Il buon di si conosce da mattina. [51]
Reeds vroeg verspreidde zich in 't dorp het gerucht dat er den vorigen nacht verscheidene lichtjes op 't kerkhof gezien waren.
Het hoofd der broederschap van de Hermanos Ferceros sprak van aangestoken kaarsen, en beschreef den vorm en grootte ervan, maar hij kon niet bepaald het aantal noemen, want hij wist alleen dat hij er meer dan twintig had kunnen tellen.
Zuster Sipa, van de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans mocht niet dulden dat alleen iemand van de vijandelijke broederschap die "genade Gods" gezien had; zuster Sipa had, al woonde ze niet in de buurt, duidelijk geklaag en gekerm gehoord, en zelfs aan de stemmen zekere personen meenen te herkennen met wie zij vroeger... doch uit christelijke liefde, vergaf ze niet alleen, maar bad ze, en verzweeg ze hun namen. Om welke reden allen haar "incontinenti" heilig prezen.
Zuster Roefa had inderdaad niet zoo'n fijn gehoor, maar ze mocht niet dulden dat zuster Sipa het gehoord had en zij niet; daarom had zij een droom gehad, en veel zielen hadden zich aan haar vertoond, niet alleen van doode menschen, maar ook van levenden. De lijdende zielen vroegen een deel van haar "aflaten", die ze keurig opgeteekend en opgespaard had. Zij zou de namen aan de belanghebbende families kunnen zeggen, en vroeg alleen een kleine aalmoes om den Paus in zijn behoeften bij te staan.
Een kleine jongen, die herder van beroep was, die het waagde te verzekeren dat hij maar één licht en twee mannen met een salakot op gezien had, ontkwam ternauwernood aan een afranseling en scheldwoorden. Tevergeefs zwoer hij: zijn karbouwen waren erbij geweest, die konden getuigen.
"Wou jij soms meer weten dan de celador van de broederschap en de zusters, vrijmetselaar, ketter?" zeiden ze tot hem en keken hem daarbij met booze oogen aan.
De pastoor besteeg den preekstoel, en preekte weer over het vagevuur, en de peso's kwamen weer uit hun schuilhoekjes om een misje te winnen.
Doch laten we de gekwelde zielen voor wat ze zijn, en luisteren we naar het gesprek van Don Filipo en den ouden Tasio, die ziek lag in zijn eenzame woning. Reeds dagen lang had hij 't bed niet verlaten, overmand door een zwakte die snel toenam.
Ik weet heusch niet of ik u geluk moet wenschen omdat ze uw ontslagaanvrage hebben aangenomen. Vroeger, toen de burgemeester zoo onbeschaamd de meening van de meerderheid opzij zette, toen was het gepast uw ontslag te nemen. Maar nu u in strijd is met de guardia civil is het niet behoorlijk. In oorlogstijd moet men op zijn post blijven."
"Jawel, maar niet wanneer de generaal zich verkoopt," antwoordde Don Filipo. "U weet immers dat de gobernadorcillo den volgenden ochtend de soldaten in vrijheid gesteld heeft, die ik had kunnen gevangen zetten, en dat hij geweigerd heeft een enkelen stap te doen. Zonder de toestemming van mijn meerdere kan ik niets."
"U alleen niets, maar met de anderen samen veel. U had van deze gelegenheid moeten gebruik maken om een voorbeeld te geven aan de andere dorpen. Boven 't belachelijk gezag van zoo'n gobernadorcillo staat het recht van 't volk. 't Was het begin van een goede les, en u heeft die verloren laten gaan."
"En wat zou ik hebben kunnen doen tegenover den vertegenwoordiger van de vooroordeelden? Daar heb je nu meneer Ibarra, die heeft zich gebogen voor de geloofs-overtuigingen van de menigte. Denkt u soms dat hij gelooft in een kerkelijken ban?"
"U bent niet in dezelfde positie: meneer Ibarra wil zaaien, en om te zaaien, moet men bukken en aan de stof gehoorzamen. Uw zending was schudden, en om te schudden heb je kracht noodig en aandrift. Bovendien, de strijd moest niet aangebonden worden tegen den burgemeester, de leus moest wezen: tegen hem die misbruik maakt van zijn macht, tegen dengeen die de openbare rust verstoort, tegen dengeen die zijn plicht verzaakt. En u zou niet alleen gestaan hebben, want 't land van nu is niet meer hetzelfde van twintig jaar geleden."
