Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 38: Hoofdstuk 38

Recht en Macht.

't Zal zoowat tien uur in den avond geweest zijn. De laatste vuurpijlen stegen lui op naar den donkere hemel, waar, als nieuwe sterren, eenige papieren ballons stonden te schitteren, die door middel van rook en verwarmde lucht opgezonden waren. Enkele, versierd met vuurwerk, raakten in brand en bedreigden het heele dorp. Daarom bleef men nog steeds mannen zien op de nokken der daken, gewapend met een lange bamboe, met een lap aan 't uiteinde en voorzien van een emmer water. Hun zwarte silhouetten kwamen scherp uit tegen het flauwe licht der lucht, en 't leken zoo spoken neergedaald uit hooger sfeeren, om de vreugden der menschen bij te wonen.

Er waren ook tal van raadjes, zonnen, stieren of karbouwen van vuurwerk afgestoken en ook een groote "vulkaan," die in fraaiheid en grootschheid alles overtroffen had, wat de bewoners van San Diego ooit te voren hadden gezien.

Nu begaf zich de menigte in massa naar het dorpsplein, om voor de laatste maal den schouwburg te bezoeken. Op verschillende plaatsen zag men bengaalsch licht, dat op fantastische wijze de vroolijke groepjes bescheen. De kinderen bezigden fakkels, om in 't gras mislukte "bommen" en andere overblijfselen te zoeken, die ze zouden kunnen benutten, doch de muziek gaf het teeken, en iedereen verliet de weide.

Het groote tooneel was schitterend geïllumineerd. Duizenden lichten omringden de stutten, hingen van het dak, en bezaaiden den grond in dichte groepen.

Een politie-agent hield er het toezicht op, en wanneer hij toetrad, om ze in orde te brengen, floot het publiek hem toe en schreeuwde, "'t Is al goed, 't is al goed!"

Voor 't eigenlijke tooneel stemde het orkest zijn instrumenten en preludieerde melodiën. Hierachter bevonden zich de zitplaatsen waarvan de correspondent in zijn brief sprak. De overheidspersonen van het dorp, de Spanjaarden en de rijke vreemdelingen bezetten allengs de rijen stoelen. Het volk, de menschen zonder titel of traktement, vulden het overige der ruimte. Sommigen sjouwden met een bank, meer om tegemoet te komen aan hun te kleine gestalte dan om erop te gaan zitten. Dit lokte heftig protest uit van de zijde der bankeloozen. Dan gingen ze onmiddellijk eraf, doch weldra stonden ze er weer op, alsof er niets gebeurd was.

Heen en weergeloop, kreten, uitroepen, schaterlachen, een verdwaalde voetzoeker, een zevenklapper hier en daar vermeerderden het gedruisch. Ginds brak er een poot van een bank en vielen tot vermaak der menigte, menschen op den grond, die van verre waren gekomen om te zien, en die nu zelf een schouwspel opleverden. Verderop werd er ruzie gemaakt om een zitplaats; iets meer op een afstand hoorde men het gedruisch van brekende glazen en flesschen: 't was Andèng, die met ververschingen en dranken aankwam. Met beide handen hield ze het breede presenteerblad vast, doch ze ontmoette haar aanstaande, die van de eigenaardige toestand profiteeren wilde.

De onderburgemeester, de teniënte mayor Filipo, zat voor bij de tooneelvoorstelling; want de burgemeester zelf was een liefhebber van kaarten, van 't stok spel. Don Filipo sprak met de oude Tasio:

"Wat moet ik doen?" zeide hij, "de alcalde heeft mijn ontslag aanvrage niet willen aannemen. 'Voelt u zich niet krachtig genoeg, om uw plichten te doen?' vroeg hij me."

"En wat heeft u hem geantwoord?"

