Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 35: Hoofdstuk 35

Zijne Excellentie.

"Ik wensch dat jonge mensch te spreken!" zeide Zijne Excellentie tot een adjudant, "hij heeft bizonder mijn belangstelling opgewekt."

"Er is al iemand gezonden, om hem te halen, Excellentie. Maar hier is een jongmensch uit Manila, dat met veel aandrang om gehoor bij u vraagt. We hebben hem gezegd dat u geen tijd had, en dat u niet gekomen waart, om audiënties te verleenen, maar om het dorp en de processie te zien; maar hij zegt dat Uwe Excellentie altijd tijd heeft om recht te doen..."

De gouverneur wendde zich verwonderd tot den alcalde.

"Als ik me niet vergis," antwoordde deze met een lichte buiging, "is het dezelfde jonge man, die van morgen een kwestie met Padre Dámaso gehad heeft, ter zake van de preek."

"Nogal een! Heeft die geestelijke 't in zijn hoofd gezet de heele provincie in beroering te brengen, of gelooft hij, dat hij hier de baas is? Laat hem binnen!"

Zijne Excellentie stapte zenuwachtig op en neer, van 't eene uiteinde der zaal naar 't andere.

In de wachtkamer waren verscheidene Spanjaarden, samen met militairen en overheidspersonen van 't dorp San Diego en naburige plaatsen. In groepjes verdeeld, waren ze druk aan 't praten of redetwisten. Ook waren daar bijeen al de frailes, behalve Padre Dámaso, om hun opwachting te maken bij den gouverneur.

"Zijne Excellentie de 'Capitán Generaal' verzoekt uwe weleerwaarden een oogenblikje geduld te hebben!" zeide de adjudant. "Wilt u maar binnengaan, jongmensch?"

De bewuste Manileen, die Grieksch met Tagaalsch verwarde, trad bleek en bevend de zaal binnen.

Allen waren uiterst verbaasd; Zijne Excellentie moest wel zeer verstoord wezen, om de monniken te laten wachten. Padre Sibyla zeide:

"Ik heb hem niets te zeggen!...Ik vermors hier mijn tijd!"

"Dat zeg ik ook", voegde een Augustijner eraan toe. "Zullen we maar heengaan?"

"Zou 't niet beter zijn dat we ons eerst eens op de hoogte stelden, hoe hij denkt?" vroeg Padre Salvi, "dan vermijden we een schandaal...en...konden we hem eens herinneren... aan zijn verplichtingen jegens...den godsdienst..."

"Uwe weleerwaarden gelieven binnen te komen, als 't u belieft!" zeide de adjudant. Het jongmensch, dat geen Grieksch verstond, werd door hem uitgeleid, en zijn gezicht straalde nu van voldoening.

Fray Sibyla ging 't eerst binnen; daarna kwamen Padre Salvi, Padre Manuel Martin en de andere monniken. Ze groetten nederig, behalve Padre Sibyla, die zelfs in zijn buiging een zeker meerderheidsvertoon bewaarde.

Padre Salvi daarentegen boog als een knipmes.

"Wie van uwe weleerwaarden is Padre Dámaso?" vroeg Zijne Excellentie opeens, nog zonder dat hij hun een stoel geboden, of naar hun gezondheid gevraagd had, en zonder tot hen de vleiende complimenten te richten, waaraan zulke hooge personages gewoon waren.

"Padre Dámaso is hier niet, meneer!" antwoordde Padre Sibyla op bijna denzelfden drogen toon.

"Die dienaar van Uwe Excellentie ligt ziek te bed," voegde Padre Salvi er nederig aan toe. "Na 't genoegen gehad te hebben van u te begroeten en ons op de hoogte gesteld te hebben van den staat van uw gezondheid, zooals het aan alle goede onderdanen van den Koning en alle welopgevoede menschen betaamt, kwamen we ook uit naam van dien eerbiedigen dienaar van Uwe Excellentie, die 't ongeluk gehad heeft..."

"O!" viel de Capitán Generaal in de rede, terwijl hij een stoel op een poot liet ronddraaien, en zenuwachtig lachte, "als alle dienaren van Mijne Excellentie zoo waren als de weleerwaarde Pater Dámaso, dan zou ik liever zelf Mijne Excellentie dienen!"

