Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 28: Hoofdstuk 28

De Morgen.

De muziek blies de reveille bij 't eerste morgenkrieken, en deed door vroolijke wijsjes de vermoeide dorpsbewoners ontwaken. Leven en bedrijvigheid hernieuwden zich, de klokken luidden weder, en het gepaf en geknal begon.

Het was de laatste dag van 't feest, de eigenlijke groote feestdag. Men vlaste op heel wat meer dan den vorigen dag te zien was geweest. De broeders die zich Hermenos Ferceros (derde broeders) noemden, waren talrijker dan die van de Allerheiligste Rozenkrans en de leden dezer broederschap glimlachten vromelijk, zeker als ze waren, hun mededingers te zullen vernederen. Ze hadden een grooter aantal kaarsen gekocht: de Chineesche handelaars deden goede zaken, en dachten er uit dankbaarheid over, zich te laten doopen; ofschoon sommigen beweerden, dat het niet kwam uit geloovigheid, maar uit begeerte om een vrouw te kunnen nemen.

Doch hierop antwoordden de vrome vrouwen:

"Al was dat ook zoo, als zooveel Chineezen tegelijk trouwden, zou dat stellig al een wonderbaarlijk iets wezen, en dan zouden hun vrouwen ze wel bekeeren."

De menschen trokken hun beste plunje aan, en al de sieraden kwamen uit hun doosjes te voorschijn, zelfs de beroeps-kaartspelers en dobbelaars pronkten met mooie witte hemden, afgezet met groote diamanten knoopen, met zware gouden kettingen en keurige groote flaphoeden van stroo. Alleen de oude filosoof bleef zooals hij was: een donker gestreept hemd van sinamai [34], tot aan den hals toegeknoopt, gemakkelijk zittende schoenen en een breeden aschkleurigen vilten hoed.

"U ziet er vandaag droeviger dan ooit uit!" zeide de teniënte mayor tot hem. "Vindt u 't niet goed, dat we van tijd tot tijd pleizier hebben? Er is immers zooveel om over te schreien."

"Pleizier hebben beteekent nog niet dwaasheden uithalen!" antwoordde de oude man. "'t Is weer die onzinnige bras-partij van ieder jaar! En waartoe dat alles? Geld weg te smijten als er zooveel ellende en nood om ons heen is! Och, ik begrijp 't wel: 't is een zwelg- en bras-partij, om 't zwijgen op te leggen aan al 't geklaag!"

"U weet wel dat ik 't met u eens ben," hervatte Don Filipo, half ernstig, half lachend. "Ik heb diezelfde meening verdedigd, maar wat kon ik doen tegen den burgemeester en den pastoor?"

"Je ontslag nemen!" antwoordde de filosoof en verwijderde zich.

"Mijn ontslag nemen," mompelde de ander, terwijl bij naar de kerk opwandelde. "Mijn ontslag nemen!

"Jawel! Als mijn betrekking een eerebaantje was, en geen broodwinning, ja dan nam ik mijn ontslag!"

De binnenplaats der kerk was vol menschen. Mannen en vrouwen, kinderen en oude lieden, allen in hun Zondagsche kleedij en grillig door elkaar bewegend, gingen in en uit door de smalle deuren. 't Rook er naar buskruit, naar bloemen, naar wierook en naar reukwater. Donderpotten, vuurpijlen en voetzoekers deden de vrouwen wegloopen en schreeuwen, en maakten de jongens aan 't lachen. Een muziek-korps speelde voor het klooster, andere met het gemeentebestuur in optocht erachter, liepen door de straten, waar tal van vlaggen uit de huizen wapperden. Lichte en bonte kleuren trokken de oogen, melodieën en geraas troffen de ooren. De klokken hielden niet op met luiden. Allerlei soorten van rijtuigen, waarvan de paarden soms schichtig werden, steigerden, of ervandoor gingen, woelden dooreen. En, hoewel dit geen nummer van 't feestprogram uitmaakte, bood het gratis een belangwekkend schouwspel aan.

