Noli me tangere: Filippijnsche roman · José Rizal (translated by Abraham Anthony Fokker)

Chapter 25: Hoofdstuk 25

De vooravond van 't feest.

't Is de tiende November, de dag voor het feest.

Het dorp is uit zijn gewone eentonigheid getreden, en geeft zich over aan een groote bedrijvigheid; thuis, op straat, in de kerk, in de hanenvechtplaats en buiten. De vensters worden behangen met vlaggen en sierdoeken van allerlei kleur. De lucht weerklinkt van vuurwerkgeknal en van muziek. 't Is overal opgewektheid en pretlust.

Allerlei ingemaakte vruchten van 't land worden door de dalaga in glazen schaaltjes op een tafeltje gerangschikt, waarop ze een geborduurd wit laken gespreid heeft. In 't patio—de binnenhof—piepen kuikens, kakelen kippen, knorren varkens, die alle opgeschrikt zijn door 't vreugdebetoon der menschen. De bedienden gaan trap op trap af, dragende verguld vaatwerk en zilveren lepels en vorken. Hier maakt men zich boos, omdat er een bord gebroken wordt, daar lacht men een buitenmeisje uit om haar onhandigheid: overal worden bevelen gegeven, wordt gefluisterd, of gelachen, maakt men toespelingen en opmerkingen, voorspelt men, windt de een den ander op, en alles is verwarring, gedruisch en gewoel. En al deze moeiten en zorgen, al dit wenschen en hopen is voor de bekende of de onbekende gasten die verwacht worden; om dezen of genen feestelijk te onthalen, dien men wellicht nooit te voren gezien heeft en ook misschien nooit meer terug zal zien; zoo dat buitenlander en vreemdeling, vriend en vijand, Filippijner en Spanjaard, arme en rijke er voldaan mogen wezen. Men vraagt zelfs niet van hen dat ze dankbaar zullen zijn, noch verwacht men van hen dat ze de gastvrije familie gedurende of na de verorbering van al 't goede ongedeerd zullen laten.

De rijken, zij die wel eens een keer in Manila geweest zijn en iets meer gezien hebben dan de andere menschen, hebben bier, champagne, wijn en Europeesche eetwaren gekocht, waarvan ze zelf nauw een hapje of slokje zullen gebruiken. Hun tafel is schitterend aangericht.

In 't midden staat een fraai nagemaakte ananas, waarin tandestokertjes gestoken zijn, 't keurige snijwerk der dwangarbeiders, dat ze in hun rusttijd vervaardigd hebben. Men ziet daar een waaier, een ruikertje, een vogel, een roos, een palmboom en eenige kettinkjes, alles uit één stuk hout gesneden. De kunstenaar is een veroordeelde, het werktuig een slecht mes, en de inspiratie de stem van den mandoer. Aan weerszijden van deze ananas—die palillera, dat is tandestoker-houder heet—verheffen zich op glazen vruchten-schalen heele pyramiden van sinaas-appelen, langsoen's [23], srikaja's, sawomanila's [24] en zelfs mangga's, ofschoon 't reeds November was. Dan volgen op groote schotels, neergelegd op uitgesneden en bontgekleurd papier Europeesche en Chineesche hammen, een groote pastei in den vorm van 't "Lam Gods" of van een duif—de Heilige Geest wellicht—gevulde kalkoenen enz. En tusschen deze in staan de dik-lijvige atjar-flesschen grillig versierd met uitknipsels van pinang-bloesem, bladgroenten en vruchten, die met stroop op den buitenwand der flesschen geplakt zijn.

De glazen bollen—die men aan de zoldering hangt—erfstukken van vader op zoon,--worden schoongemaakt, de koperen hoepels glimmend gepoetst, de petroleum-lampen ontdaan van hun roode hulsels, die ze 't heele jaar voor vliegen en muskieten behoedt en nutteloos gemaakt hebben. De kristallen hangertjes en prisma's tingelen harmonieus tegen elkaar aan, ze zingen, en 't is of ze in de feestvreugde deelen. Ze ontleden de lichtstralen en doen de kleuren van den regenboog op de muren vallen. De kinderen spelen en dartelen, loopen de kleuren na, stooten hier en daar tegen-aan en breken lampenglazen, doch dit belet niet dat de feestvreugde blijft aanhouden: 't is ook niet alle dagen feest.

Evenals deze eerwaardige lampen treden ook de "werkjes" van 't jongemeisje uit hun schuilhoeken te voorschijn: gehaakte sluiers, kleedjes, kunstbloemen; er verschijnen antieke kristallen presenteer-blaadjes, waar op de bodem een miniatuur-meertje is voorgesteld met vischjes, krokodillen, schelpdieren, zeewier, koraal- en andere rotsen, gemaakt van hel-kleurig glas. Deze blaadjes worden belegd met sigaren, sigaretten en kleine sirih-pruimpjes, die door fijne jongmeisjesvingers zijn vervaardigd.

De vloer van 't huis glimt als een spiegel. Gordijnen van zijde of van pina (ananas-vezel) tooien de deuren. Aan de vensters hangen lantarens van glas of van rooskleurig, blauw, groen of rood papier. Het huis komt vol bloemen en bloempotten op voetstukken van Chineesch porselein. Tot zelfs de heiligen maken zich mooi; beelden, platen en relikwieën krijgen hun Zondagsch uiterlijk, men stoft ze af, de glazen worden schoon gemaakt, en bloemtuiltjes aan de lijsten opgehangen.