"Meneer de Alcalde, heb ik hem geantwoord, de kracht van een teniënte mayor, hoe onbeteekenend ze ook mocht wezen, is als die van iedere overheid: ze komt van hoogere sfeeren. Zelfs de koning ontvangt ze van 't volk, en het volk van God. Dit is juist wat ik mis, meneer de Alcalde. Maar de alcalde wilde niet naar me luisteren, en zei me dat we na de feesten daar nog wel over spreken zouden."

"Moge God u dan helpen!" zeide de oude man en trachtte heen te gaan.

"Wilt u de voorstelling niet zien?"

"Dank u! Om te droomen en nonsens uit te slaan heb ik aan mezelf genoeg," antwoordde de filosoof met een sarkastische lach. "Maar ik herinner me nu: heeft het karakter van ons volk nooit uw aandacht getrokken? 't Is vreedzaam en 't houdt van krijgshaftige tooneelen, van bloedigen strijd; 't is democratisch, en 't aanbidt keizers, koningen en prinsen; 't is ongodsdienstig, en 't maakt zich arm aan allerlei praal voor den eeredienst; onze vrouwen hebben een zachtzinnige aard, en zijn er dol op dat een prinses een lans drilt... Weet u waaraan dit te wijten is? wel..."

De komst van Maria Clara en haar vriendinnen stoorde het gesprek. Don Filipo ontving ze, en geleidde ze naar haar plaatsen. Daarna kwam de pastoor, en er kwamen ook andere burgers wier taak het was de frailes te vergezellen. "God moge ze ook in 't andere leven beloonen," zeide de oude Tasio, terwijl hij zich verwijderde.

De voorstelling begon met Chananay en Marianito. Iedereen had alleen oogen en ooren voor 't tooneel, behalve een: Padre Salvi. Hij scheen daar alleen gekomen te zijn, om Maria Clara gade te slaan, wier droefheid aan haar schoonheid iets zoo ideaals en belangwekkends gaf, dat ze er verrukkelijk uitzag. Doch de oogen van den Franciskaan, diep verscholen in de holle kassen, spraken niet van verrukking; in die sombere blik was iets wanhopig droevigs te lezen: met zulke oogen moet Kaïn van verre naar het paradijs gekeken hebben, welks genietingen zijn moeder hem geschilderd had!

Het bedrijf eindigde toen Ibarra binnentrad. Zijn verschijning wekte een gemompel: ieders aandacht vestigde zich op hem en op den pastoor.

Maar de jongeman scheen 't niet te merken, want hij groette ongedwongen Maria Clara en haar vriendinnen, en zette zich naast ze neder. De eenige die sprak was Sinang.

"Ben je naar de 'vulkaan' gaan kijken?" vroeg ze.

"Nee, meiske, ik heb de Capitán general vergezeld."

"Wel, da's jammer! De pastoor is met ons meegegaan, en vertelde ons geschiedenissen van verdoemden. Hoe vind je dat? Om ons bang te maken, en zoo ons pleizier te bederven, geloof je ook niet?"

De pastoor stond op, en trad op Don Filipo toe, met wien hij een levendig twistgesprek scheen te beginnen. De pastoor sprak opgewonden, Don Filipo bedaard en op gedempten toon.

"'t Spijt me, dat ik Uweleerwaarde niet naar den zin kan zijn," zeide hij, "meneer Ibarra is een der grootste bijdragers voor 't feest, en hij heeft 't recht om hier te zijn, zoolang hij de orde niet verstoort."

"Maar is 't dan niet de orde verstoren, als men de goede Christenen schandalizeert? 't Is of men een wolf binnenlaat in de schaapskooi! U zult u hiervoor moeten verantwoorden tegenover God en tegenover de autoriteiten!"

"Ik weet me altijd te verantwoorden voor de daden, die uit mijn eigen wil voortkomen, eerwaarde vader," antwoordde Don Filipo, even buigend, "maar mijn klein gezag geeft me niet de bevoegdheid, me met godsdienstige zaken te bemoeien. Die aanraking met hem willen vermijden moeten maar niet met hem spreken: meneer Ibarra dwingt evenmin iemand."

