Brieven over het feest.
Om een denkbeeld te geven van 't feest, volgen hier een paar correspondenties, waarvan een van de briefschrijvers van een ernstig en voornaam blad van Manila, dat alle achting verdient om zijn toon en strenge opvattingen. Enkele geringe en verklaarbare onnauwkeurigheden zal men kunnen verbeteren.
De waardige correspondent van 't edele blad schreef dan aldus:
Nooit te voren woonde ik bij, noch verwacht ik ooit te zullen
zien, een kerkelijk feest zóó plechtig, zóó schitterend en
aandoenlijk als dat hetwelk thans in dit dorp wordt gevierd
door de weleerwaarde en deugdzame paters Franciskanen.
De toeloop van menschen is geweldig. Ik heb hier het genoegen
gehad, schier al de in deze provincie woonachtige Spanjaarden
te begroeten. Ik zag er drie eerwaarde paters Augustijners uit
de provincie Batangas, twee eerwaarde paters Dominikanen,--een
van welke was de zeer eerwaarde pater Fray Hernando
de la Sibyla—wier bezoek aan dit dorp voor de bewoners
onvergetelijk moet blijven. Ik heb ook een groot aantal chefs
van handelshuizen van Cavite en Pampanga, en veel vermogende
menschen uit Manila gezien, als ook veel muziekkorpsen,
waaronder het bijzonder geschoolde van Parsanghan, toebehoorend
aan den notaris Don Miguel Guevara. Ook een menigte Chineezen
en inlanders, die, met de eigenaardige nieuwsgierigheid der
eersten en den godsdienstzin der laatsten, vlasten op den
dag waarop het plechtige feest zou gevierd worden, om de
komisch-lyrisch-choreografisch-dramatische voorstelling bij
te wonen, voor welk een groot en ruim tooneel midden op het
plein is opgericht.
Om negen uur in den avond van den tienden, voorafgaande aan
den feestdag, na de weelderige maaltijd, ons door de _Hermano
mayor_ [30] aangeboden, werd de aandacht van ons allen,
wereldlijken en geestelijken, in het klooster, getrokken door
de tonen van twee muziekkorpsen die vergezeld door drommen
volks en bij 't knallen van vuurpijlen en donderpotten,
en voorafgegaan door de notabelen uit het dorp, naar het
klooster kwamen, om ons af te halen en te geleiden naar
de voor ons bereide en bestemde zitplaatsen, teneinde de
tooneelvoorstelling bij te wonen.
Wij moesten zwichten voor zulk een hoffelijke uitnoodiging,
ofschoon ik me veel liever in de armen van Morfeus had
geworpen, om zoete rust te schenken aan mijn verkneusde
leden, dank zij het geschok en gerammel van 't voertuig
dat de burgemeester van 't dorp B. ons voor onze overkomst
verschaft had.
Wij gingen dus naar beneden en begaven ons naar onze
confraters die den avond-maaltijd gebruikten ten huize van
den godvruchtigen en vermogenden heer Don Santiago de los
Santos. De pastoor van 't dorp, de zeer eerwaarde pater
Fray Bernardo Salvi, en de zeer eerwaarde pater Fray Dámaso
Verdolagas, die door de bijzondere gunst des Allerhoogsten
reeds hersteld is van het lijden, dat een onvrome hand hem
aangedaan had, vergezeld van den zeer eerwaarde pater Fray
Hernando de la Sibyla en den braven pastoor van Tenauan
en nog andere Spanjaarden, waren de gasten ten huize van
den Filippijnschen Cresus. Daar hebben we het geluk gehad
niet alleen de weelderige inrichting en den goeden smaak
van gastheer en gastvrouw te bewonderen, welke zeker niet
alledaagsch is bij inlanders, maar ook de smaakvolle schoone
en rijke erfgename, welke laatste een volleerde discipel
der heilige Cecilia bleek te wezen want haar meesterlijk
klavier-spel bij 't vertolken der beste Duitsche en
Italiaansche compositiën herinnerde mij aan "la Galvez". Hoe
jammer dat zulk een volmaakte jonge dame zoo buitengemeen
bescheiden is en haar verdiensten verborgen houdt voor de
samenleving, welke voor haar slechts bewonderaars heeft.
Ik mag niet in mijn inktpot laten, dat men ons ten huize van
onzen gastheer champagne en fijne likeuren liet gebruiken,
en wel in schitterenden overvloed, zooals we dat van den
bekenden kapitalist gewoon zijn.
