Quidquid latet apparebit,
Nil inultum remanebit. [54]
De klok kondigt het avondgebed aan. Bij 't hooren van 't vroom geluid staat iedereen stil, verlaat zijn werkzaamheden en ontbloot het hoofd; de landman die van 't veld komt, houdt op met zijn zang, laat de gestadig voortstappende karbouw waar hij op zit stilstaan en bidt. De vrouwen slaan een kruis midden op straat, en bewegen opzichtig de lippen, opdat toch niemand twijfele aan hun godsvrucht. De man houdt op met het aaien van zijn haan, en bidt het angelus, opdat het lot hem gunstig moge wezen. In de huizen bidt men met luider stemme...ieder geluid dat niet dat van 't avemaria is, verdwijnt, verstomt.
Niettemin gaat de pastoor, met een hoed op, haastig de straat over, en wekt de ergernis van veel oude vrouwtjes: en, nog schandelijker! hij gaat naar 't huis van den alférez. De vrome vrouwen achten 't oogenblik reeds gekomen, om hun lippenbeweegingen te staken, om 's pastoors hand te kussen, maar Padre Salvi let niet op ze: vandaag heeft hij geen plezier in 't leggen van zijn beenige hand op den christelijken neus, om ze van daar zachtjes te laten neerglijden (zooals Doña Consolación opgemerkt heeft) naar de boezem van een lieftallig jongmeisje, dat buigt om den zegen te vragen. Wel een zaak van gewicht moet zijn gedachten bezig houden om hem zoo zijn eigen belangen en die der kerk te doen vergeten!
Inderdaad loopt hij haastig de trap op, en klopt ongeduldig op de deur van den alférez, die met boos gezicht verschijnt, gevolgd door zijn wederhelft, die zuurzoet glimlacht.
"O, meneer de pastoor! Ik wou juist naar u toe: uw bok..."
"Ik heb iets van hoog belang..."
"Ik kan niet toelaten dat mijn schutting vernield wordt, ik schiet erop, als hij terugkomt!"
"Dat wil zeggen, als u tijd van leven heeft tot morgen!" zeide de pastoor hijgend, en zich naar het voorvertrek richtend.
"Wat? Gelooft u dat die lamstraal mij dood zal maken? Ik schop hem naar de andere wereld!"
Padre Salvi deinsde een schrede terug, en keek instinktmatig naar den voet van den alférez.
"Van wien spreekt u?" vroeg hij bevend.
"Van wien zou ik anders spreken dan van dat mispunt, dat me uitdaagt voor een duel op de revolver op honderd pas?"
"O!" riep de pastoor, die weer op adem kwam, en voegde eraan toe: "Ik kom u over een zeer dringende zaak spreken."
"Valt u me toch niet lastig met zaken, 't zal wel weer net zoo wezen als met die jongens!"
Als het licht niet van een olielamp en de ballon niet zoo smerig geweest was, zou de alférez kunnen zien, hoe bleek de pastoor eruit zag.
"'t Geldt vandaag in allen ernst 't leven van ons allemaal!" hervatte deze halfluid.
"In allen ernst!" herhaalde de alférez verbleekend. "Schiet dat jongemensch goed?..."
"Ik spreek niet over hem."
"Wat dan?"
De fraile wees hem naar de deur, die hij toen op zijn manier met een trap sloot. De alférez vond de handen overbodig, en zou er niets bij verloren hebben, als hij niet meer tot de "tweehandigen" behoord had. Een verwensching en een gebrul kwam als antwoord van buiten.
"Lomperd! Je hebt mijn voorhoofd kapot gegooid!" kreet zijn eega.
"Draai nu maar af!" zeide hij bedaard tot den pastoor.
Deze keek hem een heele poos aan, daarna vroeg hij met het eentonige neusgeluid van den prediker:
"Heeft u niet gezien, dat ik hard ben komen aanloopen?"
"Ja, ik mag verrekken, als ik niet dacht dat u diarree had!"
"Nu goed", zei de pastoor zonder zich te storen aan de grofheid van den alférez, "wanneer ik zoo mijn plicht verzuim, is dat om ernstige redenen."
"En wat verder?" vroeg de ander, en stampte op den grond.
"Bedaar!"
"Nu dan, waartoe dan al die haast?"
De pastoor kwam dicht bij hem en vroeg geheimzinnig:
"Weet u niets nieuws?"
De alférez trok de schouders op.
"U bekent dat u volstrekt niets weet."
"Wilt u me over Elias spreken, die gisteren nacht door uw hoofdkoster verborgen is?" vroeg hij.
"Nee, nee, ik spreek nu niet over die praatjes," antwoordde de pastoor uit zijn humeur. "Ik spreek over een groot gevaar."
