Doña Consolación.
Waarom zijn de vensters in 't huis van den alférez gesloten? Waar waren, terwijl de processie voorbijtrok, het mannelijk gelaat en de flanellen blouse der Muze van de guardia Civiel? Zou Doña Consolación begrepen hebben, hoe onwelkom haar voorhoofd was, met de dikke aderen erop, die wel azijn en gal schenen te bevatten in plaats van bloed, en de dikke sigaar, waardig sieraad van haar roode lippen, en haar jaloersche blikken? En heeft ze, zwichtend voor een opwelling van edelmoedigheid met haar akelige verschijning de volksvreugde niet willen verstoren? Niet waarschijnlijk.
Het huis vertoont geen lantarens, noch vlaggen. Als de schildwacht niet voor de deur op en neer geloopen had, zou men gezegd hebben dat het huis onbewoond was.
Een zwak licht scheen in de ontredderde voorkamer, en maakte de vuile schelpen, die als ruiten dienst deden en vol met spinnewebben en stof zaten, doorschijnend. De vrouw des huizes, ouder gewoonte luierend, dommelde in een grooten leuningstoel. Ze was gekleed als alle dagen, dat wil zeggen: vreeselijk slordig; als eenige hoofdtooi een doekje, waaruit sprietige, korte, verwarde lokken te voorschijn kwamen; de blauwflanellen blouse, over een hemd dat wit moest geweest zijn, een verkleurde rok, gespannen over de magere platte dijen, die nu over elkaar geslagen waren en koortsachtig trilden. Uit haar mond kwamen van tijd tot tijd gulpen rook, die ze met verveling wegblies in de ruimte, waarin ze staarde, wanneer ze de oogen opendeed.
Die ochtend was onze dame niet naar de mis geweest; niet omdat ze niet gewild had, integendeel, ze had zich gaarne aan de menigte vertoond en de preek gehoord, maar haar man had het haar niet toegestaan. En, zooals altijd, was het verbod gepaard gegaan met een paar scheldwoorden, vloeken en schop-dreigementen. De alférez begreep dat zijn vrouw belachelijk gekleed ging, dat ze den indruk maakte van een soldaten-slet, en dat het niet te pas kwam, haar bloot te stellen aan de blikken van de hooge lui van de hoofdplaats of aan de vreemdelingen.
Doch zij vatte het anders op. Ze was overtuigd dat ze mooi was en aantrekkelijk, dat ze de voornaamheid van een koningin bezat, en dat ze veel beter en met meer weelde gekleed ging dan zelfs Maria Clara: deze droeg immers een gewone tapis (kain), zij een rok. 't Was bepaald noodig dat de alférez haar zeide: "Hou nu je mond, of ik schop je naar je negerij terug!"
Doña Consolación had geen zin om naar haar negerij teruggeschopt te worden, maar zon op wraak.
't Donkere gelaat onzer dame was nooit bizonder vertrouwenwekkend geweest, ook niet wanneer ze zich opverfde, maar dien morgen was ze zeer verontrustend, vooral toen men haar van den eenen kant van 't huis naar de andere stil en, als overpeinsde ze iets schrikkelijks of kwaadaardigs, zag stappen. Haar blik had den weerschijn die uit de pupil van een slang licht, wanneer deze, gevangen, straks doodgetrapt zal worden: hij was koud, fel doordringend, en had iets weerzinwekkends wreeds.
Het kleinste vergrijp, het onbeteekenendste gedruisch ontrukten haar een schandelijk leelijk scheldwoord, dat tot in de ziel griefde, maar niemand antwoordde: zich verontschuldigen zou een nieuwe misdaad wezen.
Zoo ging de dag voorbij. Geen enkel verzet tegenover zich ziende—haar man was uitgevraagd—raakte ze vol gal: 't was net of de cellen van haar organisme zich laadden met elektriciteit, en ieder oogenblik dreigden uit-een te barsten in een orkaan van straattaal. Alles om haar boog zich, als de korenaren bij 't eerste blazen van den storm. Ze vond geen weerstand, ze trof geen enkel uitsteeksel, geen enkele verhevenheid om haar boos humeur op te kunnen uitstorten: soldaten en bedienden kropen langs en om haar.
Om het feestgedruisch niet te hooren, beval ze de ramen te sluiten, en droeg ze den schildwacht op, niemand te laten voorbijgaan. Ze bond zich een doekje om het hoofd, als om te beletten dat het uitelkaar zou springen, en, ofschoon de zon nog hoog aan den hemel stond, gaf ze bevel de lichten aan te steken.
