In de kerk.
Het gebouwtje, dat de menschen aan den schepper van al 't bestaande als woning aangewezen hadden was propvol.
Men duwde, men drong, men verkneusde elkaar, terwijl uit de enkelen die eruit en de velen die erin gingen telkens een pijnlijk "ai" opklonk. In de verte al strekte men den arm uit, om de vingers met wijwater te bevochtigen, maar dan kwam op 't laatste oogenblik de menschengolving en duwde de hand ervandaan. Dan hoorde men er gekreun. Een vrouw, die in de verdrukking kwam, stiet verwenschingen uit, doch het gedrang hield steeds aan. Eenige oudjes, die erin geslaagd waren hun vingers in 't wijwater te verfrisschen—een vocht dat al een modderkleurtje had, waarin een heele dorpsbevolking plus de vreemdelingen zich gewasschen hadden—streken het vromelijk, schoon met moeite, op nek, kruin, voorhoofd, kin, borst en navelstreek, overtuigd als ze waren dat ze zoo al die deelen heiligden, en niet meer te lijden zouden hebben van een stijven nek, hoofdpijn, tering of slechte spijsvertering. De jonge menschen--'t zij omdat ze niet zoo ziekelijk waren, of omdat ze niet geloofden in dat gewijde voorbehoedmiddel—maakten ternauwernood het uiterste puntje van een vinger nat—dan konden de vromen ten minste geen aanmerking maken—en deden alsof ze hun voorhoofd even aanraakten. Allicht dacht 't een of andere jongmeisje: "'t Mag gewijd wezen en al wat je wil, maar 't heeft een kleurtje!..."
Men haalde zwaar adem. Het was er warm, en er hing een bizonder menschelijk luchtje. Doch de prediker was wel al die narigheid waard. Zijn preek kostte aan 't dorp twee-honderd-vijftig peso's. De oude Tasio had gezegd:
"Twee-honderd-vijftig peso's voor een preek! Een man en een heer! 't Derde van wat de tooneelspelers krijgen, en die werken er met hun allen drie avonden voor!... Jullie moeten wel erg rijk zijn!"
"Wat heeft dat nu met de komedie te maken?" antwoordde gemelijk de zenuwachtige meester der Derdebroeders. "Met zoo'n komedie ga je wel naar de hel, en met de preek naar den hemel. Als hij duizend gevraagd had, zouden we 't hem gegeven hebben, en er hem nog dankbaar voor wezen..."
"Alles wel beschouwd, heb je gelijk!" hervatte onze wijsgeer. "Ik ten minste heb meer pleizier van de preek dan van de komedie."
"Nou pleizier heb ik van de komedie ook niet!" riep de ander woedend.
"Dat geloof ik graag, jij begrijpt evenveel van 't een als van 't ander."
En de onvrome verwijderde zich, zonder acht te slaan op de scheldwoorden en onheils-profetieën, die de prikkelbare meester hem aangaande zijn hiernamaals uitsprak.
Wachtende op de komst van den alcalde stonden de menschen te transpireeren en te gapen. Waaiers, hoeden en zakdoeken dienden als afkoelers. De kinderen kreten en schreiden, wat den kosters werk gaf, om ze de kerk uit te zetten. Dit gaf stof tot denken aan den gewetensvolle bedaarde meester van de Broederschap des Allerheiligsten Rozenkrans.
"Laat de kinderkens tot mij komen," zeide onze Heer Jezus Christus, dat is waar; maar hier moet erbij gedacht werden: kinderkens die niet schreien.
Een oude vrouw, een van de in boetgewaad gekleeden, zuster Poetê, zeide tot haar kleindochter, een meisje van zes jaar, dat naast haar neergeknield lag:
"Ongelukskind! Let toch op, je zult zoo meteen een preek hooren als op Goeien Vrijdag!"
En ze gaf haar een kneepje, om de vrome aandacht van het kind op te wekken. Dit trok een leelijk gezicht, stak haar snuitje vooruit en fronste de wenkbrauwen.
Eenige mannen zaten op hun hurken bij de biechtstoelen te dommelen. Een oude man, die knikkebollend bezig was gebeden te prevelen en daarbij snel de vingers langs de kralen van een rozenkrans liet gaan, bracht het vrouwtje in de waan, dat zooiets de eerbiedigste manier was, om de raadsbesluiten des hemels te huldigen, en langzamerhand begon zij hem na te doen.
