Plannen.
Zonder zich aan iemand te storen, ging hij regelrecht naar het bed der zieke, en, haar bij de hand nemende, zeide hij met onzeggelijke teederheid, terwijl tranen in zijn oogen opwelden:
"Maria, Maria, mijn kindje, je moet niet doodgaan, hoor."
Maria sloeg de oogen op en keek hem met eenige verwondering aan.
Niemand van hen die den Franciskaan kenden vermoedde in hem teedere gevoelens. Onder dat ruwe, grove uiterlijk geloofde niemand dat er een hart aanwezig was.
Padre Dámaso kon niet verder gaan, en verwijderde zich van het jongemeisje, schreiend als een kind. Hij ging naar de voorgalerij, om vrij te kunnen toegeven aan zijn smart, onder het lievelings-klimop van Maria Clara's balkon.
"Wat houdt hij veel van zijn petekind!" dachten allen. Fray Salvi sloeg hem roerloos en zwijgend gade, terwijl hij onmerkbaar op zijn lippen beet.
Toen Padre Dámaso wat bedaard was, stelde Doña Victorina hem den jongen Linares voor, die eerbiedig naar hem toe kwam.
De pater nam hem zwijgend op, van hoofd tot voeten, nam den brief aan, dien de ander hem reikte, en las dien naar 't scheen zonder hem te begrijpen, want hij vroeg:
"En wie bent u?"
"Alfonso Linares, het petekind van uw zwager..." stamelde het jongemensch.
Padre Dámaso wierp het lichaam naar achteren, sloeg den jongen man nog eens met aandacht gade, en, terwijl zijn gelaat verhelderde, stond hij op.
"Dus jij bent het petekind van Carlicos!" riep hij uit, en omhelsde hem. "Kom, laat me je omhelzen... een paar dagen geleden heb ik een brief van hem gehad... dus dat ben jij! Ik kende je niet... trouwens, je was nog niet geboren, toen ik het land verliet. Ik kende je niet!"
En Padre Dámaso drukte het jongemensch in zijn stoere armen, dat hij er rood van zag—van verlegenheid of van gebrek aan lucht. Padre Dámaso scheen zijn verdriet geheel vergeten te zijn.
Toen de eerste oogenblikken van hartelijkheid voorbij waren, en hij de noodige vragen gedaan had naar Carlicos en naar Pepa, vroeg Padre Dámaso:
"En... komaan! Wat wil Carlicos nu dat ik voor je doen zal?"
"Ik geloof dat hij in den brief daar iets van zegt..," stamelde Linares wederom.
"In den brief? Zoo? wel, dat 's waar! En hij wil dat ik een baantje en een vrouw voor je zoek! Hm! Een baantje... een baantje, dat 's makkelijk. Kun je lezen en schrijven?"
"Ik ben in de rechten gepromoveerd aan de universiteit van Madrid."
"Caramba! Dus je bent een rechtsverdraaier?
"Nou, daar heb je geen snuit voor... je lijkt eer een jongejuffrouw, maar des te beter! Maar een vrouw voor je te vinden ... hm, hm! een vrouw..."
"Och, pater, dat heeft niets geen haast," zeide Linares bedremmeld.
Doch de pater stapte van 't eene eind van de voorgalerij naar 't andere, en mompelde:
"Een vrouw, een vrouw!"
Zijn gelaat stond niet meer bedroefd of vroolijk; thans drukte het den grootsten ernst uit, en 't scheen dat hij diep nadacht. Padre Salvi keek uit de verte naar dit heele tooneeltje.
"Ik dacht niet dat de zaak me zooveel narigheid zou bezorgen", mompelde Padre Dámaso op huilerigen toon. "Maar van twee kwaden dan maar 't minste."
En zijn stem verheffende, trad hij op Linares toe, en zeide:
"Kom hier, m'n jongen, laten we 's met Santiago gaan praten."
Linares verbleekte, en liet zich door den geestelijke, die in gedachten verzonken voortliep, meetrekken.
Toen was het de beurt van Padre Salvi om, peinzend als altijd, heen en weer te gaan wandelen.
Een stem die hem goeden dag zeide ontrukte hem aan zijn peinzens-zware wandeling. Hij hief het hoofd op, en stond tegenover Lucas, die hem nederig groette.
"Wat wil je?" vroegen 's pastoors oogen.
"Pater, ik ben de broer van den man die op den dag van 't feest gestorven is!" antwoordde Lucas op klagenden toon.
Padre Salvi trad een schrede terug.
"En wat zou dat?" mompelde hij nauw hoorbaar. Lucas deed zijn uiterste best om te schreien, en veegde zich de oogen met zijn zakdoek af.
"Pater," zeide hij snotterend, "ik ben bij Don Crisóstomo aan huis geweest, om een schadevergoeding te vragen. Eerst ontving hij me met schoppen, en zei dat hij niets wou betalen, omdat zijn leven gevaar geloopen had door de schuld van mijn lieven en ongelukkigen broer. Gisteren ben ik weer bij hem geweest, om hem te spreken, maar hij was al naar Manila vertrokken. Hij had bij wijze van aalmoes vijfhonderd peso's voor me achtergelaten, met de boodschap dat ik nooit meer terug moest komen. Och, pater, vijfhonderd peso's voor mijn armen broer, vijfhonderd peso's! Och pater!..."
De pastoor hoorde hem in 't begin met verbazing en aandacht aan, en allengs teekende zich op zijn lippen zulk een glimlach van minachting en spot tegenover zulk een komedie, dat, als Lucas dien had kunnen zien, hij hals over kop zou weggeloopen zijn.
"En wat wil jij nu van mij?" vroeg hij hem, terwijl hij hem den rug toekeerde.
"Och pater, zegt me om Gods wil wat ik doen moet: Uweleerwaarde heeft altijd goeden raad gegeven."
"Wie heeft je dat gezegd? Jij bent niet van hier..."
"Iedereen in de provincie kent Uweleerwaarde."
Padre Salvi trad met vertoornden blik op hem toe, en hem de straat wijzend, zeide hij tot den ontstelden Lucas:
"Ga naar je huis, en wees Don Crisóstomo dankbaar dat hij je niet in de gevangenis heeft laten zetten!"
"Scheer je weg."
Lucas vergat zijn aanstellerij, en mompelde:
"Wel, ik dacht..."
"Pak je weg," schreeuwde Padre Salvi zenuwachtig.
"Ik zou Padre Dámaso wel 's willen spreken.."
"Padre Dámaso heeft het druk... Pak je weg," gelastte de pastoor nogmaals op strengen toon.
Lucas ging mopperend de trappen af.
"Nou, dat 's er ook een...als hij 's niet goed betaalt..."
"Die 't beste betaalt..."
Op 't schreeuwen van den pastoor was iedereen komen toeloopen, zelfs Padre Dámaso, Capitán Tiago en Linares.
"Een onbeschaamde schooier, die om een aalmoes komt vragen, en niet werken wil," zeide Padre Salvi terwijl hij zijn hoed en zijn stok greep, om naar het klooster te gaan.