"Gelooft u dat?" vroeg Don Filipo.
"En beseft u dat dan niet?" antwoordde de oude man, zich in bed half oprichtend. "Och, dat komt omdat u het verleden niet gezien heeft, u heeft de uitwerking van de Europeesche immigratie niet bestudeerd, van 't komen van nieuwe boeken en van 't naar Europa trekken van jonge menschen. U moet studeeren en vergelijken. 't Is waar dat de koninklijke Pauselijke universiteit van Santo Tomas nog bestaat, met zijn zeer geleerd klooster, en dat nog eenige vernuften zich oefenen in 't formuleeren van allerlei haarkloverijen der scholastiek, maar waar vindt men nu die metafysische jeugd van onze tijden, met archeologische geleerdheid, die met afgetobde hersens ergens in een uithoek van de provincie al spitsvondigheden uitpluizend stierf, zonder tot het volkomen begrijpen te komen van de eigenschappen van 't 'wezen', zonder het vraagstuk opgelost te hebben van 'wezen en bestaan,' allerverhevenste begrippen, die ons het wezenlijke deden vergeten, ons bestaan en ons eigen wezen? Kijk nu eens naar de jeugd! Vol geestdrift bij 't zien van ruimer horizonten, studeert ze geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, litteratuur, natuurkunde, talen, allemaal vakken waarvan we vroeger met afschuw hoorden, alsof 't ketterijen waren. De vrijzinnigste van mijn tijd verklaarde ze voor minderwaardig tegenover de 'kategorieën' van Aristoteles en de wetten van de sluitrede. De mensch heeft ten slotte geleerd mensch te zijn. Hij ziet af van de ontleding van zijn God, van 't doordringen in 't onvatbare, in dat wat hij niet gezien heeft, van 't wetten geven aan zijn hersenschimmen. De mensch begrijpt dat zijn erfenis de uitgestrekte wereld is, waarvan de heerschappij in zijn bereik ligt. Vermoeid van zijn onnutten, aanmatigenden arbeid, buigt hij 't hoofd, en onderzoekt wat hem omringt. Zie hoe nu onze dichters geboren worden. De muzen van de natuur openen ons langzamerhand haar schatten en beginnen ons toe te lachen, om ons op te wekken tot den arbeid. De proefondervindelijke wetenschappen hebben al hun eerste vruchten gegeven; er ontbreekt alleen nog aan dat de tijd ze volmaken zal. De nieuwe advocaten worden gevormd naar de nieuwe denkbeelden van de rechts-filosofie. Enkelen beginnen te schitteren te midden van de duisternis, die onze balie omringt, en bespeuren een verandering in den loop der tijden. Hoor hoe de jeugd spreekt, bezoek de centra van onderwijs, en er zullen andere namen klinken in de akademische gehoorzalen dan in de kloosters: daar hoorden we alleen die van Santo Tomas, Suarez, Amat, Sanchez en andere afgoden van mijn tijd. Tevergeefs jammeren de frailes van den preekstoel tegen den zedelijken achteruitgang, evenals de vischverkoopers jammeren over de schrielheid der koopers, zonder dat ze merken dat hun koopwaar oud en onbruikbaar is. Tevergeefs strekken de kloosters hun vangarmen en wortels naar de dorpen uit, om er den nieuwen stroom te verstikken. De goden gaan heen. De wortels van den boom kunnen de planten die erop steunen wel verzwakken, maar niet het leven benemen aan andere wezens, die als de vogels, omhoog stijgen naar den hemel."
De filosoof sprak met vuur. Zijn oogen schitterden.
"En toch is de nieuwe kiem klein. Als iedereen zich tot taak maakt den vooruitgang tegen te werken, dien we zoo duur koopen kan hij verstikt worden," bracht Don Filipo ongeloovig ertegen in.
