Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 36: Hoofdstuk 36

De processie.

's Avonds, toen al de lantarens der vensters reeds aangestoken waren, trok de processie voor de vierde maal uit, bij 't luiden der klokken en het welbekende geknal en geschiet.

De gouverneur, die te voet uit was gegaan, vergezeld van zijn beide adjudanten, Capitán Tiago, den alcalde, den alférez en Ibarra, en voorafgegaan door guardias civiles en overheidspersonen die den weg open hielden, werd uitgenoodigd om de processie te zien voorbijgaan ten huize van den burgemeester. Deze had een plankier voor zijn huis laten aanbrengen, om daar een loa (loflied) ter eere van den schutsheilige te laten voordragen.

Ibarra zou met genoegen ervan afgezien hebben, dit dichtgewrocht te hooren, en liever de processie hebben zien voorbijgaan in 't huis van Capitán Tiago, waar Maria Clara met haar vriendinnen zou gebleven zijn, doch Zijne Excellentie wenschte de loa te hooren, en er zat dus voor hem niets anders op, dan zich te troosten met de hoop, haar in de komedie te zien.

De processie begon met de zilveren kerkkandelabers, gedragen door drie gehandschoende kosters. Daarna volgden de schoolkinderen, vergezeld door hun meester; dan de jongens met de papieren lantarens van allerlei vorm en kleur aan een naar eigen smaak versierde bamboe vastgemaakt: deze illuminatie toch werd door de jeugd in iedere wijk zelf bekostigd.

In 't midden liepen politie-mannen heen en weer, om de orde te handhaven, waarvoor ze zich van hun rotan-stokken bedienden.

Tegelijkertijd dat deze mannen gratis klappen uitdeelden, gaven anderen, als troost aan de slachtoffers, kaarsen van verschillende afmetingen, eveneens gratis.

"Meneer de alcalde", zeide Ibarra zacht, "worden die klappen uitgedeeld als straf voor gedaan kwaad, of alleen voor plezier?"

"U heeft eigenlijk gelijk, meneer Ibarra!" antwoordde de gouverneur, die de vraag gehoord had. "Dat...barbaarsche gedoe verbaast iedereen die uit andere landen komt. 't Moest verboden worden."

Zonder dat men kon verklaren waarom, was de eerste heilige die verscheen Johannes de Dooper. Men zou zeggen, dat hij niet erg in aanzien was: zijn beenen en voeten waren als van een jongmeisje, zijn gelaat dat van een kluizenaar, maar hij werd gedragen op een oude houten baar, en een troepje jongens, met onaangestoken papieren lantarens, die heimelijk elkaar stompen gaven, verduisterden zijn glorie.

De heilige Franciskus, die volgde, werd op een prachtige kar vervoerd, die omringd was van lichtjes en glazen lantarens. Een muziekkorps vergezelde het schitterende voertuig.

Hierna kwam een vaandel, waarop dezelfde heilige was afgebeeld, maar met zeven vleugels. Het werd gedragen door de Hermanos Ferceros of "Derde broeders," die in grauwe pijen gekleed waren en luide en klagend gebeden opdreunden. Op eveneens onverklaarbare wijze volgde Maria Magdalena, een zeer fraai beeld met overvloedig haar, een doorschijnend fijne geborduurde zakdoek tusschen de met ringen bedekte vingers, en in een zijden met gouden plaatjes versierd kleed. Lampen en wierookvaten omzwierden haar. Men zag haar glazen tranen de kleuren van 't bengaalsch licht weerkaatsen, dat aan de processie een fantastisch aanzien gaf, zoodat de heilige zondares nu eens groen, dan rood, en andermaal blauw schreide. De huizen begonnen dit licht eerst af te steken toen de heilige Franciskus voorbijkwam; Johannes de Dooper genoot deze eer niet, en ging haastig voorbij, verlegen dat hij de eenige was die in dierenhuiden gekleed ging, onder zooveel met goud en edelgesteenten bedekte menschen.

