De Preek.
Fray Dámaso begon langzaam. En vrij zacht sprekende zeide hij:
Et spiritum tuum bonum dedisti, qui doceret eos et manna tuum non prohibuisti ab ore eorum, et aquam dedisti eis in siti.
(En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen, en uw manna hebt gij niet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun gegeven voor hunnen dorst.)
Zoo sprak de Heer bij monde van Nehemia, hoofdstuk IX, vers 20.
Padre Sibyla keek verwonderd op naar de prediker, Padre Manuel Martin verbleekte en verbeet zich. Dat was beter dan 't zijne...
't Zij Padre Dámaso het opmerkte, of dat hij nog heesch was, een feit is het, dat hij verscheidene malen kuchte, terwijl hij beide handen op de leuning van 't gewijde spreekgestoelte legde. De Heilige Geest bevond zich boven zijn hoofd: de duif was juist nieuw opgeschilderd, netjes wit en schoontjes, met rozenroode snavel en pootjes.
"Hoogedelgestrenge Heer (tot den alcalde), eerwaardste priesters, christenen, broederen en zusteren in Jezus Christus."
Hier zweeg hij plechtig en liet opnieuw zijn blik waren over zijn gehoor, welks vrome aandacht hem groote voldoening gaf.
Het eerste gedeelte van de preek zou in 't Spaansch wezen, en het andere in 't Tagaalsch: "loquebantur omnes linguas (Ze spraken alle talen)"
Na de toespraken en 't zwijgen, strekte hij met wijdsch gebaar de rechter hand uit naar het altaar, en hield daarbij den blik strak op den alcalde gericht. Daarna deed hij langzaam de armen over elkaar, zonder een enkel woord te zeggen, doch van deze bedaardheid overgaande tot bewegelijkheid, wierp hij 't bovenlijf achterover en wees naar den hoofdingang. Daarbij doorkliefde hij met zijn eene hand de lucht. Hij deed dit gebaar met zulk een vaart, dat de kosters het voor een bevel hielden, en haastig de deuren sloten. De alférez maakte zich ongerust, en kwam in wijfeling of hij heen zou gaan of blijven, doch de prediker begon reeds met forsche volle en welluidende stem te spreken. Waarlijk, die oude huishoudster had zich wel knap getoond met haar middeltjes.
"Schitterend van glans is het altaar, breed de hoofdingang dezer kerk, de lucht is het voertuig van 't heilig goddelijk woord, dat van mijn lippen vloeien zal. Luistert gij dus met de ooren der ziel en des harten, opdat de woorden des Heeren niet vallen op steengrond, en de vogelen der Hel ze opeten, maar opdat gij groeit en gedijt gelijk een heilig zaad op den akker onzes eerwaardigen engelachtigen vaders Sint Franciskus. Gij, groote zondaren gevangenen van de Mooren der ziel, die de zeeën des eeuwigen levens onveilig maakt in geweldige schepen des vleezes en der wereld, gij die beladen zijt met de handboeien der wellust en der begeerte, en voortroeit op de galeien des helschen satans, ziet op met eerbiedige ootmoed naar hem die de zielen loskoopt uit de gevangenschap des Duivels, naar den onverschrokken Gideon, den kloeken David, den onoverwinbaren Roland des Christendoms, de hemelsche Guardia Civil, dapperder dan al de guardias Civiles bij elkander, die er geweest zijn en er zullen zijn. (De alférez fronste de wenkbrauwen) Ja, meneer de alférez, dapperder en machtiger, die zonder eenig wapen buiten het houten kruis, moedig de eeuwige toelisan der duisternissen verslaat en al de volgelingen van Lucifer, en die ze alleen voor altijd zou verdelgd hebben, zoo de geesten niet onsterflijk waren. Dit wonder der goddelijke schepping, dit onmogelijk fenomeen is de zalige Diego Alcala, die...."
En zoo ging 't door.
De onbeschaafde inlanders, die, naar de correspondent zegt, uit dit deel der rede niets anders opgevangen hadden dan de woorden guardia civil, toelisan (roover), San Diego en San Francisco, merkten op wat een leelijk gezicht de alférez getrokken had en het krijgshaftige gebaar van den prediker, en leidden hieruit af, dat deze een berisping toediende aan eerstgenoemde, omdat hij de toelisan's niet achtervolgde. San Diego en San Francisco zouden zich wel daarmee belasten; en deden 't heel goed ook, zooals men dat zien kon op een schilderij, dat zich in 't klooster te Manila bevond, en waar de Heilige Franciskus alleen maar met 't koord van zijn kleed den inval der Chineezen in de eerste jaren na de ontdekking had weerstaan. De vromen verheugden zich dus niet weinig, ze dankten God voor deze hulp en twijfelden niet, of, als eenmaal de toelisans verdwenen waren, de heilige ook de Guardia Civil zou verdelgen. Ze volgden dus Padre Dámaso verder met verdubbelde aandacht.
