Het Raadsel.
De donkere zwaluwen
zullen wederkeeren.....
Becquer. [46]
Zooals Lucas had medegedeeld, kwam Ibarra den volgenden dag aan. Zijn eerste bezoek gold de familie van Capitán Tiago, met het doel om Maria Clara te zien, en haar te vertellen dat "Su Ilustrisima" de aartsbisschop hem reeds met den godsdienst verzoend had: hij had een aanbevelingsbrief aan den pastoor bij zich, eigenhandig geschreven door den aartsbisschop. Niet weinig verheugde zich daar tante Isabel over: zij hield van den jongeman, en zag met leede oogen de huwelijksplannen van Linares met haar nichtje aan. Capitán Tiago was niet thuis.
"Kom binnen," zeide de tante in haar krom Spaansch.
"Maria, Don Crisóstomo is weer in Gods genade: de aartsbisschop heeft hem 'geëxcomulgeerd.'"
Doch de jongeman kon niet naar haar toe komen. De glimlach bestierf op zijn lippen en de woorden vloden weg uit zijn geheugen. Bij 't balkon stond naast Maria Clara Linares, bezig ruikertjes te maken van de bloemen en bladeren der klimplanten. Op den vloer lagen rozen en tjampaka's verspreid. Maria Clara, half uitgestrekt op haar stoel, bleek, in gedachten, met droeven blik, speelde met een ivoren waaier, net zoo wit als haar fijne spitse vingers.
Op de verschijning van Ibarra verschoot Linares van kleur, en verfden Maria Clara's wangen zich rood. Ze trachtte op te staan, doch, daar haar krachten haar begaven, sloeg ze de oogen neer, en liet haar waaier vallen.
Een stilzwijgen vol verlegenheid hield eenige oogenblikken aan. Ten slotte kon Ibarra vooruittreden, en met beverige stem mompelde hij:
"Ik ben net aangekomen, en ik heb me vreeselijk gehaast om je te komen zien...Ik zie dat je beter bent dan ik dacht."
Maria Clara scheen stom geworden te zijn: ze bracht geen enkel woord uit, en bleef de oogen neergeslagen houden.
Ibarra keek Linares van hoofd tot voeten aan, een blik die het verlegen jongemensch met trots doorstond.
"Wel, ik merk dat mijn komst niet verwacht werd," hervatte hij langzaam. "Maria, neem me niet kwalijk dat ik me niet heb laten aandienen. Op een anderen dag zal ik je uitleg kunnen geven van mijn gedrag...we zien elkaar nog... stellig."
Deze laatste woorden vergezeld van een blik naar Linares. Het jongemeisje sloeg de schoone oogen, vol reinheid en weemoed tot hem op, zoo smeekend en welsprekend, dat Ibarra ontroerd bleef staan.
"Kan ik morgen komen?"
"Je weet dat je mij altijd welkom bent," antwoordde ze nauw hoorbaar.
Ibarra verwijderde zich schijnbaar kalm, maar met een storm in zijn hoofd en koude in 't hart. Wat hij daar gezien en gevoeld had, was onbegrijpelijk; wat was 't: twijfel, verkoeling, verraad?
"O, een vrouw per slot van rekening!"
Zonder erbij te denken kwam hij aan de plaats waar de school gebouwd werd. Het werk was ver gevorderd.
Ñor Juan met zijn maatstok en zijn schietlood liep op en neer tusschen de talrijke arbeiders. Toen hij hem zag, liep hij hem tegemoet.
"Don Crisóstomo," zeide hij, "bent u dan toch eindelijk gekomen. We wachtten u allen. Kijkt u 's, hoe de muren zijn: ze zijn al één meter tien hoog, binnen twee dagen zijn ze op manshoogte. Ik heb alleen maar de beste houtsoorten gebruikt. Wenscht u de kelder-verdieping te zien?"
De werklieden groetten eerbiedig.
"Hier zijn de afvoer-leidingen, die ik me veroorloofd heb erbij te maken", zeide Ñor Juan. "Deze onderaardsche kanaaltjes leiden naar een soort zinkput op dertig pas afstand. Die dient als mest-bewaarplaats voor den tuin. Dat stond niet in 't plan. Staat het u niet aan?"
"Juist 't tegendeel, ik keur 't goed en wensch u geluk met uw denkbeeld. U bent een echte bouwmeester. Bij wien heeft u geleerd?"
"Bij mezelf, meneer," antwoordde de oude man bescheiden.
"O, voordat ik 't vergeet: laten den angstvalligen weten—voor 't geval dat er 's een niet met me zou durven praten—dat ik niet meer in de kerkelijke ban ben. De aartsbisschop heeft me ten eten gevraagd."
"Och, meneer, we letten niet op de kerkelijke bans!
"We zijn allemaal geëxcomulgeerd. Zelfs Padre Dámaso is 't, en toch blijft hij even dik."
"Hoe zoo?"
"Nou dat geloof ik: voor een jaar heeft hij den 'coadjutor' een pak ransel gegeven, en de 'coadjutor' is net zoo goed priester als hij. Wie geeft er nu om een kerkelijke ban?"
Ibarra bespeurde Elias onder de werklieden. Deze groette hem evenals de anderen, doch met een blik gaf hij hem te kennen dat hij hem iets te zeggen had.
"Ñor Juan," zeide Ibarra, "wilt u me 's de lijst van de werklui brengen?"
Ñor Juan verdween, en Ibarra trad op Elias toe, die op zijn eentje een grooten steen optilde en op een kar laadde.
"Als u me eenige uren voor een gesprek kan toestaan, gaat u dan in den namiddag langs het meer wandelen en stap in mijn bangka, want ik heb u over gewichtige zaken te spreken", zeide Elias zich verwijderend, nadat hij den hoofdknik van den jongeman gezien had.
Ñor Juan bracht de lijst, maar Ibarra las die tevergeefs: Elias' naam kwam er niet op voor.