Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 55: Hoofdstuk 55

"Vae Victis!"

Eenige guardia civiles wandelen met onheilspellende gelaatsuitdrukking voor de poort van 't gemeentehuis, dreigend met de kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan, of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien.

De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en weinig geruststellend. De guardia civiles en de soldaten van de burgerwacht, die er nu in zitten, spreken te nauwernood met elkaar. Op de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten bezig papieren vol te krabbelen. De alférez loopt heen en weer, en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil, en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar.

De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een ander bestemd.

Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen.

"Nou, u heeft ook op u laten wachten!" zegt de alférez tot hem.

"Ik had er liever niet bij willen wezen," antwoordt Padre Salvi zacht, zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. "Ik ben erg zenuwachtig."

"Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan."

"De jonge Ibarra en de teniënte mayor...?"

De alférez wees naar de gevangenis.

"Er zijn er acht in," zeide hij. "Bruno is vannacht om twaalf uur gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd."

De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een "aah" antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder 't portret van den koning neerzette.

"We kunnen beginnen!" zei ze.

"Haal de twee die in 't blok zitten!" beval de alférez met een stem, die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe:

"Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!"

Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld dat het "blok" een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste ledematen van meer dan een el wijd: 't is niet dadelijk doodelijk, zooals men zich zeer goed kan voorstellen.

De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg, en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er luchtverversching intrad.

Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek: 't blok werd losgemaakt.

Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen, met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen.

Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn, Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den alférez.

"Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden heeft gezegd te vluchten," zeide de alférez tot padre Salvi.

Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed.

"Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats komen!" schreeuwde hij.

"'t Is een rakker," merkte de alférez op, met den pastoor sprekende. "Hij wou vluchten, maar ze hebben 'm in zijn dij geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben gekregen."

"Hoe heet je?" vroeg de alférez aan Tarsilo.

"Tarsilo Alasigan."

"Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne aanvielen?"

"Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad."

"Ontken 't niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?"

"U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken, anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar."

De alférez keek verbaasd naar den onderofficier.

"Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten, daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van me te hooren krijgen."

Er was een oogenblik stilte.

"Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn," riep de alférez, en zwaaide met een rotan.

Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde.

De alférez overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij:

"Breng den man waar de lijken zijn!"

In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik spuwend.

"Ken je ze?" vroeg de alférez, terwijl hij de mat oplichtte.

Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken, en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen.

"Ken je ze?" werd hem weer gevraagd.

Tarsilo bleef stom.

Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord.

"Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!" kreet de alférez buiten zich zelve.

"Spreek dan toch!" zeide de commissaris, "in elk geval maken ze je dood."

Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën knikten.

"Ken je dien man?" vroeg Padre Salvi.

"Ik zie hem voor 't eerst!" antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden naar den ander kijkend.

De alférez gaf hem een stomp en een trap.

"Maak hem aan de bank vast!"

Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij aan een houten bank vastgebonden.

De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op haar lippen beet.

"Ik heb nooit zoo'n leelijke vrouw gezien!" riep Tarsilo te midden van de algemeene stilte. "Ik ga liever op een bank als deze slapen, dan naast haar, zooals de alférez."

De muze verbleekte.

"U gaat me doodranselen, meneer de alférez," ging hij voort, "vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen."

"Doe een prop in zijn mond!" schreeuwde de alférez, bevend van woede.

't Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening.

Op een teeken van den alférez begon een guardia gewapend met een rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed.

Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten volle. Ze telde, ademloos naar 't scheen, de doffe slagen en 't hartverscheurend gekreun en gebrul. 't Was Tarsilo's zuster.

In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige, op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de alférez, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij losgemaakt moest worden.

Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in 't oor. Deze knikte ten teeken van instemming.

"Naar de put met hem!" zeide hij.

De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze 't met timbaïn, van 't werkwoord timba, water putten. We weten niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden 't voor vrij oud.

In 't midden van 't patio—de binnenplaats—van 't gemeentehuis verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut te trekken, maar om de moeilijkheden.

Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek, en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden.

Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een zucht ontweek aan zijn borst.

"Spreek nou!" zeide de commissaris weer tot hem, "je wordt in elk geval opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben."

"Als je daar uit komt, moet je dood," zeide een cuadrillero.

Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet, alleen dat ze den man er langer in laten.

De alférez verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten af te tellen.

Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij hield de oogen half dicht.

"Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben," stamelde hij smekend, "laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in 't zelfde geval als ik!"

De alférez kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het toezicht op de nederlating.

"Langzaam, langzaam!" schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige met den blik volgend. "Voorzichtig!"

De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield de zwengel op te zakken. De alférez telde de sekonden.

"Op!" kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut.

Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de terugkeer van 't slachtoffer naar 't licht aan. Ditmaal ging het sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en schilfers, die van de put werden afgescheurd, vielen met gedruisch neer.

Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude.

"Wil je nu spreken?" vroeg men hem.

"Zorg voor mijn zuster!" stamelde de ongelukkige en keek smekend naar een cuadrillero.

De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De alférez telde een minuut.

Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met bloed beloopen oogen open.

"Zul je nu spreken?" vroeg de alférez op ontmoedigden toon.

Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water, en viel weer 't schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld aan zijn oogen onttrok.

Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag groote luchtbellen aan de oppervlakte van 't water komen.

"Hij heeft dorst!" zei ze lachend.

En 't werd weer rustig.

Dezen keer duurde het anderhalve minuut, voor de alférez zijn teeken gaf.

Tarsilo's trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden lieten het wit van 't oog zien. Uit den mond kwam modderig water met bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde niet meer.

Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De alférez gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet en de sigaret ging uit.

"Hij heeft zichzelf laten stikken!" mompelde een cuadrillero. "Kijk 's hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken."

De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij keek als een gek naar alle kanten.

De alférez zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest.

"Meneer, meneer!" kermde hij, "ik zal alles zeggen wat u maar wilt!"

"Goed! Laten we 's hooren: hoe heet je?"

"Andong, [56] meneer!"

"Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?"

"Andong, meneer!" herhaalde de onnoozele hals.

"Zet u maar Bernardo of wat dan ook," besliste de alférez.

"Familie-naam?"

De man keek hem ontzet aan.

"Wat voor 'van' heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?"

"O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!"

De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de alférez stond stil op zijn wandeling.

"Beroep?"

"Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder."

"Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?"

"Niemand, meneer!"

"Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie heeft je gelast? Zeg de waarheid!"

"De waarheid, meneer!"

"Wie?"

"Wie, meneer?"

"Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?"

"Welk oproer, meneer?"

"Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne was."

"O meneer!" riep Andong blozend.

"Nu, wie heeft daar de schuld van?"

"Mijn schoonmoeder, meneer!"

Een luid gelach begroette deze woorden.

De alférez stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden, en ging aangemoedigd voort:

"Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was, en ik zei zoo bij mezelf: 't Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar binnen... en toen ik opstond, hoorde ik overal schieten. Ik was juist bezig mijn broek op te halen..."

Een rotan slag sneed hem het woord af.

"Naar de gevangenis!" beval de alférez. "Vanmiddag naar de hoofdplaats!"