Wat men zegt en wat men gelooft.
God liet het eindelijk morgen worden voor 't zwaarbezochte dorp.
De straat waarin de kazerne en het gemeentehuis stonden, bleef verlaten en eenzaam; de huizen gaven geen teeken van leven. Niettemin ging een houten vensterblind met geraas open, en vertoonde zich een kinderkopje, dat naar alle kanten heendraait, de hals rekt en in alle richtingen uitkijkt. "Klets!" klinkt het en de frissche menschelijke huid komt in gewelddadige aanraking met een stuk gelooide huid; de mond van 't kind vertrekt zich pijnlijk, zijn oogen sluiten zich, het kopje verdwijnt, en het venster gaat weer dicht.
Het voorbeeld is gegeven: dat open en dichtdoen is zeker gehoord, want een tweede venster gaat langzaam open, en er vertoont zich heel voorzichtigjes het hoofd van een oude vrouw, gerimpeld en tandeloos: 't is zuster Poetê in eigen persoon, die zooveel opschudding maakte terwijl padre Dámaso aan 't preeken was. Kinderen en oude vrouwen zijn nu eenmaal de vertegenwoordigers der nieuwsgierigheid op aarde: de eersten uit lust om te weten, de anderen uit lust om zich te herinneren.
Zeker is er niemand die het waagt haar een slag met een muiltje te geven, want ze blijft daar, kijkt met gefronste wenkbrauwen in de verte, spoelt zich den mond, spuwt met gedruisch, en slaat dan een kruis. Het huis aan den overkant opent ook schuchtertjes een raampje, en laat het hoofd van zuster Roefa door, dezelfde die niet wil bedriegen of zich laten bedriegen. Ze kijken elkaar een oogenblik aan, glimlachen, geven elkaar teekens en slaan weer een kruis.
"Heerejee! 't Leek wel een genade-mis, met een mooi stuk vuurwerk!" zegt zuster Roefa.
"Sinds de plundering van 't dorp door Balat heb ik nooit zoo'n nacht gezien!" antwoordt zuster Poetê.
"Wat is er geschoten! Ze zeggen dat het de bende van den ouden Pablo is."
"Toelisan's? Dat kan niet! Ze zeggen dat het de burgerwacht is tegen de civiles. Daarom is Don Filipo gevangen genomen."
"Sanctus Deus! Ze zeggen dat er minstens vijftig dooden gevallen zijn."
Andere vensters gingen er open, en verscheidene tronies vertoonden zich, wisselden groeten en maakten commentaren op 't gebeurde.
Bij 't licht van den dag die beloofde prachtig te zullen worden, zag men flauw in de verte soldaten heen en weer gaan, als aschkleurige schimmen.
"Daar gaat weer een doode!" zeide een aan een venster.
"Een? Ik zie er twee."
"En ik...maar zeg, ik wed dat u niet weet wat het geweest is?" vroeg een man met een snaaksch gezicht.
"Zeker wel! De burgerwacht."
"Nee, meneer: een oproer in de kazerne!"
"Wat oproer? De pastoor tegen den alférez?"
"Niets daarvan, hoor," zei degeen die de vraag gedaan had. "De Chineezen zijn opgestaan."
En hij sloot zijn venster weer.
"De Chineezen!" herhaalden allen met de grootste verbazing.
"Daarom zie je er geen een!"
"Ze zullen allen dood zijn."
"Ik dacht al bij mezelf dat ze iets kwaads in 't schild voerden. Gisteren..."
"Ik heb 't wel gezien. Gisterenavond..."
"Jammer!" zei zuster Roefa, "zoo allemaal dood te gaan voor Paschen, wanneer ze met hun geschenken komen."
"Hadden ze nog maar 't nieuwe jaar afgewacht..."
