Veranderingen.
De schuchtere Linares was ernstig gestemd en vol ongerustheid. Hij had daar juist een brief ontvangen van Doña Victorina, die in behoorlijke taal overgebracht, zoo luidde:
"Geachte Neef,
Binnen drie dagen hoop ik van u te vernemen of de alférez
u reeds gedood heeft of gij hem.
Ik wil niet dat er nog een dag langer voorbijgaat, zonder dat
die vlegel zijn straf krijgt. Als deze termijn verstreken
is, en gij hem nog niet hebt uitgedaagd, zeg ik aan Don
Santiago, dat ge nooit sekretaris geweest zijt, en evenmin
jongeluis-partijtjes gegeven hebt aan Canovas of pret gemaakt
hebt met generaal Don Arseno Martines. Dan zeg ik aan Clarita
dat het alles praatjes geweest zijn. En ik geef je geen roode
duit meer. Maar als gij hem uitdaagt, beloof ik u alles wat
je wilt. Dus, zorgt er nu voor dat ge hem uitdaagt: ik zeg u
vooruit dat ik niets weten wil van voorwendsels of uitvluchten,
Uw hartelijk liefhebbende nicht:
Victorina de los Reyes de Espadaña.
Sampalok, Maandag 7 uur 's avonds."
Het was een ernstig geval: Linares kende het karakter van Doña Victorina, en wist waartoe ze in staat was.
Met haar redelijk te praten, was net hetzelfde als van eerlijkheid en fatsoen te spreken tot een carabinero van de belasting, wanneer die 't in zijn hoofd krijgt smokkelwaar te vinden waar die niet is. Smeken baatte niet, om den tuin leiden was nog erger. Er zat niets anders op dan de uitdaging te doen.
Maar hoe? dacht hij, alleen heen en weer stappend, als hij me royaal naar de maan laat loopen? Als ik 's zijn vrouw tegenkom? Wie zal getuige willen wezen? De pastoor? Capitán Tiago? Verwenscht het oogenblik dat ik naar haar raad geluisterd heb! Beroerd wijf! Wie noodzaakte me om op te snijden, leugens te verkoopen, om met allerlei gezwets me in te dringen? Wat zal die jongedame nu van me zeggen?... Nu spijt het me dat ik secretaris bij alle ministers geweest ben!
In deze droeve overdenking was de goede Linares, toen Padre Salvi binnenkwam. De Franciskaan was werkelijk nog magerder en bleeker dan gewoonlijk, maar zijn oogen schitterden met een eigenaardigen glans, en op zijn lippen zweefde een vreemde glimlach.
"Zoo, meneer Linares, zoo alleen?" groette hij en richtte zich naar de zaal, door welker half-geopende deur eenige tonen van een piano naar buiten kwamen.
Linares wilde glimlachen.
"En Don Santiago?" liet de pastoor volgen.
Capitán Tiago verscheen juist, kuste den pastoor de hand, ontdeed hem van zijn hoed en stok, en lachte als een gelukzalige.
"Wel, wel!" zeide de pastoor de zaal binnentredend, gevolgd door Linares en Capitán Tiago. "Ik heb goed nieuws aan u allen te vertellen. Ik heb brieven uit Manila ontvangen, die me bevestigen wat meneer Ibarra me gisteren kwam meedeelen...dus, Don Santiago, 't beletsel is vervallen."
Maria Clara, die tusschen haar twee vriendinnen aan de piano zat, richtte zich half op, doch de krachten begaven haar, en ze ging weer zitten. Linares verbleekte, en keek Capitán Tiago aan. Deze sloeg de oogen neer.
"Dat jongemensch lijkt me per slot van rekening zeer sympathiek," ging de pastoor voort, "eerst beoordeelde ik hem verkeerd...hij is wat driftig, maar daarna weet hij zijn fouten zoo goed te herstellen, dat men geen wrok tegen hem kan koesteren. Als Padre Dámaso niet..."
De pastoor wierp een snellen blik naar Maria Clara, die luisterde, maar zonder de oogen op te slaan van de muziek voor haar, in weerwil van de stille kneepjes die Sinang haar toediende. Zoo drukte deze haar vreugde uit. Als ze alleen was geweest, had ze gedanst.
"Padre Dámaso?" vroeg Linares.
