Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 59: Hoofdstuk 59

De jacht op 't meer.

"Luister 's meneer, wat voor plan of ik overdacht heb," zeide Elias peinzend, terwijl ze naar San Gabriel koers zetten. "Ik zal u nu bij een vriend van me in Mandaloejong verborgen houden. Ik zal u al uw geld brengen, dat ik gered en bewaard heb aan den voet van de baliti-boom, in 't geheimzinnige graf van uw voorvader. Dan verlaat u het land..."

"Om naar 't buitenland te gaan?" viel Ibarra in.

"Om uw verdere levensdagen in rust door te brengen. U heeft vrienden in Spanje, u bent rijk, u zult zich de straf wel kunnen laten kwijtschelden. In allen gevalle is het buitenland voor u een beter vaderland dan 't eigene."

Crisóstomo antwoordde niet, hij overlegde in stilte.

Ze kwamen op dat oogenblik aan de Pasig, en de bangka begon den stroom op te varen. Op de Españabrug reed haastig een ruiter, en men hoorde een gerekt, schel gefluit.

"Elias," hervatte Ibarra, "u dankt uw ongeluk aan mijn familie. U heeft me tweemaal 't leven gered, en ik ben u niet alleen dankbaarheid schuldig, maar ook teruggave van uw fortuin. U raadt me om in 't buitenland te gaan leven.

"Nu, kom dan met me mee, en laten we samen als broeders leven.

"Hier bent u toch ook ongelukkig."

Elias schudde droevig het hoofd, en antwoordde:

"Onmogelijk! 't Is waar dat ik in mijn land niet kan liefhebben, niet gelukkig kan zijn, maar ik kan er lijden en sterven, en misschien voor zijn zaak: dat is altijd wat. Laat het ongeluk van mijn vaderland mijn eigen ongeluk wezen, en aangezien ons geen edele gedachte bindt, aangezien onze harten niet kloppen voor een naam, laat dan tenminste de gemeenschappelijke tegenspoed me aan mijn landgenooten binden, laat me ten minste met hun samen over onze smarten schreien, en eenzelfde leed onze harten doen krimpen."

"Waarom raadt u me dan om heen te gaan?"

"Omdat u elders gelukkig kan wezen, en ik niet, omdat u niet deugt voor leed, en omdat u uw land zou verafschuwen, wanneer u eenmaal u zelf ongelukkig zag door toedoen van dat land. En zijn vaderland verafschuwen is het grootste ongeluk."

"U bent onbillijk voor me!" riep Ibarra met bitter verwijt. "U vergeet dat ik, nauwelijks hier, dadelijk ben begonnen met 't goede voor mijn land te beoogen.."

"Wees niet beleedigd, meneer, ik maak u geen enkel verwijt: 't ware te wenschen dat iedereen u na kon volgen! Maar ik vraag geen onmogelijke dingen van u, en u moet zich niet beleedigd achten, als ik u zeg dat uw hart u misleidt. U hadt uw land lief, omdat uw vader het u zoo geleerd had. U hadt het lief, omdat u er liefde, fortuin, jeugd hadt; omdat alles u toelachte: uw land had u geen enkel onrecht aangedaan. U hadt het lief zooals we alles liefhebben wat ons gelukkig maakt. Maar den dag waarop u uzelf arm, hongerig, vervolgd, aangeklaagd en verkocht ziet door uw eigen landgenooten, dien dag zult u uzelf, uw vaderland en iedereen verloochenen."

"Uw woorden zijn kwetsend voor me," zei Ibarra geraakt.

Elias boog het hoofd, dacht even na, en hervatte:

"Ik wil u uit den droom helpen, meneer, en u een droevige toekomst besparen. Herinner u maar 's dien keer, toen ik met u sprak in deze zelfde bangka, bij 't licht van deze zelfde maan, zoowat een maand geleden. Toen was u gelukkig. De smeekbede van de ongelukkigen drong niet tot u door; u versmaadde hun klachten, omdat het klachten van misdadigers waren, u gaf meer gehoor aan hun vijanden, en in weerwil van mijn argumenten en mijn smeeken, koos u de partij van hun onderdrukkers. En toen hing het van u af, of ik misdadiger zou worden, of me zou laten dooden, om een heilige belofte gestand te doen. God heeft het niet veroorloofd, want het oude hoofd van de bandieten is gestorven...Er is net een maand voorbij, en nu denkt u al anders!"