"Maar 't is gelegenheid geven tot gevaar, en die 't gevaar liefheeft, komt er in om."

"Ik zie geen enkel gevaar, eerwaarde vader: meneer de alcalde en de gouverneur, mijn meerderen, hebben den heelen namiddag met hem gepraat, en ik hoef hun geen les te geven."

"Als je hem er niet uitgooit, gaan wij heen."

"Dat zou me zeer spijten, maar ik kan niemand eruit gooien."

De pastoor had er berouw over, maar er was niets meer aan te doen. Hij gaf een teeken aan zijn metgezel, die met tegenzin opstond, en beiden gingen heen. Ze werden nagevolgd door hun trouwe lijftrawanten, niet zonder een blik van haat naar Ibarra te hebben geworpen.

Het gemompel en gefluister werden erger. Verscheidene personen kwamen daarop naar den jongeman toe, groetten hem, en zeiden:

"Wij zijn aan uw kant. U moet maar niet op die lui letten."

"Wie zijn die lui?" vroeg hij verwonderd.

"De lui die heengegaan zijn om niet in aanraking met u te komen!"

"Ja, ze zeggen dat u in den kerkelijken ban is."

Ibarra kon van verbazing niets zeggen, en keek om zich heen. Hij zag Maria Clara, die haar gelaat achter de waaier verborg.

"Maar is 't mogelijk?" riep hij eindelijk uit. "Zijn we nog heelemaal in de middeleeuwen? Zoodat dus..."

En op de jongemeisjes toetredende, en van toon veranderend zeide hij:

"Neemt me niet kwalijk, ik had vergeten dat ik een afspraak had. Ik voeg me straks weer bij jullie."

"Blijf, zeg!" zeide Sinang. "Jejeng gaat straks dansen en die danst hemels."

"Ik kan niet, lieve kind, maar ik kom terug."

Het gepraat verdubbelde.

Juist toen de danseres opgetreden was, traden twee soldaten van den guardia civil op Don Filipo toe, en verzochten dat de voorstelling zou ophouden.

"En waarom?" vroeg deze verbaasd.

"Omdat de alférez en zijn vrouw met elkaar gevochten hebben en niet kunnen slapen."

"Zeg aan den alférez dat we vergunning hebben. Niemand in 't dorp is hier bevoegd, zelfs niet de burgemeester, die mijn eenige meerdere is."

"Nu maar de voorstelling moet ophouden!" herhaalden de soldaten.

Don Filipo keerde hun den rug toe. De guardia's gingen heen.

Om de rust niet te verstoren, zeide Don Filipo niemand iets van 't gebeurde.

Na 't stukje Zarzuela, dat zeer werd toegejuicht, vertoonde zich Prins Villardo, die al de Mooren ten strijd uitdaagde, welke zijn vader hadden gevangen genomen. De held dreigde ze, dat hij allen met een slag de hoofden zou afsnijden en die naar de maan zou zenden. Gelukkig voor de Mooren, die zich reeds ten strijd bereidden, ontstond er een tumult. De muzikanten van 't orkest hielden plotseling op, sprongen op 't tooneel, en wierpen hun instrumenten weg. De dappere Villardo, die ze niet verwachtte, en ze aanzag voor aanhangers van de Mooren, wierp ook zwaard en schild weg, en zette het op een loopen. De Mooren, die zagen dat zulk een vreeswekkende christen vluchtte, vonden het niet ongeschikt hem na te volgen. Men hoorde kreten, geweeklaag, vervloekingen, godlasteringen, de menschen liepen dooreen en tegen elkaar in, de lichten gingen uit, illuminatie-potjes werden de lucht in geslingerd en meer zoo. Toelisan! toelisan! (roovers) riepen sommigen. "Brand! Dieven!" anderen, vrouwen en kinderen schreiden, banken en toeschouwers rolden tegen den grond, te midden van de algemeene verwarring en 't lawaai.

