofd ophief, zag hij een man voor zich staan, die hem in stilte gadesloeg. De onbekende vroeg hem zacht:

"Ben je haar zoon?"

De jongen knikte.

"Wat denk je te doen?"

"Haar begraven!"

"Op 't kerkhof?"

"Ik heb geen geld, en bovendien zou de pastoor het niet toestaan."

"Wat dan?..."

"Als u me zou willen helpen..."

"Ik ben erg zwak," antwoordde de onbekende, die zich allengs op den grond had laten neervallen, steunend met beide handen op den grond. "Ik ben gewond ...ik heb in twee dagen niet gegeten en niet geslapen... Is hier vannacht niemand gekomen?"

De man bleef in gepeinzen verzonken, en sloeg het belangwekkend gelaat van den knaap gade.

"Luister!" hervatte hij met zwakker stem. "Ik zal ook dood zijn voordat het dag wordt...Op twintig pas van hier, aan den anderen kant van de beek, ligt veel brandhout opgestapeld. Haal dat, maak er een stapel van, leg onze beide lichamen daarop, dek ze toe, en steek er den brand in: laat het goed vlammen, dat we geheel in asch opgaan..."

Basilio luisterde.

"Dan...als er niemand komt...moet je hier graven...dan zul je veel goud vinden...dat is alles voor jou...Ga studeeren!..."

De woorden van den onbekende werden telkens moeilijker te verstaan.

"Ga 't brandhout zoeken...ik wil je helpen."

Basilio verwijderde zich. De onbekende wendde het gelaat naar 't oosten, en prevelde, als bad hij:

"Ik sterf voordat ik den dageraad heb zien gloren over mijn vaderland!... Gij... die dien dageraad zult zien...groet hem... en vergeet niet degenen die in den nacht gevallen zijn!"

Hij hief zijn oogen ten hemel, zijn lippen bewogen zich als in gebed, daarna boog hij 't hoofd, en zakte langzaam ineen...

Twee uur later bevond zuster Roefa zich op de batalan—het erf—van haar huis, bezig met haar ochtend-wassching, om daarna naar de mis te gaan. De vrome vrouw keek naar 't naburig bosch en zag daar een dikke rookwolk opstijgen. Ze fronste de wenkbrauwen en, vol heilige verontwaardiging, riep ze uit:

"Wie zou wel die ketter wezen, die daar op een heiligen dag kaïngin [78] doet? Daar komen al de ongelukken van! Probeer 't 's naar het vagevuur te gaan, en je zult 's zien, hoe gauw ik je eruit haal, barbaar!"

Nawoord.

Daar er nog velen van onze personen in leven, en anderen uit het oog verloren zijn, is het onmogelijk een goed "besluit" voor dit verhaal te geven. Tot heil van de menschen zouden we met genoegen al onze helden en heldinnen naar de andere wereld willen helpen, te beginnen met Padre Salvi en te eindigen met Doña Victorina. Maar dat gaat niet... Laat ze leven! Per slot van rekening is het niet aan ons, maar aan 't land ze in 't leven te houden...

Sinds Maria Clara in 't klooster is gegaan heeft Padre Dámaso het dorp verlaten, om in Manila te gaan wonen, evenals Padre Salvi, die, terwijl hij een vacante bisschopsmijter afwacht, verscheidene malen in de Santa Clara-kerk preekt, in welker klooster hij een belangrijke betrekking bekleedt. Niet veel maanden later kreeg Padre Dámaso bevel van de zeer eerwaarde Pater Provinciaal, om het pastoorschap te gaan vervullen in een zeer verwijderde provincie. Men vertelt dat hij daar zoo naar over was, dat men hem den volgenden dag dood in zijn slaapkamer vond. Sommigen zeiden dat hij aan een beroerte gestorven was, anderen aan een nachtmerrie; doch de geneesheer hief allen twijfel op door de verklaring dat hij plotseling gestorven was.