De pater wond zich meer en meer op.
Doch zijn toehoorders begonnen allengs te gapen, zelfs Capitán Tiago. Maria Clara luisterde niet. Ze wist dat Ibarra dicht bij haar was, en ze dacht aan hem terwijl ze, zich bewaaierend, keek naar den stier van een der evangelisten, die heel veel van een karbouw had.
Pater Dámaso had het over onvromen en slechtaardigen:
"Gij zult sterven in goddeloosheid, onbekeerd kettergebroed! God kastijdt u reeds hier op aarde met kerker en gevangenschap! De huisgezinnen, de vrouwen moesten van u wegvluchten, de overheid moest u allen laten ophangen, opdat het zaad van Satanas niet opkome in den tuin des Heeren!...
"Zoo gij een slecht lid hebt dat u tot zonde brengt, snijdt het af, werpt het in 't vuur...!"
Fray Dámaso was zenuwachtig geworden, hij had zijn heele preek en welsprekendheid vergeten.
Ibarra werd onrustig: hij keek om zich heen naar een leeg hoekje, doch de heele kerk was vol.
Maria Clara hoorde noch zag iets, want ze staarde naar een schilderij van de gezegende zielen in 't vagevuur: zielen in de gedaante van spiernaakte mannen en vrouwen, met mijters, hoeden of kappen op, die in 't vuur aan 't braden waren en zich vastklampten aan het koord van den Heiligen Franciskus, dat ten spijt van zooveel gewicht, niet brak.
De monnik-voorzegger verloor bij deze improvisatie de draad van den preek en sprong bij vergissing drie lange alinea's over. Padre Dámaso, die hijgend uitblies van zijn woeste vermaning, vervolgde daarna dus blindelings:
"Wie van u, zondaren die mij aanhoort, zou de wonden willen likken van een armen in lompen gehulden bedelaar? Wie? Laat hem antwoorden en de hand opheffen? Niemand! Ik wist het wel: alleen een heilige als Diego de Alcalá kan zoo iets doen.
"Hij likte aan al de rottigheid en zeide tot een verbaasden broeder: 'Zoo geneest men dezen kranke!'
"O, christelijke barmhartigheid! O, vroomheid zonder wedergade. O, deugd der deugden! O, onnavolgbaar voorbeeld! O, onbevlekte talisman!"...
En hij ging voort met een lange sliert van uitroepen, sloeg daarbij de armen over elkaar, en hield ze op of ter neer, net als of hij wilde opvliegen of de vogels verschrikken.
"Voordat hij stierf sprak hij latijn. Verbaast u, zondaren! Gij zult, ook al leert ge 't en ranselt men er u voor, geen latijn spreken: Gij zult sterven zonder het te kennen. Latijn spreken is een genade Gods, daarom spreekt de kerk latijn. Ik spreek ook latijn!
"Hoe! zou God deze troost aan zijn welbeminden Diego onthouden? Mocht hij sterven, mocht Hij hem laten sterven zonder latijn gesproken te hebben? Onmogelijk! God zou niet rechtvaardig, zou niet God geweest zijn! Hij sprak dus latijn; dit wordt getuigd door de schrijvers uit zijn tijd."
En hij eindigde met het stuk, dat hem de meeste moeite gekost had en dat hij van een groot schrijver Siniboldo de Mas gestolen had!
"Ik groet u dus, roemruchte Diego, eer onzer corporatie. Gij zijt 't toonbeeld van deugd: bescheiden met gevoel van eer, nederig met adeldom, onderworpen met fierheid, sober met eerzucht, tegenstander met eerlijkheid, medelijdend met vergevensgezindheid, godvruchtig, met nauwgezetheid, geloovig met vroomheid, te goedertrouw met eenvoud des harten, kuisch met liefde..."
En zoo volgen nog een twintig dubbel-eigenschappen van den grooten heilige. Dan:
"God helpe mij, om uw grootheid en uw naam te bezingen, die hooger blinkt dan de sterren en schitterender is dan de zon zelve, welke aan uw voeten zwiert! Helpt ook gij mij, bidt God de noodige bezieling door 't avemaria te bidden."
Allen knielden neder, en er ontstond een gerommel als van duizend groote horzels. De alcalde boog met veel moeite een knie, en schudde ontstemd het hoofd. De alférez zag bleek en scheen zeer onder den indruk.