Wat was er voorgevallen?

Twee guardia civiles waren met een stok in de hand de muzikanten te lijf gegaan, om de voorstelling te doen eindigen. De teniente mayor met de burgerwacht, met oude sabels gewapend, slaagden erin ze aan te houden, in weerwil van hun tegenstand.

"Brengt ze naar 't stadhuis!" riep Don Filipo.

"Voorzichtig, hoor, ze niet loslaten!"

Ibarra was teruggekomen, en zocht Maria Clara. De vreesbevangen jongemeisjes klampten zich bleek en bevend aan hem vast.

Tante Isabel bad de litanieën in 't latijn.

Toen de menschen een weinig van den schrik bekomen waren en ze zich rekenschap hadden gegeven van 't geen er gebeurd was, barstte de verontwaardiging overal los. Het regende steenen op de twee guardia's, die door de burgerwacht werden weggevoerd. Er was er een die voorstelde de kazerne in brand te steken, en Doña Consolación samen met den alférez levend te braden.

"Daar dienen ze voor!" riep een vrouw, de mouwen opstroopend en de armen uitstrekkend, "om 't volk in beroering te brengen. Ze hinderen alleen fatsoenlijke menschen. Daar staan de toelisan's, de dobbelaars! Laten we de kazerne in brand steken!"

Een betastte zich de armen en vroeg om "bediend" te worden. Klagende kreten kwamen onder de omgevallen banken vandaan: 't was een arme muzikant. Het tooneel stond vol akteurs en menschen uit het volk, die allen tegelijk spraken. Daar was Chananay, gekleed als Leonora in de Troubadour bezig in pasar-taal te praten met Ratia, die als schoolmeester uitgedost was. Jejeng gehuld in een zijden sjaal, met Prins Villaroo; Balbino en de Mooren deden hun best om de muzikanten te troosten, die min of meer beleedigd waren. Eenige Spanjaarden liepen van den eenen kant naar den andere, iedereen die ze tegenkwamen toesprekend.

Doch er had zich reeds een bende gevormd. Don Filipo, die begreep wat ze voorhadden, liep toe om hen tegen te houden.

"U moet de orde niet verstoren!" riep hij, "morgen zullen we voldoening vragen. Men zal ons recht laten wedervaren. Ik sta u ervoor in, dat men ons recht zal doen!"

"Nee!" antwoordden er enkelen, "'t was net zoo in Calamba. [41] Men beloofde toen hetzelfde, maar de alcalde deed niets. We willen ons zelf recht verschaffen! Naar de kazerne!"

Tevergeefs sprak de onderburgemeester ze toe: de menschen volhardden bij hun houding. Don Filipo keek om zich heen naar hulp uit, en zag Ibarra.

"Meneer Ibarra, als 't u belieft, houdt u ze tegen, onderwijl dat ik cuadrillero's ga halen!"

"Wat kan ik nu doen?" vroeg de jongeman in verlegenheid. Maar de teniente mayor was al weg.

Ibarra keek op zijn beurt om zich heen, zoekende naar iemand, hij wist niet wie. Gelukkig meende hij Elias te bespeuren. Ibarra liep op hem toe, greep hem bij den arm en zeide in 't Spaansch:

"Om Gods wil! Doet u iets, als u kan, ik kan niets doen!"

De "loods" had hem stellig begrepen; want hij verdween in de groep.

Men hoorde een levendige woordenwisseling, opgewonden uitroepen; daarna begon de bende langzaam-aan uiteen te gaan, en nam ieder een minder vijandelijke houding aan.

't Was wel tijd, want de soldaten kwamen gewapend naar buiten, met de bajonet op.

Wat deed intusschen de pastoor?