Niemand onzer lezers zou thans Capitán Tiago herkennen, als hij hem zag. Reeds weken voordat Maria Clara haar gelofte deed, verviel hij in zulk een staat van neerslachtigheid, dat hij begon te vermageren en bedroefd te worden, stilzwijgend en wantrouwig, evenals zijn vroegere vriend, de ongelukkige Capitán Tinang. Nauw waren de poorten van 't klooster gesloten of hij gelastte zijn ontroostbare nicht "Tante Isabel!" al wat aan zijne dochter of zijn overleden echtgenoote toebehoord had bijeen te pakken, en naar Malabon of San Diego te gaan, omdat hij voortaan alleen wilde wonen. Hij wijdde zich toen met woede aan het li-am-po-spel en aan de hanegevechten, en begon opium te schuiven. Hij gaat niet meer naar Antipolo, en laat ook geen missen meer lezen. Doña Patrocinio, zijn oude mededingster, viert vromelijk haar zegepraal, en zit lekker te snurken onder de preek. Als ge soms tegen den avond door de Santo Cristo-straat wandelt zult ge in den winkel van een Chinees een geel, mager, krom mannetje zien zitten, met holle en slaperige oogen, en vuilkleurige lippen en nagels, die naar de menschen kijkt, alsof hij ze niet zag. Tegen den nacht zult ge hem met moeite zien opstaan. En, gesteund op een stok, zult ge hem zijn schreden zien richten naar een nauw hoekje, waar hij in een vuil krot binnen treedt, boven welks deur in groote roode letters te lezen staat Fumadero publico de anfion (openbare amfioenkit.) Dit is de eenmaal zoo beroemde Capitán Tiago, nu geheel vergeten, tot zelfs bij den hoofdkoster.

Doña Victorina heeft bij haar valsche krullen en haar "Andaloezisme"--als men ons het woord veroorlooft—nog de nieuwe gewoonte gevoegd, om zelf de paarden van haar rijtuig te mennen, terwijl ze Don Tiburcio dwingt om stil te zitten. Daar er ten gevolge van haar zwak gezicht verscheidene ongelukken voorvielen, draagt ze tegenwoordig een bril, die haar wonderfraai staat. De dokter is nooit meer bij een zieke geroepen; de bedienden zien hem verscheidene dagen van de week zonder tanden, hetwelk, zooals bekend, een veeg teeken voor hem is.

Linares, eenige verdediger voor dezen ongeluksvogel, rust sinds lang op 't kerkhof te Paco, als slachtoffer van buikloop en de slechte behandeling van zijn schoonzuster.

De roemzuchte alférez vertrok naar Spanje als luitenant met den rang van comandante. Hij liet zijn beminnelijke wederhelft in haar flanellen hemd achter, welks kleur onnaspeurbaar is. De arme Ariadne, wijdde zich, toen ze zich verlaten zag, evenals Minos' dochter, aan den dienst van Bacchus, en aan de beoefening des tabaks; ze drinkt en rookt nu met zooveel hartstocht, dat niet alleen de jongemeisjes bang voor haar zijn, maar ook de oudjes en de kleine kinderen.

Onze bekenden van San Diego zullen waarschijnlijk nog wel leven, als ze ten minste niet omgekomen zijn bij de ontploffing van de stoomboot Lipa, die de reis naar de provincie deed. Aangezien niemand zich erom bekommerde, te weten te komen aan wie de armen en beenen toebehoorden, die op 't eiland Convalecencia her en derwaarts verstrooid werden, is 't ons volmaakt onbekend, of daaronder ook een onzer bekenden voorkwam. We zijn voldaan, evenals het bestuur en de pers van toen, met de wetenschap, dat de eenige fraile die aan boord was, er goed was afgekomen. Meer vragen we niet. Het voornaamste voor ons is het leven der deugdzame geestelijken, wier heerschappij op de Filippijnen door God moge behoed worden tot heil onzer zielen.

Van Maria Clara vernam men verder niets meer; 't was of 't graf haar in zijn schoot bewaarde. We hebben verscheidene personen van veel invloed in 't Santa Clara-klooster naar haar gevraagd, maar niemand heeft ons een enkel woord willen zeggen, zelfs niet de vrome vrouwelijke kwakzalvers, die de beroemde gebakken kippenlever ontvangen, en de nog beroemder saus, genaamd "nonnetjes-saus," die toebereid wordt door de vernuftige keukenmeid der Maagden des Heeren.

Doch op een Septembernacht huilde de stormwind en geeselde met zijn reuzenvleugels de gebouwen van Manila. De donder ratelde ieder oogenblik. Bliksemstralen verlichtten bij wijlen de verwoestingen der elementen en dompelden de bewoners in schrik en angst. De regen viel bij stroomen. Bij 't weerlicht of een kronkelende bliksemstraal zag men een stuk dak, een vensterraam door de lucht vliegen en met vreeselijk gedruisch neerploffen: geen rijtuig, geen voetganger ging de straat over. Wanneer de heesche echo van den donder, honderdvoudig weerkaatst, in de verte wegstierf, dan hoorde men den wind kreunen, die den regen deed opdwarrelen, waardoor een herhaald gekletter tegen de schelpplaten der gesloten vensters weerklonk.