"Maar...wat dondersteen! Biecht u dan op!"
"Nou!" zeide de fraile langzaam en met zekere minachting, "u zult weer 's een keer zien wat de invloed van ons geestelijken is: de minste lekebroeder gaat tegen een heel regiment op; dus een pastoor..."
En de stem latende zakken en erg geheimzinnig doende, liet hij volgen:
"Ik heb een groote samenzwering ontdekt!"
De alférez sprong op, en keek ontsteld naar den pastoor.
"Een verschrikkelijke en goed op touw gezette samenzwering, die vanavond moet uitbarsten."
"Vanavond!" riep de alférez en vloog op den pastoor af.
En naar zijn revolver en zijn sabel die aan de wand hingen, toeloopend, riep hij:
"Wie zal ik gevangennemen? Wie zal ik gevangennemen?"
"Bedaar, er is nog tijd, dank zij de haast die ik gemaakt heb. Tot acht uur!"
"Ik fusilleer ze allemaal!"
"Luistert u toch! Vanavond is een vrouw, wier naam ik niet zeggen mag ('t is een biechtgeheim) bij me gekomen, en heeft me alles verteld. Om acht uur willen ze zich bij verrassing meester maken van de kazerne, dan gaan ze 't klooster plunderen, nemen het politievaartuig en vermoorden al de Spanjaarden."
De alférez stond verbouwereerd.
"De vrouw heeft me niets meer dan dat gezegd," zeide de pastoor.
"Heeft ze niets meer gezegd? Nu, dan neem ik haar gevangen!"
"Dat kan ik niet toestaan: de biechtstoel is de troon van den God van barmhartigheid."
"God en barmhartigheid kunnen mij niet schelen! Ik neem haar gevangen!"
"U verliest het hoofd. Wat u doen moet is u op alles voorbereiden: wapen stilletjes uw soldaten en leg ze in hinderlaag; stuur mij vier guardia's voor 't 'klooster,' en waarschuw de menschen van de politieprauw."
"Die is er niet! Ik ga hulp vragen aan de andere sekties!"
"Nee, want dan wordt het gemerkt, en dan voeren ze niet uit wat ze op touw gezet hebben. 't Komt erop aan ze op heeterdaad te betrappen, en dat we ze laten opbiechten, ik bedoel dat u ze zal laten opbiechten. Ik als priester mag me in zulke zaken niet mengen. Let op mijn woorden: hier valt voor u een ridderorde en promotie te halen; alleen vraag ik dat u laat uitkomen, dat ik u gewaarschuwd heb."
"Dat doe ik vast, padre, en misschien wordt u bisschop!" antwoordde de alférez met een stralend gezicht, terwijl hij naar de mouwen van zijn uniformjas keek.
"Dus u stuurt me vier verkleede guardia's, nietwaar? Opgepast! Vanavond om acht uur regent het luitenantssterretjes en ridderorden!"
Terwijl dit tooneeltje plaats had, liep er een man hard den weg over die naar Crisóstomo's huis voerde, en besteeg haastig de trap.
"Is meneer thuis?" vroeg de stem van Elias aan den huisknecht.
"Meneer is aan 't werk in zijn studeerkamer."
Om zijn ongeduld af te leiden bij 't wachten op 't oogenblik dat hij tot een verklaring kon komen met Maria Clara, was Ibarra in zijn laboratorium aan 't werk gegaan.
"Wel, bent u dat, Elias?" riep hij uit. "Ik dacht net aan u. Gisteren had ik verzuimd u te vragen naar den naam van den Spanjaard, in wiens huis uw grootvader woonde."
"'t Is nu niet over mij, meneer, dat..."
"Kijk 's," ging Ibarra voort, zonder de opgewondenheid te ontwaren, terwijl hij een stukje bamboe bij een vlam bracht: "Ik heb een groote ontdekking gedaan: deze bamboe is onbrandbaar."
"'t Is nu geen tijd om over die bamboe te spreken, meneer, wel, dat u binnen een minuut uw papieren bijeenpakt en vlucht."
Ibarra keek Elias verbaasd aan, en, ziende hoe ernstig zijn gelaat stond, viel het voorwerp dat hij in de hand hield op den grond.
"Verbrand alles wat u compromitteeren kan en zorg dat u binnen een uur op een veiliger plaats is."
"En waarom?" vroeg hij ten slotte.
"Breng al de kostbaarste zaken die u bezit in veiligheid..."
"En waarom?"
"Verbrand alle papieren waarop iets door of voor u geschreven staat: 't onschuldigste kan in uw nadeel gebruikt worden..."
"Maar waarom dan toch?"