We woonden de tooneelvoorstelling bij. U kent reeds onze
artisten Ratia, Carvajal en Fernandez. Hun geestig spel
werd slechts door ons begrepen, want de menschen van minder
ontwikkeling konden er in 't geheel niet bij. Chananay en
Balbino waren goed, ofschoon een weinig schor. De inlanders,
vooral de burgemeester, vonden het Tagaalsche komedie-stukje
zeer naar hun zin: deze laatste wreef zich in de handen en
zeide ons, dat het wel jammer was dat men de prinses niet
met den reus had laten vechten, die haar geschaakt had,
hetwelk naar zijn idee wonderbaarlijker zou geweest zijn, te
meer als de reus onkwetsbaar bleek te wezen, behalve aan zijn
navel, gelijk een zekere Ferragus waarvan de geschiedenis der
Twaalf Pairs [31] verhaalt. De weleerwaarde pater Fray Dámaso,
deelde met de goedhartigheid die hem zoo bijzonder eigen is,
deze meening van den "gobernadorcillo", en voegde er bij,
dat in zoo'n geval de prinses er wel voor zou weten te zorgen
's reuzen navel te ontbloten en hem den genadeslag te geven.
Ik behoef niet te zeggen, dat gedurende de voorstelling de
beminnelijkheid des Filippijnschen Rotschilds niet gedoogde
dat ons iets zou ontbreken: sorbet, limonade gazeuse, andere
frissche dranken, banket en suikergoed, allerlei wijnen gingen
overvloedig rond onder de toeschouwers. Zeer opvallend—en te
recht—was de afwezigheid van den bekenden, fijn-beschaafden
jongeman Don Crisóstomo Ibarra, die, zooals men weet, morgen
moet voorgaan bij de plechtige eerste steenlegging van het
groote monument, dat hij op zulk een menschlievende wijze
laat oprichten.
Deze waardige afstammeling der Pelayos en Elcanos (want,
zooals ik vernomen heb, is een zijn voorouders van vaders
kant uit onze heldhaftige, edele noordelijke provincies,
wellicht een der eerste metgezellen van Magalhaês en Legazpi)
heeft zich tengevolge van een kleine ongesteldheid in 't
vervolg van den dag evenmin vertoond. Zijn naam gaat van mond
tot mond, en men spreekt dien alleen uit met lof, welke niet
anders dan ten goede kan komen aan den roem van Spanje en haar
wettige kinderen als wij, die nimmer hun bloed verloochenen,
hoe gemengd het ook zij.
Heden, den elfden, in den morgen, woonden we een zeer roerend
schouwspel bij. Deze dag is, zooals men algemeen weet,
die van het feest der Heilige Maagd des Vredes en dit wordt
gevierd door de broeders der Allerheiligste Rozenkrans. Morgen
zal 't de feestdag zijn van den Beschermheilige San Diego
[32], en daaraan nemen voornamelijk deel de broeders der
Ferceros-orde. Tusschen deze beide korporaties bestaat een
vrome wedijver om God te dienen, en deze vroomheid gaat zoo
ver, dat er heilige oneenigheden zijn ontstaan, zooals wat
onlangs voorviel, toen men elkaar den grooten redenaar van
erkenden faam betwistte, den reeds zooveel maal genoemden
weleerwaarde pater Fray Dámaso, welke morgen van het gestoelte
in de kerk van den Heiligen Geest een preek zal houden, die,
naar 't algemeene oordeel, een gebeurtenis op godsdienstig
en letterkundig gebied zal uitmaken.
Welnu dan, zooals wij zeiden, woonden we een in hooge mate
stichtelijk en roerend schouwspel bij. Zes jonge geestelijken,
drie welke de mis moesten lezen en drie anderen bij wijze
van akolieten of helpers, traden de sakristie uit en nadat
dezen zich voor 't altaar ter aarde hadden gebogen, hief de
misbedienaar, de weleerwaarde pater Fray Hermando de la Sibyla,
het "Surge Domine" aan, na hetwelk de processie rondom de
kerk zou aanvangen. Hij deed dit met die heerlijke stem en
die godsdienstige wijding welke iedereen in hem erkent, en
welke hem de algemeene bewondering zoo waardig maken. Toen
het "Surge Domine" geëindigd was, maakte de burgemeester,
in zwarten rok, met het vaandel in de hand en gevolgd door
vier akolieten met wierookvaten een begin met den plechtigen
ommegang. Achter hen aan gingen de zilveren kerkkandelabers,
het gemeente-bestuur, de keurige in satijn en goud gedoste
beelden, voorstellende Sint Dominikus, Sint Jakob en de Heilige
Maagd des Vredes, welke laatste een prachtigen blauwen mantel,
belegd met verguld-zilveren plaatjes droeg, het geschenk van
den godvruchtigen burgemeester, van den zoo navolgenswaardigen
en nooit te veel genoemden Don Santiago de los Santos.