De weleerwaarden, die reeds lichamelijk stilstonden, stonden thans ook geestelijk stil bij dezen uitval.

"Gaat u zitten, weleerwaarden!" hervatte hij, na een oogenblik zwijgens en op ietwat vriendelijker toon.

Capitán Tiago kwam gerokt en op zijn teenen binnen. Hij leidde Maria Clara aan de hand, die met onzekere schreden en vol verlegenheid de zaal in kwam.

Desondanks maakte ze een bevallige en eerbiedige buiging.

"Is deze jonge dame een dochter van u?" vroeg de gouverneur verwonderd.

"En van Uwe Excellentie!" antwoordde Capitán Tiago hoog-plechtig.

De alcalde en de adjudanten zetten de oogen wijd open. Doch Zijne Excellentie vertrok geen spier van zijn gelaat op deze wat vergedreven Spaansche hoffelijkheid en stak het jonge meisje de hand toe. Op vriendelijken toon zeide hij:

"Gelukkig de vaders die dochters hebben zooals u, mejuffrouw! Ik heb met eerbied en bewondering over u hooren spreken...ik verlangde u eens te zien; om u dank te zeggen voor de schoone daad, die u vandaag heeft volbracht. Ik ben op de hoogte van 'alles,' en wanneer ik aan de hooge regeering schrijf, zal ik uw edelmoedig gedrag niet vergeten. Veroorloof me inmiddels, mejuffrouw, dat ik namens Zijne Majesteit den Koning, dien ik hier vertegenwoordig, en die 'den vrede en rust' van zijn trouwe onderdanen liefheeft, en in mijn eigen naam, in dien van een vader, die ook dochters heeft van uw leeftijd, u van harte dank te zeggen en voor te dragen voor een belooning!"

"Meneer!" ... antwoordde Maria Clara bevend.

Zijne Excellentie ried wat zij wilde zeggen en hervatte:

"'t Is heel goed, mejuffrouw, dat u zich tevreden stelt met de goedkeuring van uw eigen geweten en met de achting van uwe medeburgers: dat is ook werkelijk de beste belooning, en we moeten ook eigenlijk niet meer verlangen. Maar u moet me niet de mooie gelegenheid benemen, om te doen zien, dat, zoo de gerechtigheid kan straffen, ze ook weet te beloonen, en dat ze niet altijd 'blind' is."

De woorden tusschen aanhalings-teekens waren op beteekenisvolle wijze, met verheffing van stem uitgesproken.

"De heer Don Juan Crisóstomo Ibarra wacht de orders van Uwe Excellentie!" zeide zijn adjudant met luider stem. Maria Clara huiverde.

"O!" riep de Capitán General, "veroorloof me, mejuffrouw, dat ik den wensch uitspreek, u terug te mogen zien, voordat ik de plaats verlaat: ik heb u nog zeer belangrijke dingen te zeggen. Meneer de alcalde, u zult me wel op de wandeling willen vergezellen—die doe ik te voet—nadat ik een onderhoud onder vier oogen met meneer Ibarra zal hebben gehad."

"Uwe Excellentie zal ons veroorloven u te verwittigen," zeide Padre Salvi nederig, "dat de heer Ibarra in de kerkelijke ban is..."

Zijne Excellentie viel hem in de rede:

"'t Verheugt me zeer, dat ik niet anders te betreuren heb, dan de ongesteldheid van Padre Dámaso, aan wien ik 'oprecht' een 'volledig herstel' toewensch; want op zijn leeftijd moet een 'reis naar Spanje' om gezondheidsredenen niet bizonder aangenaam wezen. Maar dat hangt van hem af... en intusschen wensch ik, dat God de gezondheid van uwe weleerwaarden moge behoeden!"

De geestelijken namen afscheid.

"Nu, of 't van hem af zal hangen!" mompelde Padre Salvi onder 't heengaan.

"We zullen 's zien wie 't eerst de reis zal maken!" voegde een andere Franciskaan er aan toe.

"Ik ga nu dadelijk weg!" zeide Padre Sibyla spijtig.

"En wij naar onze provincie!" zeiden de Augustijners.