"De kiem verstikken...wie zal dat doen? De mensch, die zieke dwerg, den vooruitgang verstikken, dien machtigen zoon van den tijd en de werkzaamheid? Wanneer heeft hij dat gekund? Het dogma, het schavot en de brandstapel, die hem trachten tegen te houden, brengen hem juist vooruit. 'En toch beweegt ze zich,' zeide Galilei, toen de Dominikanen hem dwongen om te verklaren dat de aarde zich niet bewoog; 't zelfde kan men zeggen van den menschelijken vooruitgang. Er zullen eenige wilsuitingen met geweld worden onderdrukt, er zullen enkele individuen worden opgeofferd, maar wat geeft het: de vooruitgang zal zijn weg vervolgen, en uit het bloed van hen die vallen zullen nieuwe en krachtige loten opkomen. Zie hoe zelfs de pers, hoe reactionair ze ook zou willen wezen, mee een schrede vooruit doet. Zelfs de Dominikanen ontkomen niet aan deze wet, en ze doen de Jezuïeten, hun onverzoenlijke vijanden, na: ze geven feesten in hun kloosters, richten tooneeltjes op, maken gedichten, want, doordat het hun niet aan verstand ontbreekt, al wanen ze zich ook in de vijftiende eeuw, begrijpen ze dat de Jezuïeten gelijk hebben, en zullen ze zelfs deelnemen aan de toekomst van de jonge volken, die ze opgevoed hebben."
"Volgens u gaan de Jezuïeten met den vooruitgang mee?" vroeg Don Filipo verwonderd. "Waarom bestrijdt men hen dan in Europa?"
"Ik zal u als een oude scholasticus antwoorden," hervatte de filosoof, terwijl hij weer ging liggen, en zijn spottende gelaatsuitdrukking herkreeg. "Op drie manieren kan men met den vooruitgang meegaan: aan de spits, opzij en erachter aan. De eersten zijn de leiders, de tweeden laten zich leiden, en de laatsten worden meegesleept, en tot dit soort behooren de Jezuïeten. Zij zouden hem wel willen leiden, maar omdat ze zien dat hij sterk is en andere neigingen heeft, kapituleeren ze, en willen ze liever volgen dan verpletterd te worden of midden op den weg in 't donker achter te blijven. Nu goed, wij hier op de Filippijnen, loopen minstens op twee eeuwen afstand achter den wagen aan: we beginnen nauwelijks uit de middeleeuwen te komen. Daarom vertegenwoordigen de Jezuïeten, die in Europa reactionair zijn, van hier uit gezien de vooruitgang. De Filippijnen zijn aan hun 't opkomend onderwijs, de natuurwetenschappen,--de ziel van de negentiende eeuw—verschuldigd, evenals aan de Dominikanen de scholastiek, die al dood was ten spijt van Leo de XIII: er is geen paus die weer op kan wekken wat het gezond verstand ten doode gedoemd heeft... Maar, waar zijn we beland?" vroeg hij van toon veranderend. "O ja, we spraken over den tegenwoordigen toestand van de Filippijnen... Ja, nu treden we in het tijdperk van strijd, ik bedoel jullie; ons geslacht behoort aan den nacht, wij gaan heen. De strijd gaat tusschen het verleden, dat zich met vervloekingen vastgrijpt en klampt aan 't wankelend feodaal kasteel, en de toekomst, waarvan we de triomfzang in de verte hooren, bij den glans van een doorbrekenden dageraad, die de blijde boodschap van andere landen zal brengen... wie zullen er vallen en begraven worden in de bouwvallen?"
De grijsaard zweeg, en, ziende dat Don Filipo hem peinzend aankeek, lachte hij en hervatte:
"Ik kan haast raden wat u denkt."
"Heusch?"
"U denkt dat ik me heel goed vergissen kan," zeide hij met droeven lach. "Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: homo sum, humani nil a me alienum puto, [52] zeide Terentius; maar als hij zich soms veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te onteeren, dan om aan 't heil van hun land te denken. Onze vrouwen vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... Claudite jam rivos, pueri." [53]
"Wilt u de een of andere medicijn?" vroeg Don Filipo, om een andere wending aan 't gesprek te geven, want hij zag dat het gelaat van den zieke versomberd was.
"Menschen die sterven, hebben geen medicijnen noodig. Jullie die blijven wel. Zeg aan Don Crisóstomo dat hij me morgen moet komen opzoeken, want ik heb hem heel belangrijke dingen te zeggen. Binnen enkele dagen ben ik er geweest. De Filippijnen liggen in 't duister!"
Don Filipo verliet na nog eenige minuten gepraat te hebben, ernstig en in gepeins verzonken het huis van den zieke.