Sisa werd, zooals we gezien hebben, als rustverstoorster opgepakt en naar de kazerne gebracht. De alférez was er toen niet, en de ongelukkige moest de nacht op een bank doorbrengen, waar ze met een strakken onverschilligen blik op neerzat. Den volgenden dag zag de alférez haar, en daar hij in die dagen van rumoer bang voor haar was, en geen onaangenaam schouwspel wilde geven, droeg hij de soldaten op, haar te bewaken, haar met medelijden te behandelen en haar eten te geven. Zoo bracht de waanzinnige twee dagen door.
Deze nacht, hetzij dat door de nabijheid van Capitán Tiago's huis het droevige zingen van Maria Clara tot haar was doorgedrongen, hetzij dat andere muziek haar oude liederen wakker riepen, hoe 't ook zij, Sisa begon ook met haar lieve weemoedige stem de koendiman (zangen) van haar jeugd te zingen. De soldaten hoorden haar en zwegen: och, die melodieën riepen oude herinneringen wakker, herinneringen uit den tijd toen ze nog onbedorven waren.
Doña Consolación hoorde haar ook in haar verveling, en toen ze vernam wie daar zong, beval ze na eenige oogenblikken nadenken:
"Laat haar dadelijk hier bovenkomen." Iets als een glimlach vloog over haar dorre lippen.
Men bracht Sisa, die zonder eenige verlegenheid, verwondering of vrees te toonen, verscheen. 't Was of ze onze dame in 't geheel niet zag. Dit kwetste de ijdelheid onzer Muze, die eerbied en ontzag wenschte in te boezemen.
De alféreza kuchte, gaf den soldaten een teeken dat ze heen konden gaan, en de zweep van haar man van een spijker aan den wand nemende, zeide ze op onheilspellenden toon tot de krankzinnige:
"Kom, nu zingen!" Dit ging in dooreengehaspeld Tagaalsch en Spaansch. Sisa begreep haar natuurlijk niet, en deze onwetendheid bezwoer haar toorn.
Een van de schoone eigenschappen dezer dame was, dat ze deed alsof ze de landstaal niet kende, zoodat ze die zoo slecht mogelijk sprak: zoo meende ze den indruk te maken van een echte Europeesche. En daar deed ze goed aan, want, zoo ze al het Tagaalsch verminkte, het Spaansch kwam uit haar mond niet beter voor den dag, noch wat taalregels, noch wat uitspraak betrof. En toch had haar man alle mogelijke moeite gedaan om haar die te leeren. En menige kneep, menige stomp, menigen stokslag hadden de lessen haar gekost!
Tooneelen van ergernis over onbegrijpelijkheid der leerlinge kwamen telkens voor. Haar man, toen nog korporaal, terwijl zij waschvrouw was, berekende met smart dat zijn wederhelft na tien jaar het spreken geheel-en-al zou verleerd zijn. Toen ze trouwden, verstond zij nog Tagaalsch en kon zich verstaanbaar maken in 't Spaansch, nu, in den tijd van ons verhaal, sprak ze geen van beide meer: ze had een groote liefhebberij opgevat voor gebarentaal, en daarbij bezigde ze de luidruchtigste en raakste.
Sisa trof het dus, dat ze haar niet begreep. Haar wenkbrauwen wat ontspannend, lachte ze even met voldoening: ongetwijfeld kende ze 't Tagaalsch niet meer, was ze dus een Europeesche.
"Oppasser, zeg aan deze vrouw in 't Tagaalsch, dat ze zingen moet. Ze verstaat me niet, ze kent geen Spaansch."
De krankzinnige begreep den oppasser en zong het lied dat ze in den nacht gezongen had.
Doña Consolación luisterde eerst met een spotlachje op de lippen, doch dit verdween allengs, ze begon aandachtig te worden, daarna ernstig en eenigszins in gepeins verzonken. De stem, de zin der verzen en de zang zelf maakten indruk op haar: dat dorre, droge hart dorstte wellicht naar regen. Zij begreep het goed: "De droefheid, de koude en de vochtigheid, die uit den hemel nederdalen, gehuld in den mantel der nacht," zooals de koendiman luidde, "'t scheen haar dat ze ook haar pracht tentoongespreid had, verlangend naar bijval en vol van ijdelheid, bij 't vallen van den avond berouwvol en ontgoocheld, doet een poging om haar verwelkte bloemblaadjes op te heffen naar den hemel, vragend om een weinig schaduw, waar ze weg kan schuilen en sterven, zonder den spot van 't licht dat haar zag in haar glorie, zonder de ijdelheid van haar trots te zien, en dat ook een weinig dauw moge schreien over haar. De nachtvogel verlaat zijn eenzaam schuil-oord, de holte in den ouden boomstam, en verstoort de weemoed der wouden..."