Dezen konden het niet zetten dat, door de schuld van een Franciskaan de gouverneur hen koel ontvangen had.

In de wachtkamer ontmoetten ze Ibarra, hun gastheer van eenige uren te voren.

Ze wisselden geen enkelen groet met hem, wel blikken die heel veel zeiden.

De alcalde daarentegen groette hem, toen de monniken weg waren, en stak hem familiaar de hand toe. Doch de komst van den adjudant, die den jongen man zocht, belette dat het tot een gesprek kwam.

Bij den deur kwam hij Maria Clara tegen: ook hun blikken zeiden veel, al was 't heel wat anders dan wat de oogen der frailes uitdrukten.

Ibarra was streng in den rouw. Bedaard trad hij binnen en groette diep, ofschoon het bezoek der monniken hem niet veel goeds scheen te voorspellen.

De Capitán Generaal trad hem eenige schreden tegemoet.

"'t Doet me recht veel genoegen, meneer Ibarra, u de hand te mogen drukken," zeide hij. "Veroorloof me dat ik u hier op vertrouwelijken voet ontvang."

Zijne Excellentie sloeg inderdaad den jongeman met blijkbare voldoening gade.

"Meneer...u bent wel goed!"

"Uw verwondering is niet vleiend, 't is alsof u zegt dat u geen goede ontvangst van me verwachtte: dat is twijfelen aan mijn rechtvaardigheid!"

"Een vriendschappelijke ontvangst, meneer, is voor een onbeteekenend onderdaan van Zijne Majesteit als ik ben, geen rechtvaardigheid, maar een gunst."

"Goed, goed!" zeide Zijne Excellentie en ging zitten, terwijl hij den ander een stoel aanwees, "laat u me een oogenblik vrij mijn hart uitspreken. Ik ben zeer voldaan over uw gedrag, en ik heb u al aan de regeering van Zijne Majesteit voorgedragen voor een decoratie, voor uw menschlievend denkbeeld om een school op te richten...Als u zich tot mij gewend had, zou ik met genoegen de openingsplechtigheid bijgewoond en u misschien een onaangenaamheid bespaard hebben."

"'t Denkbeeld leek me zoo klein", antwoordde de jongeman, "dat ik het niet waardig genoeg achtte, om uw aandacht af te roepen van uw talrijke bezigheden. Bovendien was het mijn plicht me eerst te richten tot de hoogste overheidspersoon in mijn provincie."

Zijne Excellentie bewoog het hoofd met een uitdrukking van voldoening, en, steeds gemeenzamer toon aannemende, ging hij voort:

"Wat betreft het ongenoegen dat u met Padre Dámaso gehad heeft, moet u niet vreezen en ook geen wrok koesteren: zoolang ik 't bestuur voer over deze eilanden zal geen haar op uw hoofd gekrenkt worden. En wat de kerkelijke ban aangaat, daar zal ik wel met de aartsbisschop over spreken, omdat het noodzakelijk is, ons naar de omstandigheden te voegen: hier zouden we niet, zooals in Spanje of daarbuiten in 't verlichte Europa, openlijk kunnen lachen om zulke dingen. Toch moet u voortaan voorzichtiger wezen. U heeft u tegenover de geestelijke orden gesteld, die om hun beteekenis en hun rijkdom ontzien moeten worden. Maar ik zal u in bescherming nemen, omdat ik houd van goede zoons; 't doet me goed te zien, dat men de nagedachtenis van zijn ouders eert. Ik heb de mijne ook liefgehad, en bij God! ik weet niet wat ik in uw plaats wel gedaan zou hebben..."

En, snel van gesprek veranderend, vroeg hij:

"Men heeft me gezegd, dat u pas uit Europa terug is. Bent u in Madrid geweest?"

"Jawel, meneer, eenige maanden."

"Heeft u misschien van mijn familie gehoord?"

"U was juist vertrokken, toen ik de eer had met uw familie in kennis gebracht te worden."

"En hoe komt het dan, dat u zonder eenige aanbeveling hier teruggekomen is?"