"U beeft gelijk, Elias, maar een mensch is nu eenmaal afhankelijk van omstandigheden, toen was ik verblind, ik had 't land, weet ik 't? Nu heeft het ongeluk me den blinddoek van de oogen gerukt. De eenzaamheid en de ellende in de gevangenis hebben me geleerd, en nu zie ik de vreeselijke kanker die aan deze maatschappij vreet, die zich in zijn vleesch vastwerkt, en een gewelddadige uitsnijding eischt. Zij hebben me de oogen geopend, ze hebben me de wonde laten zien, en dwingen me om misdadiger te worden! En nu ze 't eenmaal gewild hebben, zal ik filibustero wezen, maar een echte. Ik zal al de ongelukkigen oproepen, allen die in hun borst een hart voelen kloppen, dezelfden die u naar me toe gezonden hebben...Nee, ik zal niet misdadig wezen: die strijdt voor zijn vaderland is dat nooit, integendeel! Wij hebben hun drie eeuwen lang de hand toegestoken, we vragen hun om liefde, we verlangen ernaar, ze broeders te mogen noemen. En hoe antwoorden ze ons? Met beleediging en hoon en spot: ze ontzeggen ons zelfs het recht ons menschelijke wezens te noemen. Er is geen God, geen hoop, geen menschlievendheid: er is alleen maar 't recht van den sterkste!"

Ibarra was zenuwachtig, zijn heele lichaam beefde.

Ze gingen 't paleis van den capitan general voorbij, en meenden bij de wacht beroering en onrust te ontwaren.

"Zou de vlucht ontdekt zijn?" mompelde Elias.

"Gaat u liggen, meneer, dan kan ik u met het zacate-gras bedekken; want we komen zoo meteen voorbij 't kruitmagazijn, en 't mocht den schildwacht 's verdacht voorkomen, dat we met ons beiden zijn."

De bangka was een van die ranke smalle kano's, die niet drijven, maar over 't water heenglijden.

Zooals Elias voorzien had, hield de schildwacht hem aan, en vroeg hem waar hij vandaan kwam.

"Van Manila, ik heb zacate gebracht aan de rechters en aan de pastoors," antwoordde hij, handig den tongval der lieden van Pandakan nabootsend.

Een onderofficier kwam voor den dag, en stelde zich op de hoogte van 't geen er plaats had.

"Soeloeng! (Ga door!)" zeide deze tot hem, "ik waarschuw je dat je niemand in je bangka mag nemen, want er is zoo juist een gevangene ontsnapt. Als je hem oppakt en aan mij uitlevert, zal ik je een goede fooi geven."

"Goed, meneer. Hoe ziet hij eruit?"

"Hij draagt een gekleede jas en spreekt Spaansch. Dus, opgepast!"

De bangka verwijderde zich. Elias wendde het hoofd om, en zag het silhouet van den schildwacht, staande bij den oever.

"We zullen eenige minuten oponthoud hebben," zeide hij zacht, "we moeten de Beatarivier op, om te doen alsof ik van Pena Francia ben. U zult de rivier zien, die bezongen is door Francisco Baltasar."

Het dorp sliep in 't maanlicht. Crisóstomo stond op, om de kerkhofachtige vredigheid der natuur te bewonderen. De rivier was breed en haar oevers waren vlak en bebouwd met zacate-gras.

Elias wierp zijn vracht aan den oever neer, greep een lange bamboe en haalde onder uit het gras eenige lege wajons of zakken van palmblad. Ze voeren verder.