De Hermano mayor of hoofd-broeder van dien dag had bedienden de straat op gezonden, om genoodigden bijeen te zoeken, op de wijze zooals dit gedaan was door den gastheer waarvan het Evangelie ons spreekt. Men inviteerde schier met geweld de menschen om chocolade, koffie, thee, gebakjes en anderszins te gebruiken. En niet zelden nam de uitnoodiging het karakter van een ruzietje aan.

Men ging de hoogmis vieren, de zoogenaamde mis met de "dalmatiek"--'t witte priesterkleed--, een als die van den vorigen dag, waarover de waardige correspondent gesproken had; alleen zou thans Padre Salvi de celebrant wezen, en onder de personen die tegenwoordig zouden zijn, behoorde de alcalde der provincie en tal van andere Spanjaarden en voorname lieden. Ze wilden allen Padre Dámaso hooren preeken, want deze had een grooten naam in de provincie. Zelfs de alférez, hoe hem ook de les gelezen was door Padre Salvi, kwam mee ter kerke, om een bewijs van zijn goeden wil te geven, en zich zoo mogelijk schadeloos te stellen voor de nare oogenblikken, die de pastoor hem bezorgd had. Zoo groot was de faam, die er van Padre Dámaso uitging, dat de correspondent reeds van te voren aan den hoofdredakteur van het blad allerlei lof over hem schreef. Hij vergeleek hem bij Bossuet, en zeide dat zijn roem zelfs onder inlanders en Chineezen gevestigd was.

Toch scheelde 't weinig, of onze correspondent had al wat hij geschreven had weer moeten doorhalen, want Padre Dámaso klaagde over zekere lichte verkoudheid, die hij den vorigen nacht had opgedaan; nadat hij een stuk of wat vroolijke stukjes gezongen had, had hij drie glazen sorbet gebruikt, en was toen een oogenblikje naar de komedie gaan kijken. Dientengevolge wilde hij ervan afzien om Gods tolk te wezen voor de menschen, maar omdat er niemand anders was die zich van 't leven en de wonderen van den heiligen Diego (Jacob) op de hoogte gesteld had—behalve de dorps-pastoor, maar die moest de mis lezen—vonden de andere geestelijken eenstemmig, dat Padre Dámaso's orgaan in een onverbeterlijken toestand was, en dat het daarom heel jammer zou wezen, als zijn preek, die hij al geschreven en geleerd had, onuitgesproken bleef. Daarom maakte zijn oude huishoudster glazen limonade voor hem klaar, wreef hem borst en hals met zalfjes en olietjes, wikkelde hem in warme doeken, masseerde hem met talentvolle pidjet-handen enz., enz. Padre Dámaso slikte een paar rauwe in wijn geklutste eieren, en den heelen morgen sprak hij geen woord en at hij niets. Te nauwernood dronk hij een glas melk, een kop chocolade en at een dozijn beschuitjes; terwijl hij heldhaftig afzag van zijn gebraden kip en zijn half "Laguna"-kaasje, die hij anders alle morgens verorberde: volgens de huishoudster toch bevatten kip en kaas zout en vet, welke beide stoffen hoest zouden kunnen veroorzaken.

"Alles om den hemel te verdienen en ons te bekeeren!" zeiden de zusters der Ferceros-orde, toen ze van deze opofferingen vernamen.

"De heilige Maagd des Vredes moge hem straffen," mompelden de zusters van den Allerheiligsten Rozenkrans, die hem maar niet vergeven konden, dat hij naar de zijde van hun vijanden overhelde.

Om half negen trad de ommegang te voorschijn uit de schaduw van 't zeildoek-verhemelte. Het was er een zooals den vorigen dag, ofschoon er iets nieuws bij was: de broederschap der Hermanos Ferceros. Oude mannen en vrouwen en eenige oude vrijsters liepen in lange pijen, van grof katoen of van zijde, naar mate van de welgesteldheid. Al die wij-gewaden waren van de echte soort: ze kwamen van 't "klooster" te Manila, vanwaar 't volk ze tegen vaste prijzen, maar bij wijze van aalmoes ontving. Deze prijzen konden wel verhoogd, maar niet verlaagd worden. In 't zelfde klooster en in 't gesticht van tante Clara werden ook andere kleeden verkocht, die de bizondere genade bezitten, dat ze niet alleen aan de dooden, die erin gewikkeld worden, veel aflaat verschaffen, maar ook duurder zijn, naarmate ze ouder, versletener en onbruikbaarder geworden zijn.

