De vervolgden.
Bij het flauwe schijnsel dat de maan afzond door het dichte gebladerte der boomen dwaalde een man met langzame bedaarde schreden door het bosch. Van tijd tot tijd, en als om zich te oriënteeren, floot hij een bizonder wijsje, waarop in de verte dezelfde tonen plachten te antwoorden. De man luisterde aandachtig, en vervolgde dan zijn weg in de richting van 't verwijderd geluid.
Ten slotte, na 't doorworstelen van duizend moeilijkheden, die een maagdelijk woud 's nachts aanbiedt, kwam hij aan een klein open terrein, hel beschenen door de maan in haar eerste kwartier. Hooge rotsen, gekroond door boomen, rezen rondom op en vormden een soort bouwvallig amfitheater. Vers omgehakte boomen, verkoolde stammen vulden 't midden, waartusschendoor ontzaggelijke rotsblokken lagen, door de natuur gedeeltelijk met haar mantel van groen gebladerte bedekt.
Nauwelijks was de onbekende aangekomen, of een andere gestalte, plotseling voor den dag komende van achter een groot stuk rots, trad naar voren, en een revolver uit den gordel nemend, vroeg hij op bevelenden toon in 't Tagaalsch terwijl hij de haan van 't wapen overhaalde:
"Wie ben je?"
"Is de oude Pablo bij jullie?" vroeg de eerste bedaard en onverschrokken zonder zich te storen aan de vraag.
"Spreek je van den Capitán? ja die is er."
"Zeg hem dan dat Elias hem hier zoekt," zeide de man die niemand anders was dan onze geheimzinnige "loods".
"Bent u 't, Elias?" vroeg de onbekende met zekeren eerbied en naderbij komend, zonder nochthans zijn revolver weer bij zich te steken. "In dat geval gaat u maar mee."
Elias volgde hem.
Ze gingen een soort hol binnen, dat diep in de aarde wegzonk. De gids, die den weg kende, waarschuwde de loods wanneer hij afdalen, zich bukken of kruipen moest. Evenwel duurde het niet lang, of ze kwamen in een soort zaal, armzalig verlicht door pek-toortsen, en waarin zich twaalf gewapende kerels bevonden met ongure gelaatstrekken en vuil gekleed. Sommigen zaten, anderen lagen op den grond, en er werd nauwelijks gesproken. Met de ellebogen op een steen geleund, die dienst deed als tafel, en peinzend het licht gadeslaande, dat zoo weinig klaarte verspreidde bij zooveel rook, zag men een oude man met een droef gelaat, het hoofd gewikkeld in een bebloede zwachtel. Niet wetende dat die spelonk de verblijfplaats van toelisan's of roovers was, zou men de wanhoop lezend op 't gelaat des ouden mans, zeggen dat het de Hongertoren was op den vooravond van de dag waarop Ugolino zijn kinderen zou verslinden. [43]
Bij de komst van Elias en zijn gids richtten de mannen zich half op, doch op een teeken van den laatste stelden ze zich gerust, en vergenoegden zich met de loods, die ongewapend kwam, nauwkeurig op te nemen.
De oude man wendde langzaam het hoofd om, en werd de ernstige verschijning van Elias gewaar. Deze sloeg hem onbevangen gade, vol droefheid en belangstelling.
"Ben jij het?" vroeg de oude, wiens gelaat, bij 't herkennen van den jongen man, eenigszins opklaarde.
"In wat 'n toestand vind ik u!" mompelde Elias bij zichzelf, terwijl hij 't hoofd schudde.
De oude man boog zwijgend het hoofd, gaf de mannen een teeken, waarop zij opstonden, en heengingen, niet zonder eerst met een blik de gestalte en de lichaamsbouw van den loods te meten.
"Ja!" zeide de grijsaard tot Elias, zoodra ze alleen waren: "zes maanden geleden, toen ik je een schuilplaats in mijn huis bood, was ik 't die medelijden met jou had. Nu is ons lot veranderd, en ben jij 't die medelijden met mij hebt. Maar ga zitten, en vertel me 's, hoe je hier gekomen bent."
"Zoo wat veertien dagen geleden hebben ze me van uw ongeluk gesproken," antwoordde de jongeman langzaam en zacht, terwijl hij naar het licht keek; "ik ben dadelijk op weg gegaan, en heb u overal in de bergen gezocht; ik heb bijna twee provincies afgezocht."
"om geen onschuldig bloed te vergieten, heb ik moeten vluchten. Mijn vijanden vreesden zich te vertoonen en stelden alleen eenige ongelukkigen tegenover me, die me niet het minste kwaad gedaan hebben."