Ibarra boog en zeide: "Omdat ik niet rechtstreeks uit Spanje kom, meneer, en omdat ik wetende hoe uw karakter was, gemeend heb, dat een aanbeveling niet alleen onnut, maar zelfs beleedigend zou wezen; wij Filippijners zijn u allen goed aanbevolen."

Een glimlach teekende zich op de lippen van den krijgsman. Langzaam, als wikte en woog hij zijn woorden, hervatte hij:

"Erg vleiend voor me dat u zoo denkt en...zoo moet het ook wezen! Niettemin zal 't u, jongeman, niet onbekend zijn, welke zware lasten ons hier op de Filippijnen drukken. Hier moeten wij, oud-militairen, alles doen en alles zijn: koning, minister van buitenlandsche zaken, van oorlog, van binnenlandsche zaken, van financiën, van justitie enz. en 't ergste is nog, dat we voor iedere zaak 't verre moederland hebben te raadplegen. Dat keurt, al naar omstandigheden, goed of af, soms in den blinde, wat wij voorstellen of afraden. U weet hoe 't gaat: wie te veel hooi op zijn vork neemt... We komen bovendien meestal met heel weinig kennis van het land, en we gaan weer heen, wanneer we 't beginnen te leeren kennen. Tegenover u kan ik vrij-uit spreken, want 't zou geen nut hebben, iets anders voor te wenden. Zoodat, als in Spanje waar iedere tak van dienst zijn minister heeft, geboren en getogen op de plaats zelf, waar een pers is en een openbare meening; waar de vrije oppositie het bestuur de oogen opent en het voorlicht, als daar alles onvolmaakt en gebrekkig gaat, is 't wel een wonder dat hier niet alles een warboel is, waar we die voordeelen missen, en er in 't verborgene een machtiger oppositie leeft en werkt.

"Ons bestuurders ontbreekt de goede wil niet, maar we zien ons gedwongen ons te bedienen van een andermans oogen en armen, die we gewoonlijk niet kennen, en die wellicht in plaats van hun land te dienen, alleen hun eigen belang dienen. Dat is onze schuld niet: dat ligt aan de omstandigheden. De monniken helpen ons niet weinig om uit de moeilijkheid te komen, maar dat is niet meer voldoende...u boezemt me belangstelling in, en ik wenschte wel dat de onvolmaaktheid van ons bestuurstelsel u in niets benadeelde...ik kan niet voor iedereen waken, en niet iedereen kan naar mij toekomen om hulp. Kan ik u van dienst zijn in 't een of ander? Heeft u iets te verzoeken?"

Ibarra dacht even na.

"Meneer," antwoordde hij, "mijn grootste wensch is 't geluk van mijn land, een geluk dat ik zoo gaarne verschuldigd zou zien aan het moederland en aan de inspanning van mijn medeburgers: die zijn immers door eeuwige banden van gemeenschappelijke bedoelingen en belangen verbonden. Wat ik vraag kan het bestuur alleen geven na veel jaren van aanhoudenden arbeid en doeltreffende hervormingen."

Zijne Excellentie keek hem eenige seconden aan met een blik, dien Ibarra ongedwongen teruggaf.

"U bent de eerste man met wien ik spreek in dit land," riep hij uit, hem de hand toestekend.

"Uwe Excellentie heeft alleen maar de kruiperige stedelingen leeren kennen, u kent onze eenvoudige dorpelingen niet: anders had u wel echte mannen gezien, als een edelmoedig hart en een eenvoudige levenswijze voldoende zijn om iemand een echt man te doen noemen."

De gouverneur stond op, en begon in de zaal heen en weer te stappen.

"Meneer Ibarra," riep hij opeens stilstaande. De jongeman stond ook op. "Binnen een maand vertrek ik misschien. Uw opvoeding en uw denkbeelden zijn niet geschikt voor dit land. Verkoopt u alles wat u bezit, pak uw koffers, en ga met mij mee naar Europa: dat is een betere luchtstreek voor u."

"Ik zal de herinnering aan uw goedheid steeds mijn leven lang bewaren!" antwoordde Ibarra eenigszins ontroerd, "maar ik moet blijven wonen in 't land, waar mijn ouders geleefd hebben..."

"Waar ze gestorven zijn, zou juister gezegd zijn! Gelooft u me, misschien ken ik uw land nog beter dan u zelf..."

