Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 56: Hoofdstuk 56

De gevloekte.

Weldra verbreidde zich in het dorp de tijding dat de gevangenen zouden vertrekken. In den beginne werd ze met schrik aangehoord, daarna kwamen het geschrei en het gejammer.

De families der gevangenen liepen als gekken: ze gingen van het klooster naar de kazerne, van de kazerne naar het gemeentehuis, en daar ze nergens troost vonden, vervulden ze de lucht met kreten en gekerm. De pastoor had zich opgesloten, omdat hij ziek was. De alférez had zijn wacht versterkt, en deze ontving de smekende vrouwen met de kolf van 't geweer. De gobernadorcillo, 't onnutte wezen, scheen zotter dan ooit. Tegenover de kazerne liepen van 't eene uiteinde naar 't andere de vrouwen die nog krachten hadden; de anderen gingen op den grond zitten, terwijl ze de namen hunner dierbaren uitspraken.

De zon brandde, en geen enkele dier ongelukkigen dacht eraan heen te gaan. Doray, de vroolijke gelukkige echtgenoote van Don Filipo, doolde ontroostbaar rond, in haar armen haar kindje dragend. Beiden schreiden.

"Ga maar heen," zeiden ze haar, "uw kind zal koorts oploopen."

"Waartoe zou 't leven als 't geen vader heeft om 't op te voeden?" antwoordde de diepbedroefde vrouw.

"Uw man is onschuldig. Hij komt misschien terug!"

"Jawel, wanneer wij al dood zijn!"

Capitana Finay schreide en riep haar zoon Antonio. De dappere Capitana Maria keek naar 't kleine traliewerk, waar achter haar beide tweelingen, haar eenige kinderen waren.

Daar was ook de schoonmoeder van de klapperpooter. Zij schreide niet: ze wandelde heen-en-weer, gestikuleerde met opgestroopte mouwen, en sprak het publiek toe:

"Heb je ooit zoo iets gezien? Mijn Andong gevangen nemen, op hem schieten, hem in 't blok doen en hem naar den hoofdplaats brengen, alleen omdat... omdat hij een nieuwe broek aanhad? Dat roept om wraak! De guardias civiles maken misbruik van hun gezag! Ik zweer dat, als ik er ooit weer een aantref die een afgelegen plekje in mijn tuin zoekt, zooals dikwijls gebeurd is, dan snij ik erin... dan snij ik erin, of anders mogen ze 't mij doen!"

Doch weinig lieden stemden in met de muzelmansche schoonmoeder.

"Van dit alles heeft Don Crisóstomo de schuld," zuchtte een vrouw.

De schoolmeester doolde eveneens onder de menigte rond. "Ñor" Juan wreef zich niet meer in de handen, hij had ook zijn schietlood en zijn meter niet bij zich: de man was in 't zwart want hij had de kwade tijding gehoord, en trouw aan zijn gewoonte, om de toekomst als iets gebeurds te beschouwen, droeg hij rouw om den dood van Ibarra.

Om twee uur 's middags hield een kar, door twee ossen getrokken, stil voor het gemeentehuis.

De kar werd omringd door de menigte, die hem wilde uitspannen en vernielen.

"Dat moet je niet doen," zei Capitana Maria, "wou je dat ze te voet gingen?"

Dit weerhield de menschen. Twintig soldaten traden naar buiten, en omringden het voertuig. Daarna verschenen de gevangenen.

De eerste was Don Filipo, die gebonden was. Hij groette glimlachend zijn vrouw. Doray barstte in bitter schreien uit, en het kostte twee guardias moeite, om te beletten dat ze haar man omhelsde. Antonio, de zoon van Capitán Finay, kwam schreiend als een kind voor den dag, hetwelk slechts de kreten van zijn familie deed toenemen. De onnoozele Andong barstte in schreien uit, toen hij zijn schoonmoeder, de oorzaak van zijn ongeluk, gewaar werd. Albino, de oud-seminarist, was ook aan de handen gebonden, evenals de beide tweelingen van Capitana Maria. Deze drie jongelieden waren ernstig en somber. De laatste die naar buiten kwam was Ibarra, los, maar tusschen twee guardias civiles in. De jongeman was bleek. Hij zocht een hem bevriend gezicht.