Twee guardias hadden een schuilplaats gezocht in een gebouw, dat bij 't klooster in aanbouw was: 't waren een soldaat en een distinguido, een als soldaat dienend jongmensch van goede familie.

"Wat doen we eigenlijk hier?" zeide de soldaat. "Niemand gaat hier over straat...we moesten liever naar een huis gaan. Mijn 'meisje' woont in de Arzabispo-straat."

"Dat is een heel eind hiervandaan, ver genoeg om druip-nat te worden."

"Dat 's niks, als we maar niet door den bliksem getroffen worden!"

"Och wat! Wees toch niet bang; de nonnetjes zullen wel een bliksemafleider hebben, om er vrij van te blijven."

"Jawel!" zegt de soldaat, "maar waartoe dient die, als de nacht zoo donker is?"

En hij sloeg den blik naar boven, om in de duisternis te kijken; op dat oogenblik flitsten er een paar bliksemstralen vlak op elkaar, gevolgd door een verschrikkelijken donderslag.

"Nakoe! Soes mari josep!" [79] riep de soldaat, en sloeg een kruis. En zijn kameraad meetrekkende, liet hij volgen: "Kom, laten we weggaan!"

"Wat scheelt je?"

"Laten we weggaan, laten we weggaan van hier!" herhaalde hij, terwijl zijn tanden van vrees in zijn mond klapperden.

"Wat heb je gezien?"

"Op het dak...dat moet de non wezen die 's nachts gloeiende kolen ophaalt!"

De distinguido stak zijn hoofd naar buiten, en wilde zien.

Er flikkerde weer een bliksemstraal, en een vuurader doorkliefde de lucht. Een afgrijselijke knal volgde.

"Jezus!" riep hij, eveneens een kruis slaande.

Inderdaad, bij het schitterende licht van 't hemelvuur had hij een witte gedaante gezien, die bijna boven op den nok van 't dak stond, gelaat en armen naar den hemel opgeheven, als in smeekende houding. De hemel antwoordde met donder en bliksem!

Na den donder hoorde men een droef gekreun.

"Dat is de wind niet, dat is het spook!" mompelde de soldaat, als ten antwoord op den handdruk van zijn metgezel.

"Aij! aij!" klonk het door de lucht, boven het gedruisch van den regen uit. De wind kon met zijn gegier die zoete klaagtoon vol droefenis niet overstemmen.

Er schitterde weer een bliksemstraal van een verblindende helderheid.

"Nee, 't is het spook niet!" riep de distinguido. "Ik heb haar nog eens gezien: ze is beeldschoon als de Moedermaagd...Laten we weggaan, en het rapporteeren!"

De soldaat liet het zich geen tweemaal zeggen, en beiden trokken af.

Wie kermde en kreunde daar in 't holle van den nacht, ten spijt van wind, regen en storm? Wie was de schuchtere maagd, de bruid van Jezus, die daar de ontketende elementen trotseerde, en den verschrikkelijken nacht en den vrijen hemel uitzocht, om van een gevaarlijke hoogte haar klachten ten hemel uit te zuchten? Zou de Heer zijn tempel in het klooster verlaten hebben, dat Hij niet meer luistert naar gebeden? Zouden zijn gewelven de smachting der ziel niet meer laten opstijgen voor den troon des Barmhartigen?

De storm raasde bijna den ganschen nacht door. De heele nacht blonk er geen enkele ster. De wanhopige weeklachten, gepaard met de suizingen des winds, hielden aan, maar ze vonden natuur en mensch doof: God had zich gesluierd en hoorde haar niet.

Den volgenden dag, toen de hemel vrij van donkere wolken was, en de zon weder te midden van 't gezuiverd azuur schitterde, hield er een rijtuig stil aan de poort van 't Santa Clara-klooster. Er stapte een man uit, die verklaarde een vertegenwoordiger van 't gezag te wezen, onmiddellijk de abdis te spreken vroeg, en al de nonnen wenschte te zien.

Men verhaalt dat er een verscheen met een geheel nat kleed aan, dat in flarden neerhing, en dat deze weenend de bescherming van den man inriep, vreeselijke beschuldigingen uitsprekend, tegen de gewelddaden der huichelarij. Men vertelt ook dat ze beeldschoon was, dat ze de heerlijkste, sprekendste oogen ter wereld had.