Na een kort stilzwijgen, dat hij benutte om de gedachten te lezen op het sombere gelaat van den grijsaard, hervatte Elias:
"Ik ben gekomen om u iets voor te stellen. Nadat ik tevergeefs gezocht had naar een of ander overblijfsel van de familie, die het ongeluk van de mijne veroorzaakt heeft, heb ik besloten de provincie waar ik woon te verlaten, om naar 't noorden te verhuizen, onder de ongeloovige onafhankelijke stammen; wilt u het leven opgeven dat u nu leidt, en met mij meegaan? Ik zal uw zoon wezen, nu u de uwen verloren heeft. En ik die geen familie heb, zal in u een vader hebben."
De oude man schudde het hoofd, en zeide: "Wanneer men op mijn leeftijd een wanhopig besluit neemt, dan is dat omdat er niets anders is. Een man die, als ik, zijn jeugd en zijn rijpere jaren heeft doorgebracht in arbeid voor zijn eigen toekomst en die van zijn kinderen; een man die zich onderworpen heeft getoond aan al de wilsuitingen van zijn meerderen, die gewetensvol moeilijke betrekkingen vervuld heeft, alles geleden heeft, om in vrede en in een zoo groot mogelijke rust te leven; wanneer die man, wiens bloed door ouderdom bekoeld is, afstand doet van zijn heele toekomst, aan den rand van 't graf, dan is dat omdat hij rijpelijk overwogen heeft dat vrede niet bestaat en ook niet het hoogste goed is. Waartoe ellende lijden in een vreemd land? Ik had twee zoons, een dochter, een eigen huis, fortuin. Ik genoot achting en aanzien. Nu ben ik als een boom die van zijn takken beroofd is, nu dwaal ik rond als een vluchteling, opgejaagd als een wild dier in 't bosch, en dat alles waarom? Omdat een man mijn dochter onteerd heeft, omdat haar broeders rekenschap vroegen over de schanddaad van dien man, en omdat die man met zijn waardigheid van geestelijke boven de gewone menschen verheven staat. Alles wel beschouwd heb ik, vader, onteerd in mijn ouderdom, de beleediging vergeven, ben ik toegevend geweest tegenover de hartstochten van de jeugd en de zwakheden van 't vleesch. En wat moest ik doen tegenover een onherstelbaar kwaad, wat anders dan zwijgen en redden wat me nog restte? Maar de misdadiger was bang voor een wraak die hij min of meer nabij achtte, en zocht het ongeluk van mijn zoons. Weet je wat hij gedaan heeft? Nee? Weet je niet dat hij een diefstal in 't klooster verzon, en dat onder de beschuldigden een van mijn zoons voorkwam? De ander kon hij er niet in betrekken, want die was afwezig. Weet je de martelingen waaraan hij onderworpen werd? Je kent ze, omdat ze in alle dorpen zoo toegepast worden! Ik, ik zag mijn zoon opgehangen aan zijn haren, ik hoorde zijn kreten, ik hoorde dat hij me riep, en ik, die laf was en aan vrede gewend, ik heb den moed niet gehad noch om te dooden, noch om te sterven! Weet je dat de diefstal niet bewezen kon worden, dat men inzag dat het laster was, en dat de pastoor voor straf naar een ander dorp werd overgeplaatst? En dat mijn zoon ten gevolge van de marteling gestorven is? De andere, die mij restte, was niet laf als zijn vader, en daar de beul vreesde dat hij misschien in hem zijn broer wreken zou, werd hij onder voorwendsel dat hij geen bewijs van vestiging had,--dat hij voor 't oogenblik vergeten had—door de guardia civil opgepakt, mishandeld, geprikkeld en met scheldwoorden tot het uiterste gebracht zoo zelfs dat hij tot zelfmoord gedwongen werd. En ik, ik heb zooveel schande overleefd, maar al heb ik niet den moed als vader gehad om mijn kinderen te verdedigen, er blijft mij een hart voor de wraak, en ik zal me wreken! De ontevredenen gaan zich meer en meer onder mijn bevel vereenigen, mijn vijanden doen mijn troep toenemen, en op den dag dat ik mij sterk genoeg voel, zal ik naar de vlakte afdalen en mijn wraak en mijn eigen leven in 't vuur uitdooven! En die dag zal komen, of er is geen God!"
En de oude man richtte zich zenuwachtig op, en met fonkelenden blik en een hol klinkende stem voegde hij eraan toe, terwijl hij aan zijn lange haren rukte:
"Vloek, vloek over mij, die de wrekende hand van mijn zoons heb tegengehouden: ik heb ze vermoord! Had ik toegelaten dat de schuldige stierf, had ik minder in Gods rechtvaardigheid en die van de menschen geloofd, dan had ik nu mijn kinderen, voortvluchtig misschien, maar zou ze hebben en ze zouden niet den marteldood gestorven zijn! Ik was niet geboren om vader te zijn! Daarom heb ik ze niet! Vloek over mij, die op mijn leeftijd nog niet geleerd had het midden te kennen waarin ik leefde! Maar in vuur en bloed en in mijn eigen dood, zal ik je weten te wreken!" De ongelukkige vader had zich ten toppunt van smart, het verband afgerukt, en nu vertoonde zich een breede wond aan zijn voorhoofd, waaruit bloeddruppels neervielen.
