Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 26: Hoofdstuk 26

In den avond.

Bij Capitán Tiago in huis waren ook groote toebereidselen gemaakt. Zooals van hem te verwachten was, moesten zijn praalzucht en zijn trots als groot-stadsmensch de provincialen schitterend overbluffen. Er was nog een andere reden die hem verplichtte er naar te streven om de anderen den loef af te steken: hij had Maria Clara tot dochter, en zijn aanstaande schoonzoon was op de plaats de man die zoo aller aandacht in beslag nam.

Inderdaad: een der ernstigste bladen van Manila had een hoofdartikel aan hem gewijd, getiteld: "Volgt hem na." waarin hij overladen werd met loftuitingen en hem tevens eenige raadgevingen werden toegediend. Hij werd er genoemd: "de verlichte jonge en vermogende kapitalist." Twee regels verder "de edele menschenvriend." In het volgende gedeelde "de voedsterling van Minerva," die naar 't moederland was gegaan, om de echte bakermat der kunsten en wetenschappen te gaan begroeten, en wat verderop "de Filippijnsche Spanjaard" enz. Capitán Tiago brandde van grootmoedige wedijver, en begon erover te denken of het niet misschien ook zijn plicht was, op zijn kosten een klooster te stichten.

Eenige dagen te voren waren er in het huis dat Maria Clara en haar tante Isabel bewoonden een menigte kisten met Europeesche eetwaren en dranken, ontzaglijke spiegels en schilderijen aangekomen. Ook de piano van 't jonge meisje was erbij gezonden.

Capitán Tiago kwam den dag voor het feest. Toen zijn dochter hem de hand kuste, had hij haar een fraai goud relikwie-kistje met briljanten en smaragden ten geschenke gegeven, dat een spaander bevatte van Petrus' boot, waar onze Lieve Vrouw gedurende het visschen op gezeten had.

De ontmoeting met den aanstaanden schoonzoon kon niet hartelijker wezen. Men sprak natuurlijk van de school. Capitán Tiago wilde dat ze Sint Franciskusschool zou genoemd worden.

Er kwamen eenige vriendinnen van Maria Clara en deze noodigden haar uit, om mee te gaan wandelen.

"Maar kom gauw thuis," zeide Capitán Tiago tot zijn dochter, die hem om permissie vroeg, "je weet wel dat Pater Dámaso van avond komt eten: die is pas aangekomen."

En zich tot Ibarra wendende, die stil geworden was, voegde hij eraan toe:

"Komt u ook bij ons eten: bij u thuis bent u alleen."

"Met heel veel genoegen, maar ik moet in huis wezen, voor 't geval er bezoek komt," antwoordde de jongeman stamelend, terwijl hij Maria Clara's blik ontweek.

"Breng uw vrienden hier," gaf Capitán Tiago onverstoord terug, "bij mij in huis is altijd eten in overvloed. Ik zou bovendien graag zien dat u en Pater Dámaso 't bijlegden..."

"O, daar is 't nog wel tijd voor!" antwoordde Ibarra met een gedwongen lachje, en hij gaf te kennen dat hij met de meisjes mee wilde gaan.

Ze gingen de trap af.

Maria Clara liep tusschen Victoria en Iday in. Tante Isabel volgde daarachter.

De menschen gingen eerbiedig op zij, om hen door te laten.

Maria Clara was dien avond verrassend schoon: haar bleekheid was verdwenen, en zoo heur oogen al wat peinzend bleven, scheen haar mond van niets dan lachen te weten. Met de minzaamheid der gelukkige jonkvrouw groette ze de oude kennissen uit haar kindsheid, thans de bewonderaars van haar zoo gezegende meisjesjaren. In minder dan veertien dagen had ze haar vroegere vrijmoedigheid, haar kinderlijke praatlust herwonnen, die binnen de benauwde muren van 't klooster ingesluimerd schenen te wezen. Ze was als de vlinder die bij 't verlaten van den pop-toestand al de bloemen terugkent. Deze hoefde slechts een oogenblik rond te vliegen en zich te koesteren aan de gulden zonnestralen, om de stijfheid van zijn vorigen staat af te schudden. Het nieuwe leven vond weerklank in heel het wezen van 't jonge meisje, alles vond ze mooi en goed; ze toonde haar liefde met die maagdelijke aanvalligheid, welke, niet anders dan reine gedachten ziende, het waarom van valsch schaamrood niet kent.

