Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 50: Hoofdstuk 50

De kaart der dooden en de schimmen.

De bewolkte hemel verborg de maan. Een koude wind, voorbode van de naderende December-maand, blies wat dorre bladeren en stof weg op het smalle pad dat naar 't kerkhof voert.

Drie schimmen spraken zacht tot elkaar onder de poort.

"Heb je Elias gesproken?" vroeg een stem.

"Nee, je weet toch dat hij erg vreemd en voorzichtig doet, maar hij moet een van de onzen zijn: Don Crisóstomo heeft hem 't leven gered."

"Daarom ook heb ik 't aangenomen," zeide de eerste stem. "Don Crisóstomo zorgt ervoor dat mijn vrouw genezen wordt bij een dokter in huis in Manila. Ik heb me belast met het 'klooster,' om mijn rekening met den pastoor te vereffenen."

"En wij met de kazerne, om aan de civiles te zeggen dat onze vader zoons had."

"Met hoevelen zullen jullie zijn?"

"Met ons vijven. Met vijf zijn er genoeg. De knecht van Don Crisóstomo zegt dat we met ons twintigen zullen wezen."

"En als 't jullie tegenloopt?"

"St!" zei er een, en allen zwegen.

Men zag bij de halve duisternis die er heerschte een schim aankomen, die langs de buitenmuur voortgleed. Van tijd tot tijd hield hij stil alsof hij 't hoofd achterwaarts keerde.

En daar was wel reden voor. Achter hem aan, op zoowat twintig pas afstands, kwam een andere grootere schim, die nog meer schim scheen te wezen dan de eerste, zoo luchtig stapte hij over den grond, terwijl hij telkens wanneer de eerste stilstond en omkeek verdween, alsof de aarde hem verzwolg.

"Ik wordt achtervolgd!" mompelde de ander, "zou 't de guardia civil wezen? Zou de hoofdkoster liegen?"

"Ze zeggen dat de samenkomst hier is," zeide de tweede schim zacht. "'t Moet wel iets kwaads betreffen, wanneer de twee broers het voor me verborgen houden."

De eerste schim kwam eindelijk aan de poort van het kerkhof. De drie eersten traden vooruit.

"Zijn jullie 't?"

"Ben jij 't?"

"We moeten uiteen gaan, want ik word achtervolgd!

"Morgen krijgen jullie de wapens en den nacht daarop zal 't wezen. De kreet is 'Leve Don Crisóstomo!' Ga nu heen!"

De drie schimmen verdwenen achter de muren. De nieuw-aangekomene verschool zich in de holte van de poort en wachtte in stilte.

"Laten we 's zien wie me daar volgde!" mompelde hij.

De tweede schim naderde met veel omzichtigheid, en stond stil, als om rond te kijken.

"Ik ben te laat gekomen!" zeide hij halfluid, "maar misschien komen ze terug."

En daar er een fijne dichte regen begon te vallen, kwam hij op de gedachte onder de poort te gaan schuilen.

Natuurlijk ontmoette hij den ander.

"O! Wie bent u?" vroeg de laatst gekomene met mannelijke stem.

"En wie bent u?" antwoordde de ander bedaard.

Een oogenblik stilte. Ze trachtten elkaar te herkennen aan den klank der stem en elkaars trekken te onderscheiden.

"Wat wacht u hier?" vroeg de mannelijke stem.

"Op 't slaan van acht, om de kaart van de dooden te hebben. Ik wil van avond een som winnen," antwoordde de ander op heel natuurlijken toon. "En u, waarvoor komt u?"

"Voor... 't zelfde."

"Awá! [49] dat doet me plezier: dan heb ik gezelschap. Ik heb kaarten bij me. Bij de eerste klokslag zet ik albur, bij de tweede gallo; die dan bewegen zijn de kaarten van de dooden, en die moet je met geweld in handen zien te krijgen. Heeft u kaarten bij u?"

"Nee!"

"Wat dan?"

"Wel, heel eenvoudig: net zooals u voor hun 'de bank' houdt, hoop ik dat zij die voor mij zullen houden."

"En als de dooden geen bank willen houden?"

"Wat is eraan te doen? 't Spelen is nog niet verplicht gesteld onder de dooden..."

Er was een oogenblik stilte.

"Komt u gewapend? Hoe gaat u vechten met de dooden?"

"Met mijn vuisten," antwoordde de grootste van de twee.

"Och, duivels, nu herinner ik me dat de dooden niet willen inzetten, als er meer dan een levende is. En we zijn met ons beiden..."

"Werkelijk? Nu, ik wil niet weggaan."

"Ik ook niet, ik heb geld noodig," antwoordde de kleinste.

"Maar laten we wat afspreken: laten we samen spelen, en die verliest moet heengaan."

"Goed..." antwoordde de ander met eenigen tegenzin.

"Laten we dan naar binnen gaan. Heeft u lucifers?" Ze traden binnen, en zochten in de halve duisternis een geschikt plekje. Weldra ontwaarden ze een nis, waarop ze gingen zitten. De kleinste haalde uit zijn salakot een spel kaarten, en de ander stak een lucifer aan.