"Och! Nu herinner ik me!" riep hij uit, van toon veranderend, "u gaat trouwen met een allerliefst jongmeisje, en ik houd u maar op. Gaat u maar, gaat u maar naar haar toe, en stuur me haar vader maar, dan heeft u meer vrijheid", voegde hij er lachend aan toe. "Maar u moet niet vergeten dat ik straks met u wandelen wil."

Ibarra groette, en ging heen.

De gouverneur riep zijn adjudant.

"Ik ben voldaan!" zeide hij, en tikte hem met de vlakke hand op den schouder, "ik heb vandaag voor 't eerst gezien, hoe men een goed Spanjaard kan wezen en tegelijkertijd een goed Filippijner, die zijn land liefheeft. Ik heb vandaag eindelijk eens die 'weleerwaarden' duidelijk gemaakt, dat we hier niet allemaal hun speeltuig zijn: dit jongemensch heeft me de gelegenheid verschaft en ik zal gauw met dien fraile afrekenen. Jammer dat die jongeman den een of anderen dag ... maar roept u 's den alcalde!"

Deze verscheen onmiddellijk.

"Meneer de alcalde," zeide hij hem dadelijk bij 't binnentreden, "om te vermijden dat er weer zulke tooneelen komen als dat waar u bij is geweest, toonelen, die ik betreur, omdat ze 't prestige van 't bestuur en van alle Spanjaarden afbreuk doen, veroorloof ik me, u met grooten aandrang den heer Ibarra aan te bevelen, opdat u hem niet alleen de middelen verschaffe om zijn vaderlandslievende plannen uit te voeren, maar u ook vermijde, dat hem voortaan personen, van welken stand of onder welk voorwendsel ook, lastig vallen."

De alcalde begreep de terechtwijzing, en boog, om zijn ontroering te verbergen.

"Laat u 't zelfde aan den alférez zeggen die hier de sectie kommandeert. En gaat u 's na, of het waar is, dat deze meneer op zijn eigen houtje handelt, buiten zijn reglementen om. Ik heb daarover meer dan één klacht gehad."

Capitán Tiago verscheen, strak en glimmend van de stijfsel.

"Don Santiago," zei Zijne Excellentie op vriendelijken toon tot hem, "kort geleden wenschte ik u geluk, omdat u een dochter heeft als mejuffrouw de los Santos. Nu feliciteer ik u met uw aanstaanden schoonzoon: de deugdzaamste onder de dochters is stellig waardig de vrouw te worden van den besten burger op de Filippijnen. Mag ik ook weten wanneer de bruiloft zal wezen?"

"Meneer!..." stamelde Capitán Tiago, en hij veegde het zweet af, dat hem over zijn voorhoofd liep.

"Komaan, ik zie dat er nog niets bepaald is! Als u soms nog een bruidsjonker noodig heeft, bied ik me met het grootste genoegen aan. Dat zou wezen om de nare nasmaak weg te maken van al de bruiloften waarop ik tot nu toe bruidsjonker geweest ben!" liet hij volgen, terwijl hij zich tot den alcalde wendde.

"Ja, meneer!" antwoordde Capitán Tiago met een glimlach, die hartroerend was.

Ibarra liep bijna hard, om naar Maria Clara toe te gaan: hij had haar zooveel te zeggen en te vertellen.

Hij hoorde vroolijke stemmen in een der kamers, en klopte zachtjes op de deur.

"Wie klopt daar?" vroeg Maria Clara.

"Ik!"

De stemmen bij de deur zwegen, en de deur...ging niet open.

"Ik ben 't, mag ik binnen?" vroeg de jongeman, wiens hart hevig klopte.

't Bleef stil. Eenige oogenblikken later kwamen er lichte schreden naar de deur, en de vroolijke stem van Sinang zeide zacht door het sleutelgat:

"Crisóstomo, we gaan vanavond naar de comedie. Schrijf wat je Maria Clara te zeggen hebt."

En de schreden verwijderden zich weer, even snel als ze gekomen waren.

"Wat moet dat nu beteekenen?" mompelde Ibarra in gepeins, terwijl hij langzaam heenging.