Toch dekte ze zich het gelaat met den waaier, wanneer men haar eens vroolijk plaagde, maar dan lachten haar oogen en doorliep een tinteling haar leden.

Aan de huizen begon men de verlichting aan te steken, en in de straten, waar de muziek rondging, volgden de kroonlampen van bamboe en hout, nabootsingen van kerkkronen.

Binnen in de huizen der straat bespeurde men door de geopende vensters de menschen druk doende in een omgeving van licht en bloemengeur, bij de tonen van piano, harp of orkest. Over de straat liepen Chineezen, Spanjaarden, Filippijners, en deze in Europeesche of wel in inlandsche kleederdracht. Dooreen krioelend, elkaar duwend en dringend liepen daar bedienden met vrachtjes vleesch en kippen, in 't wit gekleede studenten, mannen en vrouwen, op gevaar af van overreden te worden door de vele rijtuigen en karretjes, die in weerwil van 't tabi-geroep der koetsiers zich te nauwernood een doortocht konden banen.

Voor 't huis van Capitán Basilio groetten eenige jongelieden het gezelschap en noodigden het uit, om het huis te bezoeken. De vroolijke stem van Sinang, die de trap kwam afhollen maakte een einde aan alle verontschuldigingen.

"Komen jullie even boven, dan ga ik straks met jullie uit. Ik vind 't zoo vervelend met zooveel onbekende menschen samen te zijn: ze hebben 't over niets anders dan over hanen en kaarten."

Men ging naar boven.

De voorzaal was vol menschen. Enkelen traden naar voren, om Ibarra te begroeten, wiens naam bij iedereen bekend was. Ze sloegen verrukt Maria Clara's schoonheid gade. En eenige oudjes mummelden, onder het sirihkauwen door: "'t Is net de Heilige Maagd!"

Daar moesten de nieuwgekomenen chocola gebruiken. Capitán Basilio had zich sinds de buitenpartij als een boezemvriend en verdediger van Ibarra doen kennen. Door 't telegram dat aan zijn dochter Sinang was gegeven vernam hij dat Ibarra op de hoogte was van de voor dezen ongunstige afloop van 't proces. En omdat hij niet onder wilde doen in grootmoedigheid, stelde hij voor, zijn winst bij 't schaakspel op te geven.

Doch Ibarra wilde daar niets van weten, en toen sloeg Capitán Basilio voor, dat Ibarra het geld voor de gerechtskosten zou gebruikten om er een onderwijzer aan de toekomstige school mee te betalen. Onze redenaar vond het daarna noodig zijn welsprekendheid aan te wenden bij de andere tegenpartijen die hij had, om ze maar te doen afzien van hun zonderlinge aanspraken. En hij zeide hun:

"Geloof me: bij zoo'n proces komt de winnende partij er als een geplukte kip af!"

Doch hij slaagde er niet in iemand te overtuigen, ook al haalde hij er de Romeinen bij.

Nadat ze chocolade gebruikt hadden, moesten de jongelui de piano hooren: de organist van 't dorp zou spelen.

"Wanneer ik hem in de kerk hoor," zeide Sinang en wees naar hem, "heb ik zin om te dansen. Nu hij piano speelt moet ik aan bidden denken. Daarom ga ik maar met jullie mee."

"Wilt u vanavond bij ons komen?" vroeg Capitán Basilio fluisterend aan Ibarra, toen deze heenging. "Pater Dámaso zal de bank houden voor een klein partijtje."

Ibarra lachte even en antwoordde met een hoofdbeweging, die net zoo goed ja als nee kon beteekenen.

"Wie is dat?" vroeg Maria Clara aan Victoria, en wees met een snellen blik naar een jongmensch dat hen volgde.

"Die...dat is een neef van me", antwoordde ze eenigzins verlegen.

"En die ander?"

"Dat's geen neef van me," gaf Sinang snel terug, "dat is een zoon van mijn tante."

Ze liepen voorbij de pastorie waar het zeker niet 't minst druk en levendig toeging. Sinang kon een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen ze zag dat de heel ouderwetsche lampen, die Pater Salvi anders nooit liet aansteken om petroleum te sparen, nu brandden. Men hoorde kreten en welluidende schaterlachen. Men zag de "frailes" langzaam heen-en-weer-loopen, met in de maat wiegende hoofden, en de lippen getooid met een dikke sigaar. De wereldlijke heeren die zich onder hen bevonden trachtten al wat de goede paters deden na te doen. Te oordeelen naar de Europeesche kleederen die ze droegen, moesten het beambten of autoriteiten uit de provincie wezen.