Bij 't licht keken ze elkaar aan, maar, naar de uitdrukking van hun gezicht te oordeelen, kenden ze elkaar niet. De eene lange met de mannelijke stem was Elias, de kleinste Lucas met het litteeken op zijn wang.

"Coupeeren!" zeide deze, hem steeds gadeslaande.

Hij verwijderde eenige beenderen, die hij op de nis vond, en nam een aas en een vrouw uit. Elias stak telkens een nieuwe lucifer aan.

"Op de vrouw!" zeide hij, en om de kaart aan te wijzen, legde hij er een wervelbeen op.

"Goed!" zei Lucas, en na vier of vijf kaarten haalde hij een aas uit.

"U heeft 't verloren," voegde hij erbij. "Laat me nu alleen, om mijn kansje te wagen."

Elias verwijderde zich zonder een woord, en verdween in de duisternis.

Eenige minuten later sloeg de kerkklok het uur der zielen. Maar Lucas noodigde niemand tot spelen: hij riep de dooden niet op, zooals het bijgeloof dat voorschrijft, maar hij ontblootte het hoofd, en prevelde eenige gebeden, onderwijl kruisen slaande met dezelfde vurigheid waarmee het hoofd van de broederschap der allerheiligste Rozenkrans het op dat oogenblik zou gedaan hebben.

De heele nacht bleef het motregenen. Om negen uur waren de straten reeds donker en verlaten. De olie-lantarens, die iedere bewoner moet ophangen, verlichtte nauw een kring van een meter straal: ze schenen aangestoken, om te laten zien dat het donker was.

Twee guardias civiles stapten in de straat op en neer, dicht bij de kerk.

"'t Is koud!" zei de een in 't Tagaalsch, met een Wisajasche tongval. [50] "We krijgen geen enkelen koster te pakken, om het kippenhok van den alférez te repareeren... Met den dood van dien eene hebben ze een lesje gekregen: dat 's vervelend."

"Dat vind ik ook," antwoordde de ander. "Niemand steelt of maakt straatrumoer. Maar er wordt, Goddank, gezegd dat Elias in 't dorp is. De alférez zegt dat hij die hem pakt in drie maanden geen ransel krijgt."

"Zoo? Ken je z'n signalement uit je hoofd?" vroeg de Wisajer.

"Of ik! Lange gestalte volgens den alférez, middelmatig volgens Padre Dámaso; kleur bruin, oogen zwart, neus gewoon, mond gewoon, baard geen, haar zwart..."

"Zoo! En bijzondere kenteekenen?"

"Zwart hemd, zwarte broek, houthakker..."

"O, die zal niet ontsnappen: 't is net of ik hem zie."

"Ik verwar hem niet licht met een ander, al lijkt hij er ook op."

De twee soldaten zetten hun ronde voort.

Bij 't licht der lantarens zien we weer twee schimmen heel omzichtig de een achter den ander gaan. Een krachtig "Quien vive?" (Wie daar?) houdt beiden staande, en de eerste antwoordt met bevende stem: "España!"

De soldaten grijpen hem aan en slepen hem naar een lantaren, om hem te herkennen. 't Was Lucas, doch de soldaten weifelen, en kijken elkaar aan, als om elkaar te raadplegen.

"De alférez heeft niet gezegd dat hij een litteeken had!" zegt de Wisajer zacht. "Waar ga je heen?"

"Om een mis voor morgen te bestellen."

"Heb je Elias niet gezien?"

"Ik ken hem niet, meneer!" antwoordt Lucas.

"Ik vraag je niet of je hem kent, stommerik! Wij kennen 'm ook niet. Ik vraag je of 'm gezien hebt."

"Nee, meneer."

"Luister goed, ik zal je zeggen hoe hij eruit ziet. Gestalte soms lang, soms gewoon, haar en oogen zwart, al 't overige is gewoon," zegt de Wisajer. "Zou je 'm nu kennen?"

"Nee, meneer!" antwoordde Lucas verbouwereerd.

"Schei dan uit, ezelskop!" En ze gaven hem een duw.

"Weet jij waarom Elias voor den alférez lang en voor den pastoor kort is?" vroeg de Tagaal diepzinnig aan den Wisajer.

"Nee."

"Omdat de alférez in de modder gezakt was, toen hij hem waarnam en de pastoor behoorlijk op zijn voeten stond."

"Dat 's waar!" riep de Wisajer uit. "Je bent een slimmerd... Zeg, hoe ben jij zoo guardia civil geworden?"

"Ik ben 't niet altijd geweest: eerst was ik smokkelaar," antwoordde de Tagaal met fierheid.

Doch weder trok een schim hun aandacht: ze riepen weer: Quien vive? en brachten hem naar 't licht.

Ditmaal was het Elias in eigen persoon, die zich aan hen voordeed.

"Waar ga je heen?"

"Ik ga een man achterna die mijn broer geslagen en gedreigd heeft. Hij heeft een litteeken op zijn gezicht en heet Elias,.."

"O!" riepen de twee, en keken elkaar ontzet aan. En onmiddellijk liepen ze hard in de richting van de kerk, waar eenige minuten te voren Lucas verdwenen was.