De twee dames.
Terwijl Capitán Tiago zijn lasak liet vechten, maakte Doña Victorina een wandeling door het dorp, met de bedoeling om te zien, hoe de luie inlanders hun huizen en zaaivelden hadden. Ze had zich zoo zwierig mogelijk aangekleed, en op haar zijden morgenjapon al haar linten en bloemen aangebracht, om de provinciemenschen te overbluffen en hun te laten zien, hoe groot de afstand was tusschen hen en haar hoogheilige persoon. En de arm gevende aan haar manken echtgenoot, liep ze te pronken door de straten van het dorp, te midden van de stomme verbazing der bewoners.
Neef Linares was thuis gebleven.
"Wat hebben die inlanders leelijke huizen!" begon Doña Victorina, terwijl ze een vies gezicht zette, "ik begrijp niet hoe ze erin leven kunnen, daar moet je toch een inlander voor wezen. En wat zijn ze slecht opgevoed en trotsch! Ze komen ons tegen, en nemen den hoed niet eens af! Sla ze op hun hoed zooals de pastoors en de luitenants van de guardia civil doen, leer hun manieren."
"En als ze mij terugslaan?" vroeg dokter Espadaña.
"Daar ben je een man voor!"
"Maar...maar ik ben mank!"
Doña Victorina raakte uit haar humeur. De straten waren niet geplaveid, en de sleep van haar japon kwam vol stof. Ze ontmoette bovendien verscheidene jongemeisjes, die onder 't voorbijgaan de oogen neersloegen, en niet, zooals ze behoorden, haar kostbaar kleed bewonderden. Sinang's koetsier, die haar en haar nichtje in een smaakvolle "tres-por-ciento" [45] rondreed, had de onhebbelijkheid, hun "tabik" toe te roepen, en dat met zulk een geweldige stem, dat zij op zij moest gaan en alleen maar kon protesteeren. "Hoor toch 's dien lomperd van een koetsier! Ik zal z'n baas 's zeggen, dat hij zijn bedienden een betere opvoeding moet geven.
"Laten we naar huis gaan!" beval ze aan haar man. Deze, die voor een onweer vreesde, draaide rond op zijn kruk, en gehoorzaamde het bevel.
Ze kwamen den alférez tegen. Men groette elkaar, en dit verergerde nog Doña Victorina's ontevredenheid: de krijgsman maakte niet alleen geen compliment over haar kleeding, maar nam haar bijna spottend op.
"Jij moest zoo'n gewonen alférez geen hand geven," zeide ze tot haar echtgenoot, toen de ander weg was. "Hij kwam nauwelijks even aan zijn pet, en jij hebt nog wel je hoed voor hem afgenomen. Je weet je afstand niet te bewaren!"
"Hij is hier de ...baas!"
"En wat kan ons dat schelen? Zijn wij soms inlanders?"
"Je hebt gelijk!" antwoordde hij, omdat hij geen ruzie wilde maken.
Ze kwamen voorbij het huis van onzen militair. Doña Consolación zat aan 't raam, als naar gewoonte, gekleed in 't flanel en haar stinkstok rookend. Daar het huis laag was, konden ze elkaar goed aankijken, en Doña Victorina haar duidelijk waarnemen. De Muze der guardia civil nam haar bedaard van hoofd tot voeten op, en, daarna de onderlip naar voren brengend spoog ze, en keerde 't hoofd naar den anderen kant. Dit was te veel voor Doña Victorina's geduld, en, haar man zonder armsteun latend, posteerde ze zich vlak voor de alféreza, bevend en sprakeloos.
Doña Consolación wendde langzaam 't hoofd om, nam haar opnieuw kalmpjes op, en spoog nog eens, maar ditmaal met grooter minachting.
"Wat scheelt u, dame?" vroeg ze.
"Kunt u me ook zeggen, mevrouw, waarom u me zoo aankijkt? Bent u jaloersch?" brengt Doña Victorina er eindelijk uit.
"Ik jaloersch, ik? En op u?" zei de Medusa met een hoonlach. "Ja, ik ben jaloersch op de krullen!"
"Kom hier, vrouw!" zeide de dokter. Let toch niet op...op die vrouw!"