"Waarom? Omdat ik daar juist een samenzwering heb ontdekt waarvan men u de schuld wil geven, om u in 't ongeluk te storten."
"Een samenzwering?... En wie zet die op touw?"
"'t Is me niet mogelijk geweest, er achter te komen, wie de aanlegger is. Ik heb zooeven gesproken met een van de stumpers die ervoor betaald worden, en die ik niet tot andere gedachten heb kunnen brengen."
"En heeft die man u niet verteld wie hem betaalt?"
"Jawel, en hij eischte van me dat ik 't geheim zou bewaren, hij zei me dat u het was."
"Groote God!" riep Ibarra verplet.
"Meneer, twijfel er toch niet aan, laten we geen tijd verliezen, want de samenzwering barst misschien vanavond nog uit!"
Ibarra, de oogen wijd opengespalkt, en de handen aan 't hoofd scheen hem niet te hooren.
"De slag is niet meer af te wenden," ging Elias voort. "Ik ben te laat gekomen. Ik ken de raddraaiers niet... Red u, meneer, bewaar u zelf voor uw land!"
"Waar moet ik heen vluchten? Ik word van avond gewacht!" riep Ibarra aan Maria Clara denkend.
"Naar 't een of ander dorp, naar Manila, naar 't huis van de een of andere overheidspersoon, maar ergens anders, dan kan men niet zeggen dat u de beweging geleid heeft!"
"En als ik zelf eens de samenzwering aan 't licht bracht?"
"U zelf!" riep Elias uit, hem aanstarende, terwijl hij terugdeinsde. "U zou voor verrader en lafaard doorgaan in de oogen van de samenzweerders, en voor kleinzielig in de oogen van de anderen. Men zou zeggen dat u hun een strik gespannen had om zelf verdienstelijk te schijnen, men zou zeggen..."
"Maar wat dan te doen?"
"Wat ik u al gezegd heb: alle papieren vernietigen die u heeft, en die betrekking hebben op uw persoon, vluchten en de gebeurtenissen afwachten."
"En Maria Clara?" riep de jongeman. "Nee, liever sterven!"
Elias wrong zich de handen en zeide:
"Nu goed, vermijd dan ten minste de slag: bereid u voor tegen dat men u aanklaagt!"
Ibarra keek verbijsterd om zich heen.
"Help me dan. Daar in die portefeuilles heb ik de brieven van mijn familie. Zoek die van mijn vader uit, die kunnen me misschien compromitteeren. Lees de onderteekeningen."
En ontzet, verbijsterd, opende en sloot de jonge man laadjes, haalde papieren bij elkaar, las haastig brieven, verscheurde er enkele, behield andere, nam boeken uit de kasten, bladerde erin en anderszins. Elias deed hetzelfde, maar geregelder, schoon met gelijken ijver. Doch op eens hield bij op, zijn oogen staarden, hij draaide een papier dat hij in de hand had om en om, en vroeg toen met bevende stem:
"Heeft uw familie Don Pedro Eibarramendia gekend?"
"Wel, dat geloof ik!" antwoordde Ibarra een lade opentrekkende, en er een pak papieren uitnemende. "'t Was mijn overgrootvader!"
"Uw overgrootvader Don Pedro Eibarramendia?" vroeg Elias wederom, lijkbleek en met verwrongen gelaatstrekken.
"Ja", antwoordde Ibarra afgetrokken, "we hebben den naam, omdat die wat lang was, verkort."
"Was 't een Baskiër?" hervatte Elias en trad op hem toe.
"Ja, een Baskiër, maar wat scheelt u?" vroeg de ander verbaasd.
Elias balde de vuist, drukte die tegen zijn voorhoofd, en keek Crisóstomo aan. Deze deinsde een schrede terug, toen hij de uitdrukking van zijn gelaat zag.
"Weet u wie die Don Pedro Eibarramendia was?" vroeg Elias met opeen geklemde tanden. "Don Pedro Eibarramendia was de ellendeling, die mijn grootvader belasterde, en al onze rampen bewerkte...Ik zocht naar zijn naam, God brengt me bij u... Geef me rekenschap van al ons lijden!"
Crisóstomo keek hem verplet aan doch Elias schudde hem aan den arm, en zeide op bitteren toon, waarin haat loeide:
"Kijk me goed aan, kijk of ik geleden heb, en u leeft, u heeft lief, u heeft fortuin, een eigen huis, u wordt geacht en gezien, u leeft... u leeft!"
En buiten zichzelf liep hij toe op een kleine verzameling wapens, maar nauw had hij twee dolken eruit genomen, of hij liet ze vallen, en keek als verdwaasd Ibarra aan. Deze bleef roerloos staan.
"Wat ging ik daar doen?" stamelde hij. En hij vluchtte weg uit het huis.