Onderwijl was Padre Dámaso, insteê van 't avemaria te bidden, bezig zijn Heiligen Geest een berisping toe te dienen omdat deze drie van zijn beste alinea's overgeslagen had. Meteen gebruikte hij twee "spritsen" en een glas Malaga, overtuigd dat hij daaruit grooter bezieling zou putten dan uit alle Heilige Geesten, 't zij van hout in den vorm van een duif, 't zij van vleesch in de gedaante van een afgetrokken monnik.
De preek in de landstaal zou beginnen.
Het vrome oudje stoot weer haar kleindochter met den elleboog aan. Deze ontwaakte en vroeg gemelijk:
"Is 't al tijd om te huilen?"
"Nog niet. Maar je mag niet slapen, nare meid!"
Van het tweede deel der preek—in 't Tagaalsch—bezitten we geen enkele aanteekening. In deze taal improviseerde Padre Dámaso. Niet dat hij die beter sprak, maar omdat hij de Filippijners uit de provincie voor dom volk hield in zake redenaars-kunst en dus niet bang behoefde te wezen, om tegenover hen onzin uit te slaan. Met de Spanjaarden was dat heel wat anders. Hij had wel eens hooren praten van regels van voordracht, en onder zijn hoorders kon er wel eens iemand wezen die de universiteit van niet te ver kende, misschien wel de gouverneur van de provincie. Daarom schreef hij zijn preeken op, corrigeerde ze, deed er wat af en wat bij, en leerde ze dan van buiten. Een paar dagen van te voren hield hij repetitie.
Het verluidt, dat niemand van de aanwezigen de samenhang van de preek begreep: de menschen waren zoo kort van bevatting en de prediker was "zoo diep", zooals zuster Roefa het uitdrukte. Zoo wachtte de inlandsche gemeente dus tevergeefs op een gelegenheid om te schreien, en de nare meid van een kleindochter der godzalige oude, viel weer in slaap.
Niettemin had dit gedeelte der predikatie meer uitwerking dan het eerste, ten minste op sommige toehoorders.
Hij begon met een Mana kapatir kon kristiano (Mijn broeders in Jezus Christus), waarop een stortvloed onvertaalbare uitdrukkingen volgde. Hij sprak van de ziel, van de hel, van de mahal na santo pintakasi (eerwaarde heilige schuts-patroon), van de inlandsche zondaren en de deugdzame Franciskaner paters.
"Bliksem!" zei een oneerbiedig Manileen, een jongmensch, tot zijn kameraad: "Dat is Grieksch voor mij. Ik ga weg!"
En, toen hij zag dat de deuren dicht waren, ging hij maar gewoon door de sacristie naar buiten, tot groote ergernis van de kerkgangers en den prediker. Deze werd bleek, en hield midden in een zin op. Enkelen verwachtten een bitsen uitval, doch Padre Dámaso vergenoegde er zich mee, den rustverstoorder na te oogen, en ging daarna voort met zijn preek.
Nu ontketenden zich verwenschingen tegen de booze tijden, tegen het gebrek aan eerbied, de opkomende ongodsdienstigheid. Dit onderwerp scheen zijn kracht te wezen, want hij toonde zich vol bezieling en drukte zich in gespierde en heldere taal uit. Hij sprak over de zondaren die niet biechtten, die in de kerkers stierven zonder de heilige sakramenten, van gevloekte families, van trotsche opgeblazen halfbloedjes, van waanwijze jongelieden, filosoofjes, advokaatjes, studentjes enz., een kwistig gebruik makende van verkleiningsuitgangen, zooals meer menschen tegenover hun vijanden doen, als hun hersens niets beters weten aan de hand te doen.
Ibarra hoorde alles aan, en begreep de toespelingen; schijnbaar bedaard blijvende, zocht hij met de oogen naar God en naar de overheden, maar daar in die tempels waren alleen heilige beelden en de alcalde dommelde.
Intusschen steeg de geestdrift des predikers trapsgewijze. Hij sprak van de oude tijden, toen iedere Filippijner, wanneer hij een geestelijke tegenkwam, zijn hoofddeksel afnam, met de eene knie nederknielde en hem de hand kuste. "Maar tegenwoordig," voegde hij eraan toe, "tegenwoordig neemt ge alleen de salakot af—die ge schuin op het hoofd zet, om 't gekamde haar niet in de war te maken! Gij vergenoegt er u mee 'goeden dag, among!' [36] te zeggen en er zijn zelfs studentjes, die een schijntje latijn geleerd hebben, en die, omdat zij te Manila of in Europa gestudeerd hebben, zich gerechtigd achten ons de hand te drukken, in plaats van die te kussen.... O, de dag der gerechtigheid zal weldra komen, de wereld loopt ten einde: veel heiligen hebben het voorspeld! Er zal een regen neerdalen van vuur, steen en asch, om onze hoovaardigheid te kastijden."