"Die is de schuld van alles!" riepen er verscheidene stemmen. "Die is 't meest schuldig, en die loopt ongebonden!"

"Mijn schoonzoon heeft niets gedaan, en die heeft de handboeien aan!"

Ibarra wendde zich tot zijn bewakers:

"Bind me, maar doe 't goed: elleboog tegen elleboog!" zeide hij.

"We hebben er geen order toe!"

"Bind me!"

De soldaten gehoorzaamden.

De alférez vertoonde zich te paard, tot de tanden gewapend. Nog tien of vijftien soldaten volgden hem.

Iedere gevangene had daar zijn familieleden, die voor hem smeekten, van hem schreiden, en hem de liefste naampjes gaven. Alleen Ibarra had er niemand; zelfs "Ñor" Juan en de schoolmeester waren verdwenen.

"Wat hebben mijn man en mijn zoon u aangedaan?" zei Doray tot hem. "Kijk mijn arme zoon! U heeft hem zijn vader afgenomen!"

"Je bent een lafaard!" schreeuwde Andong's schoonmoeder hem toe. "Terwijl de anderen voor je aan 't vechten waren, hield jij je verscholen, lafaard!"

"Wees vervloekt!" zei een oude man tot hem, terwijl hij hem volgde, "vervloekt het goud dat je familie opgehoopt heeft, om onze rust te verstoren!"

"Laten ze je ophangen, ketter!" riep een verwante van Albino hem toe. En zich niet kunnende inhouden, raapte ze een steen op, en gooide dien naar hem.

Het voorbeeld werd snel gevolgd, en op den ongelukkigen jongeman regende het stof en steenen.

Ibarra verdroeg onverstoord, zonder woede, zonder een klacht, de rechtvaardige wraak van zooveel zwaarbezochte harten. Dat was het afscheid, het vaarwel dat hem toegeroepen werd door zijn dorp, waar al zijn liefde was. Hij boog het hoofd. Wellicht dacht hij aan een man die onder geeselslagen door Manila rondgeleid werd, aan een oude vrouw die dood neerviel op het gezicht van 't hoofd van haar zoon. Wellicht kwam Elias' geschiedenis hem voor den geest.

De alférez vond het noodig de menigte te doen verwijderen, maar de steenworpen en scheldwoorden hielden aan. Een moeder alleen wreekte haar smart niet aan hem: 't was Capitana Maria. Roerloos, met op elkaar geklemde lippen, de oogen vol stille tranen zag ze haar twee zoons weggaan. Ze stond daar onbewegelijker, en haar smart was grooter dan die der Niobe uit de fabel.

De stoet verwijderde zich.

Ibarra zag de rookende puinhoopen van zijn huis, van 't huis zijner ouders, waar hij geboren was, waar de liefste herinneringen zijner kindsheid en zijner jongelingsjaren leefden. Tranen, lang weerhouden, welden thans uit zijn oogen; hij boog het hoofd en weende, zonder de troost te hebben van zijn schreien te kunnen verbergen, zoo gebonden als hij daar was, noch de hoop dat het bij iemand deernis zou wekken. Nu had hij geen vaderland, geen huis, geen liefde, geen vrienden, geen toekomst meer!

Van een hoogte sloeg een man den akeligen stoet gade. 't Was een oud man, bleek, mager, gewikkeld in een wollen deken, met moeite leunend op een stok. 't Was de oude filosoof Tasio, die op het bericht van 't gebeurde niet langer in bed wilde blijven maar erheen wilde snellen. Doch zijn krachten hadden het hem niet veroorloofd. De grijsaard volgde de kar met den blik, totdat hij in de verte uit het gezicht verdween. Hij bleef een poos in gedachten verzonken, en met gebogen hoofd staan. Daarna richtte hij zich op, en ging, met groote moeite en iedere keer stilstaande, den weg naar zijn huis op.

Den volgenden dag vonden de herders hem dood liggen op den drempel van zijn eenzaam verblijf.