"Nee, niet zingen", riep de vrouw van den alférez, nu in uitstekend Tagaalsch, terwijl ze zenuwachtig opstond. "Zing niet meer! Die woorden doen me pijn!"
De krankzinnige zweeg. De oppasser liet zich ontvallen: "Wel, ze kent waarachtig Tagaalsch!" en hij stond vol verbazing zijn meesteres aan te kijken.
Deze begreep dat ze zich verraden had. Ze schaamde zich, en daar haar aard onvrouwelijk was, nam de schaamte den vorm van woede en haat aan. Ze wees den onvoorzichtigen oppasser de deur, en sloot deze met een trap achter hem. Ze liep eenige malen door het vertrek heen en weer, terwijl ze de zweep in haar pezige handen verwrong. En op eens, stilstaande voor de krankzinnige, zeide ze in 't Spaansch:
"Dans!"
Sisa verroerde zich niet.
"Dans! Dans!" herhaalde ze op dreigenden toon.
De krankzinnige keek haar aan met leege, zinlooze oogen.
De alféreza hief Sisa's eenen arm op, daarna den andere en schudde dien heen en weer: 't gaf niets, ze begreep 't niet.
De andere begon te springen, zich te bewegen, terwijl ze de krankzinnige aanzette, om haar na te doen. Men hoorde uit de verte de processie-muziek een statigen ernstigen marsch spelen, maar onze dame maakte woeste sprongen op een andere maat, een andere muziek: die, welke in haar binnenste weerklonk. Sisa keek haar roerloos aan. Iets als nieuwsgierigheid teekende zich in haar oogen, en een zwakke glimlach bewoog haar bleeke lippen: ze vond het dansen van die dame wel leuk.
Deze hield als verlegen op, zwaaide de zweep, de vreeselijke zweep, zoo welbekend bij dieven en soldaten, te Aelongo gemaakt en door den alférez verbeterd met ingevlochten ijzerdraad, en zeide:
"Nu is 't jouw beurt om te dansen—dans!"
En ze begon zachtjes op de bloote voeten der krankzinnige te slaan. Deze vertrok haar gezicht van pijn, en bracht de handen aan de voeten, om deze te beschermen.
"Aha! Je begint al!" riep de ander met woeste vreugde, en van 't "lento" ging ze over in een "allegro vivace."
De ongelukkige stiet een kreet van pijn uit, en hief levendig den voet op.
"Zul je dansen ... zwarte h...?" zeide onze dame, en de zweep zwierde en zwiepte door de lucht.
Sisa liet zich op den grond vallen, bracht beide handen aan haar beenen, en keek haar beul met uitpuilende oogen aan. Twee harde zweepslagen op den rug deden haar opstaan: 't was geen kreet meer, 't was een gehuil dat de ongelukkige uitstiet. Het dunne hemd scheurde, de huid ging stuk, en er vertoonde zich bloed.
Het gezicht van 't bloed deed Doña Consolación's opwinding nog toenemen.
"Dans, dans, vervloekte ellendeling! De moeder die je ter wereld bracht mag verdoemd zijn!" riep ze. "Dans of ik ransel je dood!"
En zij zelf, haar aanvattend met de eene hand en haar geeselend met de andere, begon te springen en te dansen.
De krankzinnige begreep haar ten slotte, en volgde, de armen ongeregeld heen en weer bewegend. Een glimlach van voldoening vertrok de lippen der leermeesteres, de glimlach van een vrouwelijke Mefisto, die erin slaagt een groote leerling te krijgen. Er lagen haat, minachting, spot en wreedheid in; een schaterlach had niet meer kunnen uitdrukken.
En, verdiept in 't genieten van dit schouwspel, hoorde ze haar man niet aankomen, voordat de deur op luidruchtige wijze opengetrapt werd.
De alférez stond bleek en somber kijkend vóór haar. Hij zag wat er voorviel, en wierp zijn vrouw een vreeselijken blik toe. Deze verroerde zich niet van haar plaats en bleef cynisch lachen.
De alférez legde zoo zacht als hij kon de hand op den schouder der zonderlinge danseres, en deed haar stilhouden. De krankzinnige kwam op adem, en ging langzaam op den met bloed bevlekten grond zitten.
De stilte hield aan. De alférez ademde zwaar. Zijn vrouw, die hem met vragende oogen gadesloeg, raapte de zweep op en vroeg hem bedaard en langzaam:
"Wat overkomt je? Je hebt me niet eens nog gegroet!"
De alférez antwoordde niet, maar riep den oppasser.
"Neem deze vrouw mee," zeide hij, "laat Marta haar een ander hemd geven, en haar behandelen! Jij moet haar goed te eten geven, en een bed... voorzichtig, als ze slecht behandeld wordt! Morgen moet ze naar 't huis van meneer Ibarra gebracht worden."