Al deze beelden werden voortbewogen in zilveren voertuigen.
Na de Moeder Gods kwamen wij, Spanjaarden en de geestelijken,
de misbedienaar schreed voorwaarts onder een draaghemel,
gedragen door de baranggay-hoofden, terwijl de processie
afgesloten werd door het waardige politie-korps der _guardia
civil_. 't Is wellicht onnoodig te zeggen dat een menigte
inlanders aan weerszijden van de processie liep, op vrome
wijze brandende kaarsen in de hand dragende. De muziek speelde
onderwijl godsdienstige stapwijzen, terwijl donderpotten en
vuurraderen herhaalde salvo's gaven. Bewonderenswaardig is
't te zien, hoe deze plechtigheden bescheidenheid en eenige
vroomheid wekten in de harten der geloovigen, op te merken de
reine, groote vereering die ze wijdden aan de Heilige Maagd des
Vredes, de stichtelijkheid en vurige godsvrucht, waarmede wij
zulke plechtigheden vieren, wij die het geluk hadden geboren
te worden onder de gewijde en onbevlekte vlag van Spanje.
Na afloop van de processie begon de mis-muziek, ten gehoore
gebracht door het orkest en de artiesten van den schouwburg. Na
het Evangelie, betrad de wel-eerwaarde pater Augustijn Fray
Manuel Martin den preekstoel. Deze, expresselijk uit de
provincie Batangas overgekomen, heeft het gansche gehoor, en
vooral de Spanjaarden in den aanhef die hij in 't Spaansch gaf,
volkomen geboeid en aan zijn lippen doen hangen. Hij sprak
die uit in kloeke taal en in zulke gemakkelijk verstaanbare
en toepasselijke bewoordingen, dat ze onze harten met gloed
en geestdrift vervulden. Zoo toch moet genoemd worden wat men
voelt, wat wij voelen, wanneer er gesproken wordt over de
Heilige Maagd of van ons geliefd Spanje, en vooral wanneer
in den tekst—aangezien deze er zich toe leent—denkbeelden
ingelascht kunnen worden van een onzer kerkvorsten, van
"Señor Monescillo" [33] welke denkbeelden ook stellig die
van alle Spanjaarden zijn.
Na de mis gingen we weder gezamenlijk met de aanzienlijken van
het dorp en andere voorname personen naar het "klooster",
waar we uitnemend werden onthaald met de hoffelijkheid,
voorkomendheid en kwistige gastvrijheid welke den
wel-eerwaarden pater Fray Salvi kenmerken. Men bood ons
sigaren en een stevige "bowl," die de Hermano mayor beneden
't klooster had klaargemaakt voor een ieder die den aandrang
van zijn inwendigen mensch het zwijgen wilde opleggen.
Gedurende den verderen dag ontbrak er niets, om het feest
vroolijk te maken en de opgewektheid te bewaren, welke zoo
kenmerkend is bij Spanjaarden: ze kunnen zich bij zulke
gelegenheden geen dwang opleggen, en toonen dan hetzij
in zang en dans, hetzij in andere eenvoudige en vroolijke
verpoozingen, dat ze een edele en krachtige inborst hebben,
dat tegenspoeden hen niet neer slaan en dat er op een gegeven
plaats slechts drie Spanjaarden hoeven bijeen te zijn,
om droefenis en misnoegen te bannen. Er werd dus in veel
huizen aan Terpsichore geofferd maar vooral in dat van den
roem omstraalden inlandschen millionair, bij wien wij allen
ten eten gevraagd waren. Ik behoef u wel niet te zeggen,
dat het feestmaal, rijk en schitterend aangericht, de tweede
veel verbeterde en vermeerderde druk was van de bruiloft van
Kana of van Camacho.
Terwijl wij genoten van 't heerlijk banket, welks overvloed
was toebereid door een kok van het restaurant "la Campana,"
speelde het orkest lieflijke melodieën. De zeer schoone
dochter des huizes, was gedost in een kostuum, zooals meisjes
van gemengd bloed wel dragen, en droeg een kostbaar snoer
diamanten ("cascade"). Als altijd was zij de koningin van 't
feest. Wij betreuren het allen in 't diepst van onze ziel,
dat een lichte verrekking van haar bekoorlijk voetje haar
beroofd heeft van de dansgenoegens; want, te oordeelen naar
't geen haar volmaaktheden in alles aantoonen, moet mejuffrouw
de los Santos dansen gelijk een sylfide.