"Ik eerbiedig uw smart," hervatte Elias, "en ik begrijp uw wraakbegeerte. Ik ben net als u, en toch, uit vrees om een onschuldige te treffen, vergeet ik liever mijn ellende."
"Jij kunt vergeten, omdat je jong bent, en omdat je geen enkele zoon verloren hebt, geen enkele laatste hoop! Maar ik zweer 't je: ik zal geen onschuldige doen lijden. Zie je deze wond? Om niet een arme wachtkerel die zijn plicht deed te dooden, heb ik me die laten toebrengen."
"Maar bedenkt u niet," zeide Elias na een oogenblik zwijgens, "bedenkt u niet in welk een schrikkelijke brand u ons arm volk zal werpen? Als u met eigen hand wraak neemt, zullen uw vijanden vreeselijke weerwraak nemen niet tegen u, maar tegen 't volk, dat als naar gewoonte, beschuldigd wordt, en dan, wat 'n onrecht!"
"Laat het volk leeren zich te verdedigen, laat iedereen zich verdedigen!"
"Weet u wel dat zoo iets onmogelijk is! Meneer, ik heb u gekend in een anderen tijd, toen u nog gelukkig was. Toen gaf u me wijze raad. Staat u me toe?..."
De grijsaard kruiste de armen, en scheen vol aandacht.
"Meneer," ging Elias voort, zijn woorden goed overwegend, "ik heb het geluk gehad, een dienst te kunnen bewijzen aan een rijken jongeman, iemand met een goed en edel hart en die zijn land liefheeft. Men zegt dat die jongeman vrienden in Madrid heeft. Ik weet het niet, maar wel kan ik u verzekeren dat hij op vriendschappelijken voet staat met den Capitán Generaal. Wat zou u ervan zeggen, als wij hem tot onzen aanklager maakten, als we hem belang deden stellen in de zaak van ons ongelukkige volk?"
De oude man schudde het hoofd.
"Zeg je dat hij rijk is? Rijke menschen denken aan niets anders dan hun rijkdom te vermeerderen: trots en praal verblinden ze en omdat ze gewoonlijk er zelf goed aan toe zijn, vooral wanneer ze machtige vrienden hebben, bekommert zich geen van hun om de ongelukkigen. Ik weet dat alles, omdat ik zelf rijk ben geweest!"
"Maar de man van wien ik spreek, is niet zooals anderen.
"'t Is een zoon die gehoond is geworden in de nagedachtenis van zijn vader. 't Is een jongmensch dat, omdat hij spoedig een gezin zal hebben, aan de toekomst denkt, aan een goede toekomst voor zijn kinderen."
"Dan is 't een man die spoedig gelukkig zal wezen, en onze zaak is niet die van de gelukkige menschen."
"Maar 't is wel die van de mannen die een hart hebben!"
"Laat 't wezen!" hervatte de oude man, en ging weer zitten, "neem aan dat hij onze pleitbezorger is bij den opperlandvoogd, veronderstel dat hij op de hoofdplaats afgevaardigden vindt die voor ons willen opkomen, geloof je dan dat ons recht zal gedaan worden?"
"Laten we 't probeeren, voordat we bloedige maatregelen nemen," antwoordde Elias. "'t Moet u wel verbazen dat ik, een ander ongelukkige, jong en sterk als ik ben, u, een oud en zwak man, vreedzaam optreden aanraad. Maar dat komt omdat ik zooveel ellenden gezien heb door ons veroorzaakt, evenzeer als door de onderdrukkers: 't is altijd de weerlooze die 't gelag betaalt."
"En als we toch niets bereiken?"
"Iets zal er bereikt worden, gelooft u me: niet alle bestuurders zijn onrechtvaardig. Als we niets gedaan krijgen, als ze onze klachten in den wind slaan, als de mensch doof geworden is voor de smartkreten van zijn evenmenschen, dan ben ik tot uw orders!"
De grijsaard omarmde vol geestdrift Elias.
"Ik neem je voorslag aan, Elias. Ik weet dat je je woord houdt. Je zult bij me komen, en ik zal je helpen, om je voorouders te wreken, jij zult mij helpen om mijn kinderen te wreken! Mijn zoons die zoo waren als jij!"
"Intusschen moet u iedere gewelddadigheid vermijden."
"Jij moet de klachten van 't volk blootleggen: je kent ze. Wanneer zal ik je antwoord vernemen?"
"Zend me over vier dagen een man naar het strand van San Diego, en ik zal hem het antwoord zeggen dat de man in wien ik mijn hoop stel me gegeven heeft. En zoo niet, dan ben ik de eerste die valt in den strijd, dien we samen ondernemen zullen."
"Elias zal niet sterven, Elias zal de aanvoerder wezen, wanneer Capitán Pablo voldaan over zijn wraak gevallen is," zeide de grijsaard.
En hij zelf vergezelde den jongeman tot buiten het hol.