Maria Clara bespeurde den lijvigen omtrek van Padre Dámaso naast het onberispelijk "silhouet" van Padre Sibyla. Roerloos op zijn plaats zat de geheimzinnige, zwijgende Padre Salvi.

"Hij is verdrietig!" merkte Sinang op; "hij bedenkt hoeveel hem al die bezoekers kosten zullen. Maar je zult zien dat hij ze niet betaalt, maar de kosters. Zijn logés eten altijd bij een ander."

"Sinang!" vermaande Victoria.

"Ik kan hem niet uitstaan sedert dat hij ons Rad van Fortuin heeft kapot gemaakt. Ik ga niet meer bij hem biechten."

Onder al de huizen onderscheidde er zich een, dat niet verlicht was, en zijn vensters ook niet open had staan: 't was dat van den alférez. Maria Clara verwonderde er zich over.

"Die heks! De muze van de Guardia Civil, zooals de oude heer zegt!" riep de verschrikkelijke Sinang. "Wat gaat haar onze pret aan? Ze zal aan 't razen wezen. Laat de cholera maar 's komen, dan zal je zien dat zij inviteert."

"Maar Sinang!" berispte haar nichtje weder.

"Ik heb haar nooit kunnen uitstaan, en allerminst sedert dat ze ons feest gestoord heeft met haar soldaten. Als ik aartsbisschop was, dan liet ik haar met Padre Salvi trouwen, je zou 's zien wat 'n kindertjes dat geven zou! Dien armen 'loods' te laten oppakken, zie je, die in 't water gesprongen is alleen om genoegen te doen aan..."

Ze kon haar woorden niet voleindigen: op den hoek van het plein, waar een blinde bij de gitaar de romance der visschen zong, deed zich een vreemd schouwspel voor.

't Was een man wiens hoofd gedekt was met een groote salakot van palmbladeren, en die een armzalige plunje aan had. Dit bestond uit een in flarden hangende lange jas, en een wijde broek zooals van de Chineezen, die op verscheidene plaatsen gescheurd was. Zijn voeten staken in ellendige sandalen. Zijn gelaat bleef, dank zij de salakot geheel en al in 't duister, doch uit die duisternis braken van tot tijd twee lichtglanzen die dadelijk weer uitdoofden. Hij was lang van gestalte en naar zijn beweging te oordeelen moest hij jong wezen. Hij zette een mand op den grond neer, en verwijderde zich daarna onder het uitspreken van vreemdsoortige onverstaanbare klanken. Hij bleef geheel afgezonderd staan, net alsof hij en de menigte elkaar meden. Toen kwamen er eenige vrouwen naar hem toe en legden wat vruchten, visch, rijst a. a. in de mand. Toen er niemand meer naar hem toe kwam, klonken er uit de hoedduisternis andere, nog droeviger, maar minder klagelijke geluiden: een dankzegging wellicht. Daarna nam hij zijn mand op en verwijderde zich om elders hetzelfde nog eens te doen.

Maria Clara had een voorgevoel van iets akeligs, en vroeg vol belangstelling naar dat vreemde wezen.

"Dat is de melaatsche," antwoordde Iday. "Vier jaar geleden heeft hij die ziekte opgedaan: sommigen zeggen doordat hij zijn moeder verpleegd heeft, anderen weer doordat hij in de vochtige gevangenis geweest is. Hij woont daar ginds buiten, niet ver van 't Chineesche kerkhof. Hij gaat met niemand om, iedereen loopt van hem weg uit vrees voor besmetting. Och, als je toch 's zijn huisje zag. 't Is een krot, waar wind, regen en zon vrijen toegang hebben. 't Is hem verboden iets aan te raken dat aan de menschen toebehoort. Eens op een dag viel er een kleine jongen in 't kanaal. Het kanaal was niet diep, en hij liep juist daar voorbij—hij hielp er hem dus uit. De vader hoorde ervan, en beklaagde zich bij den burgemeester. En deze liet hem midden op straat zes geeselslagen geven. De rotan moest daarna verbrand worden. Dat was verschrikkelijk om aan te zien: de melaatsche man liep hard weg. Zijn geeselaar hem achterna en de burgemeester schreeuwde hem na: 'Pas op 'n andere keer. 't Is beter dat iemand verdrinkt dan dat hij jouw ziekte krijgt.'"

