Padre Dámaso verklaart zich.
Tevergeefs hoopten zich op een tafel de kostbare bruiloftsgeschenken op: noch de briljanten in hun blauw fluweelen etuis, noch de borduurwerken van pina, noch de stukken zijde trokken de blikken van Maria Clara tot zich. Het jonge meisje staart, zonder te zien noch te lezen, op de courant, die verhaalt van den dood van Ibarra, van zijn verdrinken in 't meer.
Plotseling voelt ze dat er twee handen op haar oogen gelegd worden, die haar tegenhouden, en een vroolijke stem, die van padre Dámaso, zegt tot haar:
"Wie ben ik? wie ben ik?"
Maria Clara springt op van haar stoel, en kijkt hem met ontsteltenis aan.
"Dwaze meid, was je bang, zeg? Je hadt me niet verwacht, wel? Nu, ik ben van uit de provincie gekomen, om je bruiloft bij te wonen."
En met een lachje van vergenoegdheid stak hij haar de hand toe, om die te kussen. Maria Clara boog bevend, en bracht de hand eerbiedig aan haar lippen.
"Wat is er, Maria?" vroeg de Franciskaan, zijn vroolijken glimlach verliezend, en met zekere ongerustheid, "je handje is koud, je wordt bleek...ben je ziek, mijn kindje?"
En Padre Dámaso trok haar naar zich toe met een teederheid, waartoe men hem niet in staat zou achten, greep haar beide handen, en keek haar vragend aan.
"Heb je geen vertrouwen meer in je peet?" vroeg hij op een verwijtenden toon. "Kom, ga nu hier zitten, en vertel me 's al je narigheidjes, zooals je dat deed toen je nog een kind was, toen je kaarsen wou hebben, om er wassen poppetjes van te maken. Je weet wel dat ik altijd van je gehouden heb...ik heb je nooit een standje gegeven..."
Padre Dámaso's stem was niet meer stuursch, en kreeg zelfs hartelijke toonbuigingen. Maria Clara begon te schreien.
"Schrei je, m'n kind? Waarom schrei je? Heb je ruzie met Linares gehad?"
Maria hield haar ooren dicht.
"Niets over hem...nu!" riep het jongemeisje.
Padre Dámaso keek haar vol verbazing aan.
"Wil je me je geheimen niet toevertrouwen? Heb ik niet altijd getracht je kleine grillen te bevredigen?"
Het jongemeisje hief haar betraande oogen naar hem op, keek hem een wijle aan, en begon dan weer bitter te schreien.
"Schrei toch zoo niet, mijn lieveling, want je tranen doen me pijn! Vertel me je smart. Je zult zien hoe je peetvader je liefheeft!"
Maria Clara kwam langzaam naar hem toe, viel op haar knieën, en haar in tranen badend gezichtje tot hem opheffend, zeide ze heel zacht, nauw hoorbaar:
"Houdt u nog van me?"
"Kind?"
"Dan...bescherm dan mijn vader en verbreek mijn huwelijk!"
En het jongemeisje vertelde hem haar ontmoeting met Ibarra, doch verborg hem het geheim harer geboorte.
Padre Dámaso kon zijn ooren nauwelijks gelooven.
"Zoolang hij leefde," hervatte het jongemeisje, "wilde ik nog strijden, hoopte en vertrouwde ik nog. Ik wilde leven, om over hem te hooren spreken...maar nu ze hem vermoord hebben, nu is er geen reden voor mij om nog te leven en te lijden."
Ze zei dit alles langzaam, zacht, bedaard en zonder tranen.
"Maar, dwaas kind, is dan Linares niet duizendmaal beter dan?..."
"Toen hij nog leefde, kon ik gaan trouwen...ik was van plan daarna te vluchten...mijn vader beoogt niet anders dan de familiebetrekking aan te knoopen! Nu hij dood is, zal niemand anders me zijn vrouw noemen...Toen hij nog leefde kon ik me verlagen, toen bleef me nog de troost, te weten dat hij bestond, en misschien aan mij zou denken. Nu hij dood is...'t klooster of 't graf."