"U bent vrij in uw doen en laten, meneer, en over uw toekomst beschikt u zelf," zeide hij tot Crisóstomo, die bleef zwijgen. "Maar als ik een opmerking mag maken, dan moet ik u zeggen: Denk er wel goed over na, wat u gaat doen, u gaat een oorlog aanstoken, want u heeft geld en verstand, en u zult al heel gauw veel hulp vinden: noodlottigerwijze zijn er veel ontevredenen. Maar, in de worsteling die u gaat beginnen, zullen het de onbeschermden en onschuldigen zijn die 't meest te lijden krijgen. Dezelfde gevoelens, die een maand geleden maakten, dat ik me tot u wendde om hervormingen te vragen, zijn het ook die me nu drijven om u te zeggen, dat u zich wel bedenken moet. Het land denkt er niet aan, meneer, zich los te maken van het moederland: het vraagt alleen een beetje vrijheid, gerechtigheid en liefde. U zult hulp krijgen van de ontevredenen, de misdadigers, de wanhopigen, maar het volk zelf zal zich onthouden. U vergist u, wanneer u, nu u alles donker ziet, denkt dat het land wanhopig is. Het land lijdt, jawel, maar het hoopt ook nog, het gelooft, en zal alleen dan opstaan wanneer het zijn geduld kwijt raakt, dat wil zeggen, wanneer zij die besturen het willen, en dat is nog ver-af. Ik zelf zal u niet volgen: ik zal nooit mijn toevlucht nemen tot zulke uiterste middelen, zoolang ik hoop zie in de menschen."

"Dan ga ik zonder u!" antwoordde Crisóstomo vastberaden.

"Is dat uw vast besluit?"

"Vast en eenig, bij de nagedachtenis van mijn vader. Ik laat me niet straffeloos mijn rust en mijn geluk afnemen, ik die alleen 't goede verlangd heb, ik die alles heb geëerbiedigd en geleden om der wille van een schijnheiligen godsdienst, uit liefde voor een vaderland. Hoe hebben ze 't me vergolden? Ze hebben me in een eerloos cachot gegooid, en mijn aanstaande vrouw geprostitueerd. Nee, me niet wreken zou een misdaad wezen, dat zou 't zelfde wezen als ze aan te moedigen tot nieuwe ongerechtigheden! Nee, 't zou lafheid, kleinmoedigheid wezen, te stenen en te klagen wanneer er bloed en leven is, wanneer bij beleediging en uittarting nog hoon komt! Ik zal 't domme volk oproepen, ik zal 't zijn ellende laten zien. Laat het niet denken aan broeders. Er zijn alleen wolven, die elkaar verslinden. En ik zal hun zeggen dat tegen die onderdrukking 't eeuwige recht van den mensch opstaat en opkomt, om zijn vrijheid te veroveren."

"'t Onschuldige volk zal lijden!"

"Des te beter. Kunt u me naar 't gebergte brengen?"

"Totdat u in veiligheid is!" antwoordde Elias.

Weer kwamen ze op de Pasig-rivier uit. Ze spraken van tijd tot tijd over onverschillige dingen.

"Santa Anna!" mompelde Ibarra, "u kent dat huis zeker wel?"

Ze kwamen voorbij het landhuis der Jezuïeten.

"Daar heb ik heel wat gelukkige en vroolijke dagen gesleten!" zuchtte Elias. "In mijn tijd kwamen we er iedere maand... toen was ik als de anderen: ik had fortuin, familie, ik droomde van een toekomst en zag die reeds half. In die dagen kwam ik mijn zuster opzoeken in 't colegio in de buurt. Ze gaf me dan een werkje van haar...ze had een vriendinnetje bij zich, een mooi jongmeisje. Alles is voorbij als een droom."

Ze bleven zwijgen tot ze aan Malapad nabato (breede rots) kwamen. Zij, die wel eens 's nachts de Pasig hebben bevaren, in een van die tooverachtige nachten, die men op de Filippijnen kan hebben, wanneer de maan van 't kristalhelder azuur weemoedvolle poëzie uitstort; wanneer de schaduwen de ellende der menschen verbergen, en de stilte de armzalige klanken hunner stem verdooft; wanneer alleen de natuur spreekt, dezulken zullen begrijpen wat de beide jonge mannen overdachten.

Te Malapad nabato was de carabinero slaperig, en ziende dat de bangka leeg was, en geen buit opleverde—hij zou die anders inhalen, naar de traditioneele gewoonte van zijn korps en 't aan zijn ambt verbonden gebruik—liet hij de reizigers gemakkelijk door.

De guardia civil van Pasig vermoedde ook niets, en ze werden niet lastig gevallen.

't Begon te dagen, toen ze aan 't meer kwamen. 't Lag daar glad en rustig als een reusachtigen spiegel. De maan verbleekte, en het Oosten tintte zich met een rooskleurige gloed. Op eenigen afstand werden ze een grijze massa gewaar, die langzaam naderbij kwam.

