Vrije gedachten.
Ibarra was bijna klaar, toen een bediende kwam zeggen, dat er een landbouwer was die hem te spreken vroeg.
Veronderstellende dat het een van zijn werklieden was, beval hij hem binnen te laten in het kantoor of studeerkamer, tegelijk, bibliotheek en scheikundig laboratorium.
Doch tot zijn verbazing zag hij de strenge en geheimzinnige gedaante van Elias voor zich staan.
"U heeft mijn leven gered", zeide deze in de landstaal, Ibarra's houding begrijpende. "Ik heb u mijn schuld voor de helft betaald, en u heeft me voor niets te danken. Integendeel. Ik ben hier, om u om een gunst te vragen..."
"Zeg op!" antwoordde de jongeman in dezelfde taal, verrast door den toon van ernst van den landbouwer.
Elias keek Ibarra enkele oogenblikken strak aan, en hervatte:
"Wanneer 't gerecht dit geheimzinnige geval tot klaarheid wil brengen, verzoek ik u dat u niemand iets zegt van de waarschuwing, die ik u in de kerk gegeven heb."
"Maakt u niet ongerust", antwoordde de jongeman eenigszins ontstemd. "Ik weet dat u vervolgd wordt, maar ik hoû niet van aanbrengerij."
"O, 't is niet om mij, 't is niet om mij!" riep Elias ietwat levendig en fier. "'t Is om u. Ik vrees niets van de menschen."
De verbazing van Ibarra nam toe: de toon waarop de landbouwer—de vroegere loods—sprak was nieuw en scheen niet in overeenstemming met zijn maatschappelijken staat noch met zijn geldelijke omstandigheden.
"Wat wilt u zeggen?" vroeg hij, terwijl hij den geheimzinnigen man verwonderd aankeek.
"Ik spreek niet in raadselen. Ik tracht me duidelijk uit te drukken. In 't belang van uw veiligheid is 't noodig dat uw vijanden gelooven, dat u onvoorbereid en geheel te goeder trouw is geweest."
Ibarra schrok.
"Mijn vijanden? Heb ik dan vijanden?"
"Die hebben we allemaal, meneer, van 't kleinste insekt tot den mensch toe, van den armste tot den rijkste en machtigste! Vijandschap is de wet van 't leven!"
Ibarra keek Elias een oogenblik zwijgend aan.
"U bent geen loods en geen landbouwer!..." mompelde hij.
"U heeft vijanden onder de hoogen en onder de lagen", ging Elias voort, zonder op de woorden van den jongen man acht te slaan. "U beoogt iets grootsch, u heeft een verleden, uw vader en uw grootvader hebben vijanden gehad, omdat ze hartstochten hebben gehad, en in 't leven zijn 't niet de misdadigers, die den meesten haat opwekken, maar mannen van eer."
"Kent u mijn vijanden?"
Elias antwoordde niet dadelijk, dacht even na.
"Een heb ik er gekend, die doodgegaan is," antwoordde hij.
"Gisteren avond ontdekte ik, dat hij iets in 't schild voerde tegen u, doordat ik eenige woorden opving, die hij met een onbekende wisselde, die in de menigte verdween. 'Die zal niet door de visschen opgegeten worden, zooals zijn vader: dat zal je morgen 's zien', zei hij. Die woorden trokken mijn aandacht, niet alleen om de beteekenis, maar ook om hem die ze uitsprak; want de man had zich al eenige dagen geleden aangeboden bij den baas van 't werk, met het uitdrukkelijke verlangen om de werkzaamheden te leiden bij 't neerlaten van den steen. Hij vroeg daarvoor geen groot loon en gaf hoog op van zijn bekwaamheden. Ik had geen reden genoeg om aan kwaadwilligheid te gelooven, maar iets in me zeide me, dat mijn vermoedens juist waren, en daarom koos ik, om u te waarschuwen, een oogenblik en een gelegenheid van dien aard, dat u me geen vragen kon doen. Het overige heeft u bijgewoond."
Reeds een heele poos had Elias gezwegen, en Ibarra nog steeds geen enkel woord geantwoord. Hij was in gedachten verzonken.
"'t Spijt me dat die man dood is gegaan!" hervatte hij eindelijk. "We hadden van hem wel iets meer van de zaak kunnen hooren!"