De heilige Diego werd gereden in een met gedreven zilveren platen versierd voertuig. Het vrij magere beeld had een ivoren hoofd en bovenlijf, die er streng en statig uitzagen, in weerwil van 't weelderig kringetje negrito-achtig kroeshaar om de kruinschering. [35] Zijn kleed was van goud-omboord satijn.

Daarop volgde onze weleerwaarde vader, de Heilige Franciskus. Dan kwam de heilige Maagd, evenals den vorigen dag, met dit verschil alleen, dat de priester onder de baldakijn ditmaal Padre Salvi was, en niet de zoo voornaam-gemanierde elegante Padre Sibyla. Doch zoo de eerste al een statig uiterlijk miste, 't zalvende had hij in hooge mate; hij hield de handen in mystieke houding over elkaar, had de oogen neergeslagen, en schreed half gebogen voort. De baldakijn-dragers waren dezelfde baranggay-hoofden, transpireerend van voldoening, dat ze nu, behalve hun gewone baantje van hulp-koster en belastinggaarder, nog de functie uitoefenden van verlossers der dolende, arme menschheid, dus Christusjes speelden, hun bloed gevende voor de zonden der medemenschen.

De "coadjutor" met een koorhemd aan, liep van de eene kar naar de andere, een wierookvat in de hand, op welks geur hij nu en dan 't reukorgaan van den pastoor onthaalde, waarop deze dan een nog ernstiger en deftiger gezicht zette.

Zoo ging de processie langzaam en bedaard voorwaarts, begeleid door 't geluid van "bommen", geestelijke liederen en spelen der muziekkorpsen, die achter iedere kar aanliepen. Intusschen deelde de hoofdbroeder met zooveel voortvarendheid waskaarsen uit, dat velen der medeloopers in den stoet naar huis terugkeerden met een voorraad genoeg voor vier avonden, om bij kaart te spelen. Toen de kar met het beeld der Moedermaagd voorbijreed, knielden de nieuwsgierigen vroom neer, en baden ze vurig "credo's" en "groetenissen."

Tegenover een huis, aan welks met kleurige kleeden behangen vensters zich de burgemeester vertoonde, in gezelschap van Capitán Tiago, Maria Clara, Ibarra, en verscheidene Spanjaarden en jongedames, hield de kar stil. Padre Salvi keek toevallig op, doch hij maakte niet het minste gebaar van begroeting of herkenning. Hij richtte zich alleen wat op, ging wat meer recht-op staan, zoodat de "pluviale", die hij over de schouders droeg, met zekere bevalligheid en met meer zwier kwam te vallen.

Op straat, onder 't venster, was een jonge vrouw met innemende gelaatstrekken. Ze was zeer goed gekleed en droeg een klein kind in de armen. 't Scheen een min of een kindermeisje te wezen, want het kind was blank en blond, terwijl zijzelf bruin was en gitzwart haar had.

Toen ze den pastoor zag, strekte 't wichtje de handjes naar hem uit, lachte met heerlijk-onschuldige kinderlach en riep, op een oogenblik dat het stil was, stamelend: "Pa... pa!" "Papa!"

De jonge vrouw schrok hevig, hield snel haar hand op den mond van 't kind, en liep heel verlegen ijlings weg. Het kind begon te schreien.

Kwaaddenkenden wisselden blikken van verstandhouding, en de Spanjaarden die getuige waren geweest van 't tooneeltje glimlachten. De gewone bleekheid van Padre Salvi maakte plaats voor een vuurroode kleur.

En met dat al hadden de menschen 't mis: de pastoor kende die vrouw zelfs niet; bovendien was het een buitenlandsche.