De toon waarop 't meisje sprak, had zulk een vastheid, dat padre Dámaso's vroolijk gezicht geheel veranderde en een diep-peinzende uitdrukking kreeg.
"Had je 'm zoo lief?" vroeg hij stamelend.
Maria Clara antwoordde niet. Fray Dámaso liet het hoofd op de borst zakken en bleef zwijgen.
"Mijn kind!" riep hij met smart bewogen stem, "vergeef me dat ik je ongelukkig gemaakt heb, zonder het te weten. Ik dacht aan je toekomst, ik wilde niets dan je geluk. Hoe kon ik toestaan dat je trouwde met iemand van 't land, om je als vrouw ongelukkig en als moeder al even rampzalig te zien? Ik kon je liefde niet uit je hoofd wegnemen, en ik verzette me met alle macht er tegen; ik maakte misbruik van alles, om jou, alleen maar om jou. Als je zijn vrouw geworden was, zou je later geschreid hebben, om den toestand van je man: die zou aan allerlei geweldenarijen blootgestaan hebben; als moeder zou je geschreid hebben om je kinderen; als je ze opvoedde bereidde je hun een droevige toekomst; dan werden 't vijanden van den godsdienst, en zou je ze opgehangen of verbannen zien. Als je ze onwetend liet, zou je ze getiranniseerd en gesmaad zien! Daar kon ik niet in treden! Daarom zocht ik een man voor je, die je de gelukkige moeder zou kunnen maken van kinderen die heerschen en niet hoeven te gehoorzamen aan anderen, die straf opleggen en niet zelf lijden...Ik wist dat je jeugdvriend goed was, ik hield van hem als zijn vader, maar ik haatte hem van af 't oogenblik dat ik zag dat hij je in 't ongeluk zou storten. Want ik heb je lief, ik aanbid je, ik hou van je zooals men een dochter liefheeft. Ik heb geen liefde boven die voor jou. Ik heb je zien groot worden. Er gaat geen uur voorbij dat ik niet aan je denk. Ik droom van je. Je bent mijn eenige vreugde."
En Padre Dámaso barstte in schreien uit als een kind.
"Nu goed, als u me liefheeft, maak me dan niet eeuwig ongelukkig. Hij leeft niet meer, ik wil non worden."
"Non worden, non worden!" herhaalde hij. "Jij weet niet mijn lieveling, hoe 't leven is, dat verborgen ligt achter de kloostermuren, je kent het niet. Ik zie je duizendmaal liever ongelukkig in de wereld dan in 't klooster...Hier kunnen je klachten gehoord worden; daar hooren alleen de muren je...Je bent mooi, heel mooi, en je bent niet bestemd voor de bruid van Christus. Geloof me, mijn kind, de tijd wischt alles uit. Later zul-je vergeten, je zult weer liefhebben, je zult je man liefhebben...Linares."
"Of 't klooster of...dood," herhaalde Maria Clara.
"'t Klooster, het klooster of dood!" riep Padre Dámaso uit. "Maria, ik ben al oud, ik zal niet langer kunnen waken over jou en je rust...Zoek wat anders, een andere liefde, een anderen jongeman, wie 't ook zij, alles liever dan 't klooster."
"Naar 't klooster of dood!"
"Mijn God, mijn God!" riep de priester, zich het gelaat met de handen bedekkend. "Gij straft me, 't zij zoo. Maar behoed mijn kind.."
En zich tot het jongemeisje wendend, zeide hij:
"Je wilt dus non worden? Goed, je zult 't zijn, ik wil je dood niet."
Maria Clara greep hem beide handen, drukte ze en kuste ze knielend.
"Mijn peetvader, mijn lieve peetvader!" stamelde ze.
"Mijn God, ge bestaat, want ge kastijdt! Maar wreek u op mij, en tref niet dat onschuldige, red mijn dochter."