"Als hij was blijven leven, zou hij ontsnapt zijn aan de onzekere hand van de blinde menschelijke gerechtigheid. God heeft hem gevonnist, God heeft hem gedood, laat God zijn eenige rechter wezen!"
Crisóstomo keek den man, die zoo tot hem sprak, een oogenblik aan, en zijn gespierde armen ziende, die vol striemen en groote blauwe vlekken waren, zeide hij lachend:
"Gelooft u ook aan 't wonder? Daar heb je nu 't wonder waarvan 't volk spreekt!"
"Als ik aan wonderen geloofde, zou ik niet aan God gelooven; dan zou ik aan een tot God verheven mensch gelooven, dan zou ik inderdaad gelooven, dat de mensch God naar zijn beeld en gelijkenis had geschapen," antwoordde hij hoog ernstig; "maar ik geloof in Hem. Ik heb meer dan eens zijn hand gevoeld. Toen alles in elkaar stortte en al wat er op de plek stond dreigde te vernielen, heb ik, ik, den misdadiger vastgehouden. Ik ben naast hem gaan staan: hij werd getroffen, en ik kwam vrij."
"U? Dus u?"...
"Ja! Ik heb hem vastgehouden toen hij ontsnappen wou, nadat hij aan zijn duivels werk begonnen was: ik zag zijn misdaad. Ik zeg u: laat God de eenige rechter onder menschen wezen, laat hij de eenige zijn, die recht heeft over het leven. Laat 'n mensch er nooit aan denken hem te vervangen!"
"En toch heeft u dezen keer..."
"Nee!" viel Elias in, de tegenwerping gissende.
"Dat 's niet hetzelfde. Wanneer een mensch anderen ter dood veroordeelt of voor altijd hun toekomst verwoest, doet hij dat vrijuit en beschikt daarbij over de kracht van andere menschen, om zijn vonnissen uit te voeren, die per slot van rekening wel even zooveel vergissingen of misslagen kunnen wezen. Maar ik heb, toen ik den misdadiger aan 't zelfde gevaar blootstelde dat hij voor anderen beoogd had, dezelfde kwade kansen geloopen. Ik heb hem niet gedood, ik heb Gods hand hem laten dooden."
"Gelooft u niet aan toeval?"
"Aan 't toeval gelooven, is net hetzelfde als te gelooven aan wonderen: beide dingen veronderstellen dat God de toekomst niet kent. Wat is 'n wonder? Een tegenstrijdigheid, een storing in de natuurwetten. Niet voorzien en tegenstrijdig zijn, beteekenen twee groote gebreken in 't verstand, dat de wereldmachine bestuurt."
"Wie bent u?" vroeg Ibarra nogmaals, met zekere vrees. "Heeft u gestudeerd?"
"Ik heb heel veel in God moeten gelooven, omdat ik mijn geloof in de menschen verloren heb," antwoordde de ander, de vraag ontwijkend.
Ibarra meende den vervolgden jongen man te begrijpen.
Elias loochende de menschelijke gerechtigheid, hij ontzegde den mensch het recht om over zijn gelijken te oordeelen, kwam op tegen de macht en de meerderheid van sommige standen boven de andere.
"Hoe dan ook, u moet toch de noodzakelijkheid van het menschelijk recht aannemen, al is 't gebrekkig", gaf Ibarra terug. "Hoeveel dienaren God op aarde ook heeft, Hij doet zijn uitspraken niet duidelijk genoeg, om al de millioenen strijdpunten uit te maken, die onze hartstochten opwekken. 't Is noodig, 't is noodzakelijk, 't is rechtvaardig, dat de mensch soms over zijn naasten oordeel velt!"
"Jawel, om 't goede te doen, niet het kwaad, om te verbeteren, niet om te vernietigen, want, als zijn uitspraken falen, heeft hij de macht niet om het kwaad te herstellen, dat hij aangericht heeft. Maar," liet hij volgen, terwijl hij van toon veranderde, "deze discussie gaat boven mijn krachten, en ik houd u maar op: u wordt zeker gewacht. Vergeet u niet wat ik u zoo even gezegd heb: u heeft vijanden. Bewaar uzelf voor 't welzijn van uw land."
En hij nam afscheid.
"Wanneer zie ik u terug?" vroeg Ibarra.
"Altijd, wanneer u maar wilt, en de keeren dat ik u van dienst kan zijn. Ik ben nog uw schuldenaar!"