"Ja, padre Dámaso heeft gezegd," hervatte de pastoor zonder zijn blik van Maria Clara af te wenden, "dat hij als Maria's peetvader niet kon veroorloven ...maar nu ja, ik geloof dat als meneer Ibarra hem vergiffenis vraagt, waar ik niet aan twijfel, alles weer in orde komt."
Maria Clara stond op, verontschuldigde zich en ging vergezeld van Victoria, het vertrek uit.
"En als Padre Dámaso hem niet vergeeft?" vroeg Capitán Tiago zacht.
"Dan...moet Maria Clara 't zelf weten ...Padre Dámaso is haar...geestelijke vader. Maar ik geloof dat ze 't bij zullen leggen."
Op dat oogenblik hoorde men schreden, en Ibarra vertoonde zich, gevolgd door tante Isabel. Zijn komst bracht een zeer verschillenden indruk te weeg. Hij groette Capitán Tiago vriendelijk—deze wist niet of hij lachen of schreien moest—en Linares met een diepe buiging met het hoofd. Fray Salvi stond op, en gaf hem zoo hartelijk de hand, dat Ibarra een blik van verbazing niet kon bedwingen.
"Verwonder u niet," zeide Fray Salvi, "ik was net bezig u te prijzen."
Ibarra dankte, en trad op Sinang toe.
"Waar ben je den heelen dag geweest?" vroeg deze met haar jongmeisjes praatlust. "We vroegen elkaar af: waar zou die uit het vagevuur losgekochte ziel toch wel heen zijn? En elk van ons meisjes zei iets."
"En mag ik weten wat dat was?"
"Nee, dat 's een geheim, maar ik zal 't wel onder vier oogen zeggen. Zeg ons nu waar je geweest bent, om 't te zien, wie er goed heeft kunnen raden."
"Nee, dat 's ook een geheim, maar ik zal 't je wel onder vier oogen zeggen, als de heeren me veroorloven."
"Wel, natuurlijk, natuurlijk! Dat ontbrak er nog maar aan!" zei padre Salvi.
Sinang nam Crisóstomo mee naar 't eene uiteinde van de zaal: zij was in de wolken dat ze een geheim zou hooren.
"Zeg me nu 's, vriendinnetje," vroeg Ibarra, "is Maria boos op me?"
"Ik weet 't niet, maar ze zegt dat het beter is dat je haar vergeet, en dan begint ze te schreien. Capitán Tiago wil dat ze trouwt met dien meneer, Padre Dámaso ook, maar zij zegt geen ja en geen nee. Van morgen toen we naar je vroegen en ik zei: Zou hij soms 't hof zijn gaan maken aan 't een of ander meisje?, antwoordde zij me: 'God gave 't!' en barstte in schreien uit."
Ibarra keek ernstig.
"Zeg Maria dat ik haar alleen wil spreken."
"Alleen?" vroeg Sinang en fronste de wenkbrauwen.
"Heelemaal alleen, nee, maar die vent moet er niet bij wezen."
"Dat 's lastig. Maar wees maar gerust: ik zal 't haar zeggen."
"En wanneer zal ik 't antwoord weten?"
"Morgen. Ga vroeg naar huis. Maria wil nooit alleen zijn. Wij zijn bij haar: Victoria slaapt de eene nacht naast haar, ik de andere. Morgen is 't mijn beurt. Maar hoe is 't nu met het geheim? Ga je heen zonder me 't voornaamste gezegd te hebben?"
"Dat 's waar ook! Ik ben in 't dorp de los baños [48] geweest. Ik ga de cokos-aanplantingen exploiteeren, want ik denk een fabriek op te richten met je vader als deelgenoot."
"Niets anders dan dat? Nu, dat's ook een geheim!" riep Sinang luid, op den toon van een opgelichte woekeraar. "Ik dacht..."
"Voorzichtig! Ik sta je niet toe dat je 't vertelt!"
"Alsof ik daar lust in had!" antwoordde Sinang, en trok haar neusje op. "Als 't nog 's wat belangrijkers was, zou ik 't aan mijn vriendinnen zeggen. Maar 't koopen van klappers! Wie stelt nu belang in klappers?"
En als een pijl uit een boog ging ze weer naar haar vriendinnen.
Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, daar hij zag dat het samenzijn moeilijk anders dan gedwongen kon wezen. Capitán Tiago keek zuurzoet, Linares was stil en zat waar te nemen, de pastoor deed alsof hij vroolijk was en sprak over dingen die hem volmaakt onverschillig waren.