De vertegenwoordiger van 't gezag nam haar niet tot zich: hij had een onderhoud met de abdis, en liet haar aan haar lot over, in weerwil van haar smeken en schreien. De jonge non zag de deur sluiten achter den man, gelijk de veroordeelde de poorten des hemels voor zich ziet dichtgaan, als ooit de hemel zo wreed en ongevoelig kon wezen als de menschen. De abdis zeide dat ze krankzinnig was.

De man wist misschien niet dat er in Manila een krankzinnigengesticht is, of wellicht oordeelde hij dat het nonnenklooster alleen maar zulk een gesticht was; ofschoon men beweert dat die man vrij dom was, vooral om uit te maken wanneer iemand bij zijn verstand was of niet.

Men verhaalt ook dat de gouverneur, de heer J. [80] er anders over dacht en dat, toen de zaak hem ter oore kwam, hij de krankzinnige wilde beschermen, en haar opeischte.

Doch ditmaal verscheen er geen schoon, om hulp smeekend jongmeisje, en de abdis stond niet toe dat men in het klooster nasporing deed: ze beriep zich daarbij op den godsdienst en de heilige statuten.

Men sprak verder niet over het geval, evenmin als over de rampzalige Maria Clara.

AANTEEKENINGEN

[1] Een dergelijk schilderij bestaat in 't klooster van Antipolo. Noot van de Berlijnsche uitgave.

[2] Monniken, volgers van den heiligen Dominicus, stichter der Dominikaner-orde, 13e eeuw.

[3] Mendieta, zeer bekend personage te Manila, portier van den burgemeester, ondernemer van kinder-tooneelvertooningen, directeur van een poppen-theater enz. Quiapo, dorpje in de omstreken van Manila.

[4] "Calle" (spr. kaljee) is straat in 't Spaansch.

[5] Een soort bloes.--J.H.

[6] Sinigang is onze pindang (visch-soep); dalag (ophiocephalus) groeit in de rivieren, meeren en moerassen en vindt men in den regentijd op de rijstvelden en ondergeloopen landen; alibambang is de bauhinia malabarica Roxb.

[7] De "Biblia" (bijbel) van Torres Amat, aartsbisschop van Tarrogona.

[8] "Toedoeng" zeggen wij in N.-I.

[9] Hier werd de schrijver gefusilleerd.

[10] Wien Jupiter verderven wil, maakt hij eerst waanzinnig.

[11] Zwarte borstelige vezels van de arenpalm (Arenga pinnata Mer.).--J.H.

[12] bamboe-vloer.

[13] dak-rib.

[14] De zwarte ging zitten en de roode keek hem aan; een oogenblik later weerklonk het "kikiriki."

[15] goeden dag.

[16] Een Chinees hazardspel.

[17] "Bangka" een groote roeiboot.

[18] In kalan en salabat zal de Nederlandsch-Indiër gemakkelijk het Jav. woord keren (aarde komfoor) en de bekende serbat der Maleiers herkennen, die uit water, honing en gember vervaardigd wordt.

[19] Paäjap is Tagaalsch voor blimbing

[20] Sor Escucha, letterlijk: "Luister-zuster", omdat het de non was belast met het toezicht in de spreekkamer van 't klooster.

[21] Akteon, uit de grieksche fabel-leer beloerde Diana toen ze in 't bad was. Als straf werd hij in een hert veranderd, dat dadelijk door de honden der goddelijke jagers werd verslonden.

[22] Men zegt in de Filippijnen "Convento," lett. klooster, voor het huis van den pastoor. Zie b.v. Manuel Scheidnagel: Islas Filippinas.

[23] Maleisch langsat; jav. langsep.

[24] Heeten te Manila: chicos (kleintjes?). F.

[25] = 6 fanegar = 24 schepels.

[26] Mal.: birah.

[27] Een spel van Chineeschen oorsprong.

[28] Ñor, is een verkorting van Señor, meneer.

[29] De opperlandvoogd op de Spaansche Filippijnen.

[30] Lett. "oudste broeder", nl. onder de Franciskanen.

[31] Twaalf Pairs refereert aan de Paladijnse wacht van Karel de Grote. Ferragus is de naam van een reus in de vroeg middeleeuwse Franse literatuur.--J.H.

[32] Dat is de Heilige Jacob van Compostela, beschermheilige van Spanje.

[33] Eertijds aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje.

[34] Stof geweven uit een variëteit der abaca, die men albani noemt.

[35] Negritos, lett.: negertjes, zwartjes zijn kleine wilden uit de binnenlanden der Filippijnsche eilanden. 't Zijn kroesharigen in onderscheiding van de sluikharige Indios, de gewone inlanders in die streken.