Het hoofd van de provincie is heden in den namiddag aangekomen,
teneinde de plechtigheid van morgen met zijn tegenwoordigheid
op te luisteren. Hij betreurt zeer de ongesteldheid van den
alom zoo gezienen landeigenaar, den heer Ibarra. Doch, Gode
zij dank, hij is naar men ons mededeelt, aan de beterende hand.
Van avond is er een plechtige processie geweest, daarover
spreek ik u in mijn brief van morgen; want, behalve dat ik wat
draaierig in mijn hoofd en een beetje doof ben geworden van
al het gebulder der donderpotten, ben ik nog erg vermoeid en
val ik om van de slaap. Terwijl ik dus herstel van krachten
ga zoeken in Morfeus' armen—alias 't ijzeren ledikantje in
't klooster—wensch ik u, hooggeachte vriend, een goeden nacht.
Tot morgen, den grooten dag!
Uw zeer toegenegen vriend die u de hand kust:
De briefschrijver.
San Diego, 11 November.
Dit schreef de goede correspondent van 't Manilasche blad; wat nu volgt, schreef "Kapitein" Martin aan zijn vriend Luïs Chiquito:
"Waarde Choy! Kom spoedig over, als je kunt, want het feest is
heel vroolijk. Stel je voor, dat de bank van Capitán Joaquin
bijna gesprongen is: Capitán Diego heeft hem drie keer geslagen
en fijn ook, zoodat Cabesang Manuel, de heer des huizes, hoe
langer hoe kleiner wordt van de pret. Pater Dámaso heeft door
een slag met de vuist een lamp gebroken, omdat hij tot nu toe
nog geen enkele winnende kaart gehad heeft. De consul heeft met
zijn hanen en 't bankspel alles verloren wat hij op 't feest
te Binjang en op dat van Pilar de Santa Cruz gewonnen had.
We hadden verwacht, dat Capitán Tiago zijn aanstaanden
schoonzoon bij ons zou brengen, den rijken erfgenaam van Don
Rafael, maar het schijnt dat deze zijn vader wil nadoen, want
hij heeft zich zelfs in 't geheel niet vertoond. Jammer! 't
Schijnt dat hij nooit zijn eigenbelang zal inzien.
De Chinees Carlos is bezig een schep geld te verdienen met
het 'liam po'. Ik vermoed dat hij iets verborgens bij zich
draagt, misschien een magneet: hij klaagt voortdurend over
pijn in 't hoofd. Hij draagt er een doek om, en wanneer het
draaibord van de 'liam po' langzamerhand stilstaat, dan buigt
hij zich eroverheen, zoodat hij het bijna aanraakt, net alsof
hij er goed naar kijken wil. Ik vertrouw het zaakje niet,
want ik ken meer zulke gevalletjes.
't Ga je goed, Choy! Mijn hanen houden zich kranig, en mijn
vrouw is vroolijk en amuseert zich best.
je vriend
Martin Aristorenas."
Ibarra had ook een geparfumeerd briefje ontvangen, dat Anding, Maria Clara's zoogzuster, hem had ter hand gesteld op den avond van den eersten feestdag. 't Luidde aldus:
"Crisóstomo: Je hebt je al den heelen dag niet laten zien. Ik
heb gehoord dat je een beetje ziek bent. Ik heb voor je
gebeden en twee kaarsen voor je aangestoken ofschoon papa zegt,
dat je niet ernstig ziek bent.
Gisterenavond hebben ze me verveeld door me piano te laten
spelen en me te vragen, of ik wou dansen. Ik wist niet dat er
zooveel lastige, vervelende menschen in de wereld waren! Als
Padre Dámaso er niet geweest was—die heeft getracht mij af
te leiden door me allerlei dingen te vertellen—had ik me in
mijn slaapkamer opgesloten, om maar te slapen. Schrijf me wat
je scheelt, dan zal ik papa vragen of hij je op wil zoeken,
voorloopig stuur ik je Anding: die kan dan thee voor je zetten;
zij doet het goed, en misschien beter dan je bedienden.
Maria Clara."
"P. S. Als je morgen niet komt, ga ik niet naar de
eerste-steen-legging. 't Ga je goed."