"Dat is waar!" mompelde Maria Clara.

En zonder zich rekenschap te geven van wat ze deed, stapte ze snel op de mand toe, en legde daarin het relikwie-kistje dat haar vader haar kort te voren cadeau had gegeven.

"Wat heb je gedaan?" vroegen haar vriendinnen.

"Ik had niets anders!" antwoordde ze, terwijl ze de tranen van haar oogen met een lach trachtte te verbergen.

"En wat kan hij nu beginnen met jouw relikwie-kistje," zei Victoria. "Eens op een dag gaven ze hem geld, maar hij schoof het met een bamboe van zich weg; waartoe zou hij 't verlangen, als toch niemand iets aanneemt dat van hem komt? Als hij 't relikwie-kistje opeten kon, ja!"

Maria Clara keek met jaloezie naar de vrouwen die eetwaren verkochten, en haalde de schouders op.

Doch de leproos trad op de mand toe, greep het kistje, dat in zijn handen blonk, knielde neder, kuste het en, na zich 't hoofd ontbloot te hebben, drukte hij zijn voorhoofd in 't stof dat het jongemeisje betreden had.

Maria Clara bedekte zich 't gelaat met haar waaier en bracht haar zakdoek aan de oogen.

Ondertusschen was er een vrouw naar den ongelukkige toegegaan, terwijl deze scheen te bidden. Ze had het haar loshangend en verward om haar hoofd. In 't licht der lantarens ontwaarde men de gelaatstrekken der krankzinnige Sisa.

Toen de melaatsche voelde dat zij hem aanraakte, slaakte hij een kreet en sprong op. Doch de krankzinnige klampte zich tot ontzetting der omstanders aan zijn arm vast, en zeide:

"Laten we bidden, laten we bidden! 't Is vandaag dooden-dag! Die lichten zijn de levens van de menschen. Laten we bidden voor mijn kinderen!"

"Doe ze van elkaar, doe ze uiteen! De krankzinnige zal besmet worden!" schreeuwde men uit de menigte, doch niemand waagde het, hen te naderen.

"Zie je dat licht daar in den toren? Dat is mijn zoon Basilio, die komt aan een touw naar beneden! Zie je dat daar verderop in 't 'klooster'? Dat is mijn zoon Crispin, maar ik zal ze niet zien, omdat de pastoor ziek is en veel goud heeft, en het goud raakte weg. Laten we bidden, bidden voor de ziel van den pastoor! Ik bracht hem altijd groenten. Mijn tuin was vol bloemen, en ik had twee kinderen. Ik had een tuin, ik kweekte mijn bloemen en ik had twee kinderen!"

En de leproos loslatend, verwijderde ze zich al zingend:

"Ik had een tuin met bloemen, ik had kinderen, en een tuin met bloemen."

"Wat heb je voor die arme vrouw kunnen doen?" vroeg Maria Clara aan Ibarra.

"Niets. Niets. Een dezer dagen was ze uit het dorp verdwenen, en hebben ze haar niet terug kunnen vinden!" antwoordde de jongeman half verlegen. "Ik heb 't bovendien erg druk gehad. Maar maak je maar geen verdriet: de pastoor stelt veel belang in haar!"

"Zei de alférez niet dat hij de kinderen zou laten zoeken?"

"Jawel, maar toen was hij een beetje ...aangeschoten!"

Nauw had hij dit gezegd, of ze zagen de krankzinnige vrouw door een soldaat voortslepen. Ze bood weerstand.

"Waarom neemt u haar gevangen? Wat heeft ze gedaan?" vroeg Ibarra.

"Hoe nu? Heeft u dan niet gezien hoe ze rumoer gemaakt heeft?" antwoordde de bewaarder der openbare rust.

De leproos nam ijlings zijn mand op en verwijderde zich. Maria Clara wilde maar heengaan, want ze had haar vroolijkheid en opgewektheid verloren.

"Er zijn ook menschen die niet gelukkig zijn!" mompelde ze.

Aan de deur van haar huis gekomen, voelde ze haar verdrietigheid nog grooter worden, toen ze zag dat haar aanstaande weigerde boven te komen, en afscheid van haar nam.

"'t Moet!" zeide de jongeman.

Maria Clara ging de trap op, denkende aan 't vervelende van de feestdagen, wanneer zooveel vreemde menschen zouden komen logeeren.