Daarna sloot hij zorgvuldig de deur, schoof er den grendel voor, en trad op zijn vrouw toe.
"Jij legt je erop toe dat ik je dood zal slaan!" zeide hij tot haar met gebalde vuisten.
"Wat scheelt je?" vroeg zij, opstaande en terugtredende.
"Wat me scheelt?" riep hij met donderende stem, vloekend, en, op een papier vol krabbels wijzend, ging hij voort: "Heb jij dezen brief niet aan den alcalde geschreven, en daarin gezegd dat ik me liet betalen, om 't dobbelen toe te laten, vuile sl...? Ik weet niet wat me let om je te vermorzelen!"
"Komaan, waag dat 's!" zeide zij spotachtig lachend. "Die mij vermorzelt, moet een andere kerel wezen dan jij!"
Hij hoorde de beleediging, maar hij zag de zweep. Hij greep een bord, dat op tafel stond, en smeet dat naar haar hoofd. De vrouw, gewend aan zulke ruzies, bukte snel, en het bord sloeg stuk tegen den muur. 't Zelfde lot overkwam een kopje en een glas.
"Lafaard!" riep zij. "Je durft niet naderbij komen!"
En ze sprong naar hem, om hem nog razender te maken. De man werd nu geheel verblind, en brullend wierp hij zich op haar. Doch zij overstriemde hem met wonderlijke vlugheid het gelaat met de zweep en zette het daarna op een loopen.
Ze vluchtte in haar kamer, waarvan ze de deur ijlings op slot deed. Loeiend van woede en pijn, vervolgde de alférez haar, en kwam niet verder dan de deur. Daar braakte hij godslasteringen uit.
"Vervloekt varken, doe open! Doe open, h..., of ik sla je de hersens in!" brulde hij, de deur bewerkend met voeten en vuisten.
Doña Consolación gaf geen antwoord. Men hoorde een gedruisch van stoelen en koffers, alsof iemand een barrikade van huisraad wilde oprichten. Het huis daverde van 't getrap en 't gevloek van den echtgenoot.
"Kom niet binnen, kom niet binnen!" zeide de krijschende stem der vrouw. "Als je hier komt, schiet ik op je!"
Hij scheen langzamerhand te bedaren, en vergenoegde zich ermee, van 't eene eind van 't vertrek naar 't andere te loopen, als een wild beest in zijn kooi.
"Ga de straat op, om je kop wat op te frisschen!" ging de vrouw voort met spotten. Ze scheen ondertusschen haar verdedigingstoebereidselen voltooid te hebben.
"Ik bezweer je dat, als ik je te pakken krijg, God je zelfs niet helpen kan, vuil kr...!"
"Jawel! Zeg jij maar wat je wil... je woû me niet naar de mis laten gaan! Je liet me niet afrekenen met onzen lieven Heer!" zeide ze met een sarkasme, waarvan zij alleen 't geheim bezat.
De alférez greep zijn helm, verschikte zijn kleeren eenigzins en ging met groote stappen heen, maar na enkele oogenblikken keerde hij terug zonder 't minste gedruisch te maken: hij had zijn laarzen uitgetrokken. De bedienden, gewend aan zulke tooneelen, plachten zich erbij te vervelen, doch de nieuwigheid met de laarzen trok hun aandacht, en de een gaf den ander beteekenisvolle oogknipjes.
De alférez ging op een stoel zitten, naast de onheilvolle deur, en had het geduld om meer dan een half uur te wachten.
"Ben je werkelijk weggegaan, of zit je daar, lamstraal?" vroeg de stem van tijd tot tijd, met wisselend epitheton, maar stijgend in toon.
Eindelijk begon ze stuk voor stuk de meubels weg te halen. Hij hoorde het gedruisch en lachte.
"Oppasser! Is meneer weggegaan?" schreeuwde Doña Consolación.
Op een teeken van den alférez, antwoordde de oppasser:
"Ja, mevrouw, hij is weggegaan."
Men hoorde haar vroolijk lachen, en de grendel werd weggetrokken.
De echtgenoot stond zachtjes op. De deur ging op een kier... Een kreet, de val van een lichaam, vloeken, gehuil, verwenschingen, slagen, heesche uitroepen... Wie beschrijft wat er voorviel in de duisternis der slaapkamer?
De oppasser liep naar de keuken, en gaf een zeer welsprekend teeken aan den kok.
"En jij krijgt het op je kop!" zei deze.
"Ik? Dat is ook wat moois! Zij vroeg me of hij weggegaan was, niet, of hij teruggekomen was."