"Laat me die onbeschofte schooister eerst een les geven!" antwoordde de vrouw, terwijl ze haar man een duw gaf, die hem bijna tegen den grond deed vallen. En, zich weer tot Doña Consolación wendend, zei ze:
"Denk eraan met wie u te doen heeft! Ik ben geen provinciaal of een soldaten-slet! In mijn huis in Manila komen geen alféreces, die wachten daar aan de deur."
"Hola, doorluchtige mevrouw Blaaskaak! De alféreces zullen er niet binnenkomen, maar wel de invaliden, zooals die daar. Ha, ha, ha!"
Als het blanketsel 't niet belet had, dan had men Doña Victorina kunnen zien blozen. Ze wilde haar vijandin te lijf, doch de schildwacht hield haar tegen. Intusschen kwam de straat vol nieuwsgierigen.
"Zeg 's, ik verlaag me door met u te spreken. Menschen van rang en stand... Wilt u mijn goed wasschen? Ik zal u goed betalen! Dacht u dat ik niet wist dat u waschvrouw geweest is?"
"Gelooft u dat we niet weten, wie u is, en wat voor volk u meebrengt? Och kom! M'n man heeft 't me al gezegd! Mevrouw, ik heb ten minste niet aan meer dan aan één man toebehoord. Maar u? Je moet wel van honger op sterven liggen, om je zoo tevreden te stellen met het uitschot, de afval van de heele wereld!"
Deze slag was raak. Doña Victorina stroopte de mouwen op, balde de vuisten, en de tanden op elkaar klemmend, begon ze te zeggen:
"Kom naar beneden, oude zeug, en ik zal je je vuile mond kapot slaan! Slet van een heel bataljon, hoer van geboorte!"
De Medusa verdween snel van het venster, en weldra zag men haar naar beneden hollen, zwaaiend met haar mans zweep.
Smekend trachtte Don Tiburcio tusschenbeide te komen, maar ze zouden handgemeen geworden zijn, als de alférez niet gekomen was.
"Dames!... Don Tiburcio!" riep deze.
"U moet uw vrouw beter opvoeden en haar betere kleeren koopen. Als u geen geld heeft, moet u de lui van 't dorp maar berooven: daarvoor heeft u soldaten!" schreeuwde Doña Victorina.
"Hier ben ik, mevrouw! Waarom slaat Uwe Excellentie nu mijn mond niet kapot? U heeft niets meer dan tong en zwadder, juffrouw Groote Piet!"
"Meneer de alférez!" stamelde de echtgenoot.
"Och, loop heen, kwakzalver! Je draagt geen broek, sukkel!"
Er ontstond een twist met woorden en gebaren, met kreten, beleediging en scheldwoorden. Al 't vuil dat ze in hun mars droegen werd voor den dag gehaald, en aangezien ze alle vier tegelijk spraken en elkaar zooveel dingen zeiden die zekere standen naar beneden halen, doordat ze veel waarheden helder deden uitkomen, zien we er van af al wat ze zeiden, neer te schrijven. De nieuwsgierigen, al hoorden ze ook niet alles wat ze elkaar zeiden, vermaakten zich niettemin kostelijk, en vlasten erop dat ze handgemeen zouden worden. Ongelukkigerwijze voor hen kwam de pastoor en maakte er een eind aan.
"Heeren, dames! Wat 'n schandaal! Meneer de alférez!"
"Wat heeft u hier te maken, huichelaar, groote Carlist!"
"Don Fiburcio, neem uw vrouw mee! Mevrouw, bedwing uw tong, als 't u belieft!"
"Zegt u dat aan die bloedzuigers!"
Allengs raakte het woordenboek van scheldwoorden uitgeput, en eindigde deze aflezing van onhebbelijkheden bij de echtparen. Dreigend en elkaar na-jauwend, gingen ze ten slotte vaneen. Fray Salvi liep van de eene naar de andere zijde, en verlevendigde het tooneel. Als onze vriend de correspondent van Manila toch eens erbij geweest was...
"Vandaag nog gaan we naar Manila, en we vervoegen ons bij den gouverneur!" zeide Doña Victorina woedend tot haar man. "Jij bent geen man: 't is jammer voor de broek die je draagt!"