Ibarra stond in een hoek, Maria Clara lag geknield bij het hoofdaltaar op een plek die de pastoor zoo hoffelijk was geweest door de kosters te laten ontruimen. Capitán Tiago ging in rok zitten op een der banken, die voor de overheden bestemd waren. Daarom hielden de kinderen hem voor een tweeden burgemeester, en waagden 't niet hem te naderen.
Ten slotte verscheen mijnheer de alcalde met zijn gevolg, komende van de sacristie, en zette zich neder op een der prachtige armstoelen, die op een tapijt stonden. De alcalde was in groot costuum, met de sjerp van de Karel de Derde-orde om, en vier of vijf decoraties op de borst.
Het volk herkende hem niet.
"Wel kijk!" riep een landbouwer, "een burger als komediant gekleed!"
"Onnoozele hals!" antwoordde zijn buurman, hem aanstootende, "'t is Prins Villardo, dien we gisterenavond in den schouwburg gezien hebben!"
De alcalde rees in de achting van 't volk, want zoo was hij in hun oogen de betooverde prins en overwinnaar van reuzen.
De mis begon. Zij die zaten, stonden op, die sliepen ontwaakten door het luiden van 't belletje en de welluidende stem der zangers. Padre Salvi scheen in weerwil van zijn ernstigheid zeer voldaan, want hij genoot de eer, dat twee Augustijner monniken als diaken en sub-diaken optraden.
Ieder zong goed, toen 't zijn beurt was; al was 't meer of minder een neusgeluid en onduidelijke uitspraak, behalve de misbedienaar zelf: zijn stem was iet of wat beverig, en meer dan eens zong hij valsch, tot groote verbazing van de menschen die hem kenden. Niettemin bewoog hij zich korrekt en met zwier. Hij sprak het "Dominus Vobiscum" met zalving uit, terwijl hij 't hoofd eenigszins op zij hield, en naar de zoldering opkeek. Bij 't opsnuiven van den wierook hief hij zich op, wierp het hoofd achterwaarts en wandelde dan naar 't midden van 't altaar. Hij deed dit zoo statig en waardig, dat Capitán Tiago meer majesteit in hem opmerkte dan in den Chineeschen tooneelspeler van den vorigen avond, met zijn bont beschilderde pakje, zijn vlaggetjes op den rug, zijn paardeharen baard en hooggehakte slobber-muilen—die voor Keizer gespeeld had.
"Daar gaat toch niets af," dacht hij, "een enkele pastoor van ons is statiger dan alle keizers bij elkaar."
Eindelijk kwam het langverbeide oogenblik dat men Padre Dámaso zou hooren. De drie geestelijken zetten zich in stichtelijke houdingen op in hun armstoelen, zooals de geachte correspondent 't zou uitdrukken. De alcalde en overige waardigheidbekleeders volgden. De muziek zweeg.
Deze overgang van 't gedruisch tot de stilte deed de oude zuster Poetê ontwaken; dank zij de muziek was ze goed en wel aan 't snurken gegaan. 't Eerste wat ze deed, was een stoot geven aan haar kleindochtertje, dat ook in slaap was gevallen. 't Kind gilde, maar werd spoedig afgeleid, door dat ze een oude vrouw bezig zag, zichzelf op overtuigde en geestdriftige wijze stompen in de borst toe te dienen.
Iedereen trachtte zich in een gemakkelijke houding te zetten. Zij die geen bank hadden, gingen op hun hurken zitten, de vrouwen plat op den grond op hun eigen beenen.
Padre Dámaso schreed door de menigte, voorafgegaan door twee kosters en gevolgd door een anderen monnik, die een groot schrijfboek droeg. Hij verdween bij 't opgaan van het wenteltrapje, doch weldra vertoonde zich weder zijn rond hoofd, daarna zijn vette nek, onmiddellijk gevolgd door zijn lichaam. Vastberaden keek hij overal rond, nauw hoorbaar kuchend. Hij zag Ibarra. Een bijzonder oogknipje moest te kennen geven, dat hij hem in zijn preek niet vergeten zou. Daarna zond hij een blik van minachting naar Padre Manuel Martin, den prediker van den vorigen dag. Deze monstering voltooid hebbende, wendde hij zich op bedekte wijze tot den hem vergezellenden geestelijke, en zeide tot dezen: "opgepast, broeder!" Het schrijfboek werd opengelegd.
Doch het sermoen verdient een afzonderlijk hoofdstuk. Een jongmensch dat toen stenografie studeerde, en de groote redenaars bijzonder vereert, heeft er een verslag van gemaakt. Dank zij dit toeval, zijn we in staat hier een brokstuk gewijde welsprekendheid mede te deelen.