[36] Among = heer.

[37] Een cuarto is 1/16 van een peseta, dus thans ca. 3 ct N. C., een real vier maal zooveel.

[38] Tarantado, door een tarantula-spin gebeten. Saragate, ruziemaker.

[39] "Indios" noemen de Spanjaarden de katholieke inlanders.

[40] Verbastering van sospechoso, verdacht.

[41] In 1879.

[42] Campanario = klokketoren. Torre = toren; de dame vergiste zich dus door van de naam "Van de Toren" "Van de Klokketoren" te maken.

[43] Dante. Inferno 33.

[44] Ironie van den schrijver: het geld werd daar natuurlijk niet voor besteed.

[45] lett. 3 percent, naam van een soort open rijtuig.

[46] Gustavo Adolfo Bécquer, Spaans schrijver van post-moderne gedichten en korte verhalen.--J.H.

[47] In vroeger tijd waren dit landheeren, die de inlanders tot werken op hun grond dwongen. Elias zinspeelde op den strijd tusschen de monniken en de eerste volksplanters.

[48] Van de baden, d. w. z. waar de badplaats is.

[49] Uitroep, die de Filippijnsche inlanders telkens bezigen, en die allerlei beteekenissen kan hebben. Hier: Goed! Mooi zoo!

[50] Wisaja is een andere Filippijnsche taal dan Tagaalsch; 't wordt gesproken in Cebu en Panay.

[51] Den goeden dag kent men aan den morgen. [Italiaansch spreekwoord].

[52] Ik ben een mensch en niets menschelijksch acht ik me vreemd. F.

[53] Kinderen, sluit de beken af. D. w. z.: 't Is genoeg, laat het nu uit zijn [3e ecl. v. Vergilius] F.

[54] Twee welbekende verzen van 't Dies irae: "Al wat verborgen ligt zal geopenbaard worden, en niets zal ongestraft blijven."

[55] Desmodium canescens, een peulvrucht.

[56] Gemeenzaam verkleinwoord van ettelijke namen op do zooals de Tagalen dat vormen.

[57] "Slecht voorteeken" bijnaam van generaal Jovellar, toenmalig gouverneur-generaal.

[58] "De natuur heeft een afschuw van 't ledige."

[59] Wat zie ik? Waarom?

[60] Wat vragen jullie? Niets bestaat in 't verstand dat niet eerst door de zintuigen is gegaan. Men verlangt niet wat men niet kent.

[61] Onder wat voor menschen zijn we?

[62] Snert-latijn. Het oproer van Ibarra onderdrukt door den alférez.

[63] Vriend, Plato is mijn vriend, maar meer nog is de waarheid mijn vriendin.

[64] De zaak is slecht, en een vreeselijk einde is te vreezen.

[65] Tegen iemand die de beginselen ontkent, moet men met stokslagen redeneeren.

[66] Wee hen! Waar rook is, is vuur. Soort zoekt soort, en nu dus Ibarra wordt opgehangen, zult gij dus ook opgehangen worden. N. B. ahorcar is Spaansch voor ophangen.

[67] Ik ben niet bang voor den dood op 'n bed, maar wel in de vesting van Bagoembajan. Catre is Spaansch voor veldbed, ijzeren bed; espaldon idem voor vestingwerk.

[68] Geheel Spaansch op dadivae na: geschenken breken rotsen.

[69] Geschriften zijn getuigen. Wat geneesmiddelen niet genezen, dat geneest het staal, wat het staal niet geneest, dat geneest het vuur.

[70] Bij uiterste dingen uiterste middelen.

[71] Trouwelooze, hooptet gij het ook te bewaren?

[72] Gaat, gevloekten, in 't vuur van de kalan. Kalan is Tagaalsch, = maleisch keran, Jav. kêrên.

[73] Spaansch latijn: primo = neef (cousin) in 't Spaansch.

[74] Weer lastig te verstaan voor iemand die geen Spaansch kent: Want geloof me, neef, wat gebeurd is, is gebeurd. Laten we God danken dat je niet op de Marianneneilanden bent, bezig camotes te zaaien (bataten).

[75] Ze bedoelt: Vertrouw op de Heilige Maagd, en leg je te slapen.

[76] Lange en buigzame, gras-achtige plant, waarmee de Filippijners hun huizen dekken.

[77] De Heilige Nacht komt aan. De Heilige Nacht gaat weer heen...

[78] Veldarbeid.

[79] Moeder! Jezus, Maria en Jozef!

[80] Jovellar?

The end.