"Ma ... maar, vrouw, en de guardias dan? Ik ben immers mank!"
"Je moet hem op 't pistool of op de sabel uitdagen, of anders... of anders..."
En Doña Victorina keek hem in zijn tanden.
"M'n lieve mensch, ik heb nooit een pistool..."
Doña Victorina liet hem niet uitspreken: met een verheven gebaar rukte ze hem midden op de straat het gebit uit zijn mond en trapte erop. Hij, half schreiend, en zij vonken schietend, kwamen thuis.
Linares was op dat oogenblik aan 't praten met Maria Clara, Sinang en Victoria, en daar hij niets van de oneenigheid wist, maakte hij zich niet weinig ongerust, toen hij zijn neef en nicht ontwaarde. Maria Clara, die tusschen kussens en dekens in een armstoel lag, was niet weinig verwonderd de nieuwe gelaatsuitdrukking van haar dokter te zien.
"Neef," zeide Doña Victorina, "jij moet nu dadelijk den alférez gaan uitdagen, of anders..."
"En waarom?" vroeg Linares verbaasd.
"Je moet hem nu dadelijk gaan uitdagen, anders zeg ik hier aan iedereen wie je bent."
"Maar Doña Victorina!"
De drie vriendinnen keken elkaar aan.
"Zoo, denk je dat? De alférez heeft ons beleedigd, en heeft er van alles uitgebraakt, gezegd dat jij was wat je was! De ouwe heks is naar beneden gekomen met een zweep, en deze hier, deze vent heeft zich laten uitschelden... een man!"
"Och!" zei Sinang, "ze hebben gevochten, en dat hebben wij niet gezien!"
"De alférez heeft de dokter z'n tanden uitgeslagen!" voegde Victorina erbij.
"Vandaag nog gaan we naar Manila. Jij blijft hier, om hem uit te dagen, of anders zeg ik aan Santiago dat het alles leugen is wat je hem verteld hebt, dan zeg ik hem..."
"Maar, Doña Victorina, Doña Victorina!" viel Linares haar bleek in de rede, terwijl hij op haar toetrad, "bedaart u toch. Doet u me niet herinneren, dat..." en hij zeide er zachtjes bij: "niet onvoorzichtig zijn, vooral nu niet."
Toen dit juist plaats had, kwam Capitán Tiago van de hanegevechten thuis. Hij was bedroefd en zuchtte: hij had zijn lasak verloren, zijn wit-en-roode haan.
Doña Victorina gaf hem geen tijd om uit te blazen.
In weinig woorden en met veel gescheld erin vertelde ze hem al wat er gebeurd was, natuurlijk zichzelf in een gunstig daglicht plaatsend.
"Linares zal hem gaan uitdagen, hoort u? Zoo niet, dan moet u hem niet toestaan dat hij met uw dochter trouwt, dat moet u dan niet doen! Als hij geen moed heeft, verdient hij Clarita niet."
"Dus je trouwt met dien meneer?" vroeg Sinang, wier vroolijke oogen zich met tranen vulden. "Ik wist dat je verstandig was, maar niet veranderlijk."
Maria Clara, bleek als was, richtte zich half op, en keek met ontstelde oogen naar haar vader, naar Doña Victorina en naar Linares. Deze kreeg een kleur, Capitán Tiago sloeg de oogen neer, en de dame liet volgen:
"Clarita, denk daar steeds aan: trouw nooit met een man die geen broek aan heeft. Je loopt kans dat zelfs de honden je beleedigen."
Doch het jongemeisje antwoordde niet, en zeide tot haar vriendinnen:
"Willen jullie me naar mijn kamer brengen, ik kan niet alleen."
Ze hielpen haar opstaan, en het middel omvat door de ronde armen harer vriendinnen, het marmeren voorhoofd geleund tegen den schouder van Victoria, ging het jongmeisje haar slaapkamer in.
Dienzelfden avond haalden beide echtgenooten hun zaakjes bijeen, boden Capitán Tiago de rekening, die eenige duizenden beliep aan, en den volgenden dag heel vroeg vertrokken ze naar Manila in 't rijtuig van hun gastheer. De schuchtere Linares was als wreker achtergebleven: die rol was hem althans toebedeeld.