"De falua—het politie-vaartuig—komt," fluisterde Elias. "Leg u neer, en ik zal u toedekken met die zakken."

De gedaante van 't vaartuig werd duidelijker waarneembaar.

"Ze gaan tusschen den wal en ons," merkte Elias ongerust op. En hij wijzigde langzamerhand de koers van zijn bangka, roeiend in de richting van Binangonan. Tot zijn groote schrik bespeurde hij dat de falua ook van koers veranderde, terwijl een stem hem aanriep.

Elias hield stil en dacht na. De oever was nog ver af, en weldra zouden ze in 't bereik van de geweren der falua zijn. Hij dacht erover de Pasig weer op te varen: zijn bangka ging sneller dan 't andere vaartuig. Doch tot overmaat van ramp kwam er een andere bangka van de Pasig. En men kon de helmen en bajonetten der guardias civiles reeds zien blinken.

"We zijn in den val!" mompelde hij, verbleekend.

Hij keek naar zijn stevige armen, en 't eenig besluit nemende dat hem mogelijk bleef, begon hij uit alle macht te roeien in de richting van 't eiland Taljim. Inmiddels kwam de zon op.

De bangka gleed snel voort. Elias zag op de falua, die bijdraaide, eenige mannen staan, die hem wenkten.

"Kunt u een bangka besturen?" vroeg hij aan Ibarra.

"Jawel; waarom?"

"Omdat we verloren zijn, als ik niet in 't water spring, en ze van 't spoor leid. Zij zullen me vervolgen, ik zwem en duik goed... ik zal ze van u afleiden. Daarna moet u maar zien dat u in veiligheid komt."

"Nee. Blijf, en laten we ons leven duur verkoopen!"

"Dat zou niets geven: we hebben geen wapens en met hun geweren schieten ze ons als vogeltjes neer."

Op dat oogenblik klonk er een eigenaardig gesis in 't water, alsof er een heet voorwerp in viel. Onmiddellijk volgde een knal.

"Ziet u wel?" zeide Elias, zijn riem in de bangka leggend.

"We zien mekaar terug op kerstnacht op 't graf van uw grootvader. Red u!"

"En u?"

"God heeft me wel voor grooter gevaren behoed."

Elias trok zijn kiel uit. Een kogel rukte dien uit zijn handen, en twee knallen klonken achter elkaar. Zonder te ontstellen, drukte hij Ibarra's hand. Deze bleef uitgestrekt op den bodem der bangka liggen. Hij zelf sprong in 't water, met zijn voet het ranke vaartuigje wegduwend.

Men hoorde verscheidene kreten, en weldra verscheen op eenigen afstand het hoofd van den jongeman boven water, om adem te halen. Onmiddellijk daarop verdween 't weer.

"Daar, daar is hij!" schreeuwden er ettelijken tegelijk, en weer floten de kogels.

De falua en de bangka begonnen hem beide na te zetten: een flauwe zogstreep teekende zijn koers, waarbij hij zich telkens verder van Ibarra's vaartuig verwijderde, dat nu dobberde alsof het verlaten was. Iedere keer dat de zwemmer het hoofd boven water stak, om op adem te komen, schoten de guardias civiles en falua-mannen op hem.

De jacht duurde voort. De kleine bangka van Ibarra was al ver weg, de zwemmer naderde allengs den oever, die nu op een vijftig vadem afstands voor hem lag. De roeiers waren reeds vermoeid, doch Elias was 't ook, want hij kwam nu telkens met het hoofd boven, en telkens in een andere richting als om zijn vervolgers van de wijs te brengen. Nu verried het zog niet meer de koers van den duiker. Voor de laatste maal zagen ze hem dicht bij den oever, op een tien vadem afstand ongeveer. Ze vuurden...daarna gingen er ettelijke minuten voorbij: er kwam niets meer aan de oppervlakte van 't meer, dat nu rustig en verlaten was.

Een half uur later beweerde een roeier in 't water, bij den oever, sporen van bloed te zien, doch zijn kameraden schudden het hoofd, met een uitdrukking op 't gelaat die zoowel ja als neen kon beteekenen.