De straat werd allengs drukker; eerst waren het de honden, de kippen, de varkens en de duiven die 't verkeer beproefden. Op deze dieren volgden eenige in lompen gekleede kinderen, die elkaar aan den arm vasthielden en schuchter naar de kazerne toe gingen. Dan eenige oude vrouwtjes, met de zakdoek op het hoofd en onder de kin vastgeknoopt, met een grooten rozenkrans in de hand, doende alsof ze baden, opdat de soldaten ze vrij voorbij zouden laten gaan. Toen men zag dat men rond kon loopen, zonder een schot te krijgen, begonnen de mannen voor den dag te komen, en deden heel onverschillig. In den beginne beperkten zich hun bewegingen tot een wandelingetje voor 't huis, waar ze hun haan aanhaalden. Daarna probeerden zij ze uit te breiden, terwijl ze van tijd tot tijd stilstonden. En zoo kwamen ze tot voor het gemeentehuis.
Een kwartier later deden andere geruchten de ronde. Ibarra had met zijn bedienden Maria Clara willen wegvoeren, en Capitán Tiago had haar verdedigd, geholpen door de guardia civil.
Het aantal dooden was niet meer veertien, maar dertig. Capitán Tiago was gewond, en vertrok juist met zijn gezin naar Manila.
De komst van twee cuadrillero's of burgerwachten, die een menschelijke gedaante op een baar droegen, en gevolgd werden door een guardia civil, bracht groote ontsteltenis te weeg. Men vernam dat ze van 't "klooster" kwamen. Naar den vorm der voeten, die afhingen, ried een vrouw wie 't wezen kon. Een eind verder zeide men dat hij 't was. Nog iets verder vermenigvuldigde de doode zich, en geschiedde 't mysterie der Heilige Drievuldigheid. Daarna herhaalde zich het wonder van de brooden en de visschen, en was het aantal dooden reeds acht en dertig.
Om half acht, toen er nog meer guardia civiles aankwamen, afkomstig uit de naburige dorpen, was de lezing van 't gebeurde reeds duidelijk en in bizonderheden uitgewerkt.
"Ik kom daar net van 't gemeentehuis, waar ik Don Filipo en Don Crisóstomo gevangen heb gezien," zeide een man tot zuster Poetê. "Ik heb met een van de cuadrillero's gesproken, die daar de wacht hielden. Welnu, Bruno, de zoon van dien eene die doodgeranseld is, je weet wel, heeft gisterenavond alles verklaard. Zooals je weet wil Capitán Tiago zijn dochter laten trouwen met dien jongen Spanjaard. Nou, Don Crisóstomo was daar beleedigd door en wou zich wreken. Hij heeft toen getracht al de Spanjaarden te vermoorden, den pastoor inkluis. Gisterenavond hebben ze de kazerne en 't klooster aangevallen. En gelukkig, door Gods barmhartigheid, was de pastoor juist bij Capitán Tiago in huis. Ze zeggen dat er een boel gevlucht zijn. De guardias civiles hebben Don Crisóstomo's huis in brand gestoken, en als ze hem niet van te voren hadden gevangen genomen, zouden ze hem mee verbrand hebben."
"Hebben ze zijn huis in brand gestoken?"
"Al de bedienden zijn gevangen genomen. Kijk 's hoe je van hier de rook nog kunt zien!" zeide de verteller, op een venster toetredend. "De lui die daar vandaan komen, vertellen heel droevige dingen."
Allen keken naar de aangewezen plaats: een lichte rookzuil steeg nog langzaam ten hemel. Allen maakten meer of min medelijdende, meer of min beschuldigende commentaren.
"Arme jongen!" riep een oude man, Poetê's echtgenoot.
"Jawel!" antwoordde zij, "maar, zie je, gisteren heeft hij ook geen mis voor de ziel van zijn vader laten lezen en die zal 't zeker meer noodig hebben dan anderen."
"Maar, vrouw, heb je dan geen medelijden?..."
"Medelijden met iemand die in den ban is? 't Is een zonde medelijden te hebben met Gods vijanden, zeggen de pastoors. Herinner je je nog wel? Op 't kerkhof liep hij als in een veekraal!"
"Maar 't kerkhof lijkt immers op een veekraal," antwoordde de oude man, "alleen dat in een veekraal maar één soort beesten binnengaan..."
"Komaan!" riep zuster Poetê hem toe, "nu ga je ook nog een verdedigen die God zoo duidelijk straft. Je zult zien, dat ze jou ook nog gevangen nemen. Steun jij maar iets dat aan 't vallen is!"