En hij vermaande het volk, deze "wilden" toch vooral niet na te volgen, maar ze te ontvlieden en te verafschuwen, omdat ze in de ban waren.
"Hoort wat de heilige conciliën zeggen!" bulderde hij. "Wanneer een inlander op straat een pastoor tegenkomt, moet hij 't hoofd buigen en zijn hals aan den 'among' bieden om er op te steunen. Als de pastoor en de inlander beiden te paard zijn, moet de inlander stilhouden, zijn salakot of hoed eerbiedig afnemen. Eindelijk, als de inlander te paard rijdt en de pastoor te voet gaat, moet de inlander afstappen en niet weer opstijgen, voordat de pastoor soeloeng! (ga heen!) tot hem zegt, of reeds ver weg is. Dit zeggen de heilige conciliën, en hij die niet gehoorzaamt, zal in de kerkelijke ban gedaan worden."
"En als iemand 's op een karbouw zit?" vroeg een angstvallige landbouwer aan zijn buurman.
"Dan...moet hij verder gaan!" antwoordde de laatste, die een casuïst was.
Doch ten spijt van de kreten en gebaren des predikers vielen er velen in slaap of hun gedachten raakten aan het dolen. Want 't ging met deze preek weer als altijd. Tevergeefs trachtten eenige besjes te zuchten en te grienen over de zonde der goddeloozen: ze moesten ervan afzien door gebrek aan deelneming. Zelfs zuster Poetê dacht aan heel wat anders. Een man naast haar was zoo vast in slaap gevallen, dat hij over haar heen omviel, en haar japon in de war maakte. De goede oude greep haar houten sandaal en begon hem wakker te timmeren. Onderwijl riep ze hem toe:
"Och, ga weg, wildeman, beest, duivel, karbouw, hond, verdoemeling!"
Zooals te begrijpen was ontstond er een tumult. De prediker zweeg stil, fronste de wenkbrauwen, verbaasd over zulk een schandaal. De verontwaardiging smoorde de stem in zijn keel, en hij slaagde er slechts in te blêren, terwijl hij met zijn vuisten op de balustrade van den preekstoel beukte. Dit had uitwerking: de oude vrouw liet haar sandaal mopperend los, en, herhaaldelijk een kruis slaande, ging ze vroom op haar knieën liggen.
"O zoo! O zoo!" kon ten slotte de vertoornde geestelijke uitroepen, kruiste de armen en schudde het hoofd.
"Daarvoor nu sta ik hier den heelen ochtend te preeken, wildemannen. Hier in den tempel des Heeren, hier maken jullie ruzie en zegt leelijke woorden tot elkaar, onbeschaamden! O, jullie eerbiedigen niets meer!... Dat is nu wat er komt van de wulpschheid en de onmatigheid dezer eeuw! Ik heb 't wel gezegd, ha!"
En op dit thema preekte hij nog een half uur door. De alcalde snurkte, Maria Clara zat te knikkebollen: het arme kind kon geen weerstand bieden aan den slaap, want ze had nu geen enkel schilderij en geen enkel beeld meer om te bestudeeren of om afleiding in te zoeken. Ibarra lieten de woorden en de toespelingen volmaakt koud: hij dacht aan een huisje op den top van een berg, en zag Maria Clara in een tuin. Dat beneden in 't dal de menschen met elkaar harrewarden, wat kon 't hem schelen!
Padre Salvi had tweemaal het belletje laten luiden, doch dit was olie op 't vuur: Fray Dámaso was koppig en maakte zijn preek nog langer. Fray Sibyla beet zich op de lippen en verschikte herhaalde malen zijn fraaie gouden bril. Fray Manuel Martin scheen de eenige te wezen die met genoegen luisterde, want hij glimlachte.
Eindelijk zeide onze Lieve Heer dat het genoeg was: de redenaar werd vermoeid en ging den preekstoel af.
Allen knielden, om God te danken. De alcalde streek zich de oogen uit, strekte een arm, alsof hij zich uitrekte, stiet een hartgrondig ah! uit, en geeuwde.
De mis werd voortgezet.
Toen Balbino en Chananay het "Incarnatus est" zongen en iedereen nederknielde, fluisterde er een man in Ibarra's oor: "Bij de zegeningsplechtigheid niet van den pastoor weggaan, niet in den kuil gaan, niet dicht bij den steen komen: uw leven is ermee gemoeid."
Ibarra zag Elias voor zich, die onmiddellijk na zijn waarschuwing in de menigte verdween.