Padre Salvi was niet naar bed gegaan. Staande, het voorhoofd steunend tegen de jaloezieën, keek hij naar het plein, onbeweeglijk, terwijl hij nu en dan een gesmoorde zucht slaakte. Als het licht van zijn lamp niet zoo schaarsch geweest was, zou men wellicht hebben kunnen zien, dat zijn oogen zich met tranen vulden. Zoo wachtte hij bijna een uur door.

Uit dezen toestand rukte hem het tumult op het plein. Hij volgde met verbaasden blik het verwarde heen- en weergeloop der menschen, wier uitroepen en geschreeuw flauwtjes tot hem doordrongen. Een der bedienden, die buiten adem aankwam, stelde hem op de hoogte van hetgeen er plaats had.

Een gedachte doorflitste zijn verbeelding. Midden in de verwarring en het tumult plegen de lichtmissen gebruik te maken van den schrik en de zwakheid der vrouw. Iedereen vlucht en stelt zich in veiligheid, niemand denkt aan een ander, schreeuwen wordt niet gehoord, de vrouwen bezwijmen, loopen elkaar omver, vallen; ontzetting en vrees luisteren niet naar de stem der kuischheid, en in 't holle van den nacht..., en wanneer ze zich wapenen! 't Was of hij Crisóstomo daar zag, de bezwijmde Maria Clara in zijn armen wegvoerende, om in de duisternis te verdwijnen.

Hij ijlde de trappen af, zonder hoed, zonder stok, en als een gek holde hij het plein op.

Daar ontmoette hij de Spanjaarden die de soldaten hadden terecht gewezen. Hij keek naar de plaatsen waar Maria Clara en haar vriendinnen gezeten hadden: ze waren ledig.

"Meneer de pastoor! Meneer de pastoor!" riepen hem de Spanjaarden toe, maar hij lette niet op hen, en liep voort in de richting van Capitán Tiago's huis. Daar herademde hij; hij zag in 't openstaande transparant van 't venster een silhouet, het aanbiddelijke silhouet vol bevalligheid en zacht van omtrekken van Maria Clara, en dat van haar tante, die kopjes en glazen droeg.

"Komaan!" mompelde hij, "'t schijnt dat ze alleen maar ziek geworden is!" Tante Isabel sloot daarop de vensters, en het bevallige silhouet verdween.

De pastoor verwijderde zich van die plaats zonder de menigte te zien. Hij zag in zijn verbeelding een schoone maagde-boezem, die rustig sliep en zacht ademhaalde; de oogleden waren beschaduwd door lange wimpers, die sierlijke booglijnen beschreven als de Maagden van Rafaël, de kleine mond glimlachte; 't geheele gelaat ademde maagdelijkheid, reinheid, onschuld; dat gezichtje was een lieflijke verschijning te midden der witheid van het bed, gelijk een cherubskopje tusschen wolken.

De verbeelding ging verder en zag nog andere dingen; doch wie schrijft al wat een vurig brein zich kan verbeelden?

Wellicht de correspondent van het blad, die zijn beschrijving van 't feest en al het voorgevallene op deze wijze eindigde:

"Dank, duizendmaal dank aan de tijdige en werkdadige tusschenkomst van Zijn-Weleerwaarde Pater Bernardo Salvi, die ieder gevaar tartend, onder 't verwoede volk, te midden van de dolle menigte zonder hoed, zonder stok, de ontketende hartstochten deed bedaren, enkel door zijn overtuigend woord, door de majesteit en het gezag die nooit ontbreken bij een priester van den Godsdienst des vredes. De deugdzame monnik heeft, met een zelfverloochening zonder wedergade, het genot van den slaap gederfd, dat ieder goed geweten als het zijne smaakt, om te beletten dat zijn kudde een klein ongeluk zou treffen. De bewoners van San Diego zullen zonder twijfel deze verheven daad van hun heldhaftigen zieleherder niet vergeten, en zullen hem voor alle eeuwigheid dankbaar weten te zijn."