De echtgenoot zweeg op dit argument.
"Best te begrijpen!" hervatte het oudje, "nadat hij Padre Dámaso afgeranseld had, bleef hem alleen nog maar Padre Salvi te vermoorden."
"Maar je kunt me niet tegenspreken, dat hij een goeie jongen was, toen hij klein was."
"Jawel, 't was een goeie jongen," gaf het besje terug, "maar hij is naar Spanje gegaan. Iedereen die naar Spanje gaat, komt als ketter terug, hebben de pastoors gezegd."
"Och och!" riep haar echtvriend, die de gelegenheid schoon zag om haar schaakmat te zetten. "En de pastoor dan, en al de pastoors, en de aartsbisschop, en de Paus, en de Heilige Maagd, komen die niet van Spanje? Awa! Zouden dat soms ook ketters zijn? Awa!"
Gelukkig voor zuster Poetê stoorde de komst van een dienstmeisje, dat in groote opwinding en bleek kwam aanloopen, de woordenwisseling.
"Er hangt iemand in den tuin van mijn buurman!" zei ze hijgend.
"Hangt er iemand?" riepen ze allen vol ontzetting.
De vrouwen sloegen een kruis. Niemand kon zich van zijn plaats verroeren.
"Ja, meneer..." ging de dienstmaagd bevend voort. "Ik ging juist erwten plukken...ik kijk naar den moestuin van onzen buurman, om te zien of hij er was... en daar zie ik een man heen en weer bewegen. Ik dacht dat het Teo, de knecht, was, die me altijd...nou ja...Ik kom naderbij om...erwten te plukken, en ik zie dat hij 't niet is, maar een ander... een doode; ik loop, ik loop en..."
"Laten we 's naar hem gaan kijken," zeide de oude man, en stond op. "Breng jij ons."
"Ga niet!" schreeuwde zuster Poetê, en greep hem bij zijn kiel. "Je zult een ongeluk krijgen! Heeft hij zich opgehangen? Des te erger voor hem!"
"Laat me gaan, vrouw. Ga jij naar 't raadhuis, Juan, om kennis te geven. Misschien is hij nog niet dood."
En hij ging naar den moestuin, gevolgd door het dienstmeisje, dat zich achter hem verschool. De vrouwen, zuster Poetê inkluis, liepen vol vrees en nieuwsgierigheid daarachter aan.
"Daar is hij, meneer," zei 't dienstmeisje en stond stil, terwijl ze met den vinger naar iets wees.
De stoet hield stil op eerbiedigen afstand, en liet den ouden man alleen verder gaan.
Een menschelijk lichaam, hangend aan den tak van een sentoel-boom, slingerde zacht heen en weer, bewogen door den morgenwind. De oude man keek er een poos naar. Hij zag de voeten en armen stijf, de kleeren bevlekt, het hoofd gebogen.
"We mogen hem niet aanraken, voor dat het gerecht erbij is," zeide hij luide. "Hij is al stijf: hij is al een heelen tijd dood."
De vrouwen kwamen langzamerhand naderbij.
"'t Is de man die in dat huisje woonde, dezelfde die twee weken geleden gekomen is. Kijk maar 's naar dat litteeken op zijn gezicht."
"Ave Maria!" riepen eenige vrouwen.
"Zullen we voor zijn ziel bidden?" vroeg een jongmeisje, zoodra ze 't lijk voldoende had bekeken en opgenomen.
"Dwaas kind, kettersche meid!" berispte haar zuster Poetê. "Weet je niet wat Padre Dámaso gezegd heeft? 't Is God verzoeken voor een verdoemde te bidden. Iemand die zelfmoord pleegt, is voor eeuwig verdoemd. Daarom wordt hij ook niet in gewijde aarde begraven."
En ze voegde eraan toe:
"Ik had al gedacht dat het met dien vent slecht moest afloopen: ik heb nooit kunnen nagaan waar hij van leefde."
"Ik heb hem twee keer met den hoofdkoster zien spreken," merkte een jongmeisje op.
"Dat zal ook wel niet geweest zijn, om te gaan biechten of een mis te bestellen!"