"Daar komt onze heilige!" zeide de dochter van den burgemeester tot haar bezoeksters: "ik heb haar mijn ringen geleend, maar 't is om den hemel te verdienen."

De lichtdragers hielden stil rondom het plankier, om naar de loa te luisteren, de heiligen deden 't zelfde. Zij, die Johannes den Dooper droegen, werden moe van 't wachten, zetten zich op hun hurken, en vonden 't goed hem op den grond te zetten.

"De politie zal aanmerking maken," zei er een.

"En in de sakristie dan? Daar laten ze 'm in een hoek tusschen de spinnewebben!..."

En Sint Jan, eenmaal op den grond, werd nu geheel een man van 't volk.

Na de Magdalena kwamen de vrouwen: alleen was hier de volgorde anders dan bij de mannen, want in plaats van met de jongen te beginnen kwamen hier eerst de oudjes terwijl de jonge meisjes de stoet afsloten tot de kar der Heilige Maagd, waarachter de pastoor onder zijn troonhemel liep. Deze gewoonte was overgenomen van Padre Dámaso, die zeide: De Heilige Maagd houdt van de jonge meisjes, niet van de oudjes. Iets dat veel vrome besjes lang niet prettig stemde, maar 't was nu eenmaal de smaak van Onze Lieve Vrouw.

Sint Jakob (San Diego) volgde op Magdalena, ofschoon hij zich daarover niet scheen te verheugen, want hij bleef boetvaardig kijken evenals in den ochtend, toen hij achter Sint Franciskus aankwam. Zes "Derde-zusters" trokken zijn kar vooruit, om de een of andere gelofte of ziekte: een feit is 't dat ze trokken, en met allen ijver. Sint Jakob hield stil voor 't plankier, en wachtte tot men hem groette.

Doch er moest gewacht worden op de kar van de Heilige Maagd, voorafgegaan door als spoken gekleede menschen. De kinderen waren er bang voor, en daarom hoorde men een voortdurend geschrei en gegil. Evenwel zag men te midden van die donkere massa plechtgewaden, monniks- en nonnekappen en hoorde, bij 't eentonig neusgeluid der gebeden, als witte jasmijnen, als frissche tjampaka's tusschen oude vodden, twaalf meisjes met witte pakjes en bloemkransen op 't hoofd, met krullend haar en stralenden blik. 't Leken kleine lichtgeniën in gevangenschap van spoken. Ze hielden allen twee breede blauwe linten vast, die verbonden waren aan de kar van de Heilige Maagd, en deden denken aan de duiven die de kar der Lente voorttrekken.

Na lang wachten verscheen uit een gordijn een aardig kereltje met vleugels, rijlaarzen, een sjerp, een ceintuur en een hoed met pluimen.

De verzen die 't ventje voordroeg waren in 't Latijn, Tagaalsch en Spaansch, en oogstten veel bijval, al verstond men er weinig van.

Daarna zette de stoet zich weer in beweging: Sint Jan vervolgde zijn lijdensweg.

Toen 't beeld der Maagd voorbij Capitán Tiago's huis kwam, begroette een hemels gezang het met de woorden van den aartsengel. 't Was een teedere melodieuze smeekende stem, die 't "Ave Maria" van Gounod uitschreide, zich zelf begeleidend op de piano. De processiemuziek zweeg, het bid-gedreun verstomde, en zelfs Padre Salvi stond stil. De stem deed innig aan en ontrukte tranen: ze drukte meer uit dan een groet, 't was een bede en een klacht tegelijk.

Ibarra hoorde de stem aan 't venster waar hij zat, en ontzetting en weemoed daalden in zijn hart. Hij begreep wat die ziel leed en in een lied uitdrukte, en hij vreesde zichzelf naar de oorzaak van dat leed te vragen.

Somber en in gedachten verdiept vond hem de gouverneur: "u moet aan tafel bij me zitten," zeide hij tot hem, "daar zullen we 's spreken over die kinderen, die verdwenen zijn."

"Zou ik de oorzaak wezen?" zeide de jonge man bij zich zelf en volgde met een leege blik werktuigelijk Zijne Excellentie.