De buren kwamen toeloopen, en een talrijke kring vormde zich om het lijk, dat maar steeds bleef slingeren. Na een half uur kwam er een politie-agent, de commissaris en twee cuadrillero's. Dezen maakten het los en legden het op een draagbaar.
"De lui hebben haast om dood te gaan," zei de commissaris lachend, terwijl hij de pen die hij achter zijn oor droeg daarvandaan nam.
Hij deed zijn strikvragen, nam een verklaring af van de dienstbode, die hij trachtte vast te praten, haar nu eens met booze oogen aanziend, dan eens haar dreigend, dan weer haar woorden in den mond leggend die ze niet gezegd had, zoo zeer dat zij, vreezende naar de gevangenis te zullen gaan, begon te schreien, en verklaarde dat ze geen erwten zocht, maar dat ze...en ze haalde Teo als getuige aan.
Ondertusschen bekeek een landman met een groote salakot op en een groote pleister aan zijn hals het lijk en het touw.
Het gelaat was niet lijkkleuriger dan de rest van 't lichaam; boven de plek waar 't touw gebonden was, zag men twee schrammen en twee blauwe striempjes; de schrijning van 't koord was wit en vertoonde geen bloed. De nieuwsgierige boer onderzocht het hemd en de broek goed, merkte dat ze vol stof en kort te voren op enkele plaatsen gescheurd waren; doch wat het meest zijn aandacht trok, dat waren de zaden van amores secos, [55] die overal, tot aan de boord van het hemd aan hem vastgekleefd zaten.
"Wat zie je aan hem?" vroeg de commissaris.
"Ik kijk of ik hem ook herkennen kan, meneer," stamelde hij, zich half 't hoofd ontblootend, dat wil zeggen de salakot meer naar beneden halend.
"Heb je niet gehoord dat het een zekeren Lucas is? Slaap je?"
Allen schoten in een lach. De boer bracht verlegen eenige woorden uit, en ging met gebogen hoofd langzaam heen.
"Hei, waar ga je naar toe?" riep de oude man hem toe. "Daar kun je er niet uit: daar langs ga je naar het huis van den dooie!"
"De man slaapt nog!" zeide de commissaris spottend. "We zullen wat water over hem moeten gooien."
De omstanders lachten weer.
De boer verliet de plaats waar hij zulk een leelijke rol gespeeld had, en richtte zich naar de kerk. In de sakristie vroeg hij naar den hoofdkoster.
"Die slaapt nog!" antwoordde men hem barsch. "Weet u niet dat ze vannacht het klooster geplunderd hebben?"
"Ik zal wachten tot hij wakker wordt."
De kosters keken hem aan met de grofheid van lieden die gewend zijn slecht behandeld te worden.
In een hoek, die donker bleef, sliep de eenoogige op een langen stoel. Zijn bril zat hem tegen 't voorhoofd tusschen de lange haarlokken; de borst uitgemergeld en rachitisch, was bloot, en rees en daalde regelmatig.
De boer ging erbij zitten, bereid om geduldig te wachten, maar er ontglipte hem een muntstuk, en hij ging dit met een kaars zoeken, onder den stoel van den hoofdkoster. Daarbij bespeurde hij ook zaden van amores secos aan de broek en de mouwen van 't hemd des slapenden. Deze ontwaakte eindelijk, wreef zich zijn eene gezonde oog uit, en ontving den man met een snauw.
"Ik wou een mis bestellen, meneer!" antwoordde hij op een toon van verontschuldiging.
"Al de missen zijn al afgeloopen," zeide daarop de eenoogige zijn toon wat verzachtend. "Als je er morgen een hebben wilt...Is het voor de zielen in 't vagevuur?"
"Nee, meneer," antwoordde de boer en gaf hem een peso.
En hem scherp aankijkend in 't eene oog, liet hij volgen:
"'t Is voor iemand die spoedig zal sterven." En hij verliet de sakristie.
"Ik had hem gisteren avond kunnen pakken!" zeide hij zuchtend, terwijl hij den pleister wegnam, en zich oprichtte, om het gelaat en de gestalte van Elias weer aan te nemen.