Op straat worden op geregelde afstanden grillige eerebogen opgericht uit op allerlei manieren bewerkte bamboe. Men noemt die singkaban. Er om heen wordt bamboe-loof aangebracht, waarvan de aanblik alleen de harten der kinderen reeds verheugt. Rondom de binnenhof--'t patio—van de kerk staat het groote en kostbare verhemelte, ondersteund door dikke bamboestaken, waar de processie onder door moet trekken. Nu spelen de kinderen eronder: ze loopen, klauteren, springen, en scheuren de nieuwe baadjes, waar ze op den feestdag mee moesten pronken.

Ginds, op het plein, is van bamboe, nipah-blad en hout een estrade opgericht: het tooneel. Daar zal de komedie van Tondo wondere dingen vertoonen, en met de goden wedijveren in onwaarschijnlijkheden. Daar zullen zingen en dansen Marianito, Chananay, Balbino, Ratia, Carvajal en hoe ze verder heeten mogen. De Filippijner houdt van tooneelspel en woont de dramatische voorstellingen met hartstocht bij, luistert stil naar het zingen, bewondert het dansen en de mimiek, fluit niet uit, maar juicht evenmin toe. Als hem de voorstelling niet bevalt, wel dan verschuift hij zijn woejoe of sirih-pruimpje, en gaat heen zonder de andere menschen te hinderen, die er misschien wel pleizier in hebben. Alleen joelt zoo nu en dan het lage volk wanneer de akteurs de aktrices kussen, maar verder gaat dat niet. Vroeger tijd stelde men alleen drama's voor. De dorps-poëet maakte een stuk, waarin iedere twee minuten bepaald een gevecht moest voorkomen, verder een "jocoso" of komiek en ijzingwekkende tooneelveranderingen. Doch sinds de Tondosche artiesten iedere vijftien seconden gingen kloppen, kregen ze twee komieken, en begonnen ze nòg onaannemelijker zaakjes te vertoonen, doodden ze hun kollega's uit de provincie.

De burgemeester was er verzot op, en koos na overleg met den pastoor, het blijspel: "Prins Villardo of de verlossing der slaven uit de snoode spelonk", een stuk met toover-effekten en vuurwerk.

Van tijd tot tijd luidden de klokken met vroolijk geluid, dezelfde klokken die tien dagen te voren zoo'n droevigen toon hadden laten hooren. Vuur-raadjes en donderpotten doen de lacht daveren: de Filippijnsche vuurwerker die zijn kunst geleerd heeft zonder eenige bekende meester, gaat zijn bekwaamheden aan den dag leggen, werkt druk aan zijn "stieren," zijn vuur-kasteelen met bengaalsch licht, papier-ballons gevuld met warme lucht, "briljant-wielen", bommen, vuurpijlen en wat niet al.

Hoor, daar klinkt muziek in de verte. De jongens loopen ijlings het dorp uit, om de muziekkorpsen te begroeten. Er zijn er vijf gehuurd, ongerekend de drie orkesten. De muziek van Parsanghan, 't eigen korps van de notaris, mag niet ontbreken evenmin als dat van 't dorp S. P. de T., dat toentertijd beroemd was, omdat het gedirigeerd werd door de "maestro" Austria, bijgenaamd "Cabo Mariano", Mariannen-opperhoofd, de zwerveling, die, naar men zegt, roem en harmonie brengt bij den eersten zwaai van zijn dirigeer-stok. De muziek-kenners roepen over zijn doodenmarsch "De Wilg", en betreuren het dat hij geen muzikale opleiding gehad heeft, want met zijn genie zou hij anders de glorie van zijn land geworden zijn.

De muziek komt het dorp binnen onder het spelen van vroolijke marschwijzen, gevolgd door schunnig gekleede en half naakte kinderen. De eene draagt 't baadje van zijn broer, een ander de broek van zijn vader. Zoodra de muziek opgehouden is, kennen ze de melodie van buiten, neuriën of fluiten die na met zonderlinge zuiverheid en geven hun oordeel erover ten beste.

In den tusschentijd komen zoetjes-aan in boeren-karren, "kalessen" en gewone rijtuigen de verwanten, de vrienden, de onbekenden, de spelers en wedders van beroep met hun beste hanen, met zakken goud, bereid om hun fortuintjes te wagen, 't zij op 't groene laken, 't zij binnen de "rueda" van de hane-vechtplaats.

"De alférez heeft voor iederen avond vijftig pesos!" mompelt een klein dik kereltje in 't oor der pas aangekomenen. "Capitán Tiago komt straks en zal bank houden. Capitán Joaquin brengt achttien duizend pesos. Er zal ook 'liam-po' gespeeld worden: de Chinees Carlos houdt het spel met een kapitaal van tien duizend. Van Tanaun, van Lipa en van Batangas, als ook van Santa Cruz komen groote inzetten. 't Wordt grootscheeps! 't Wordt grootscheeps! Maar gebruikt een kop chocola. Dit jaar zal Capitán Tiago ons niet meer villen, zooals verleden jaar: hij heeft dezen keer maar drie dankmissen bekostigd, en ik heb een heele moetia kakao. [25] En hoe gaat het met de familie thuis?"

"O goed, dank u!" antwoordden de vreemdelingen. "En hoe is 't met Pater Dámaso?"

"Pater Dámaso preekt 's morgens, en 's avonds gaat hij met ons een kaartje leggen."

"Mooi zoo, mooi zoo! Dan is er heelemaal geen gevaar!"

"Volkomen veilig, we zijn absoluut zeker! De Chinees Carlos laat bovendien los!"

En de kleine dikkerd maakte met zijn vingers een gebaar alsof hij geld telde.

Buiten trokken de bergmenschen, de kasama, hun beste plunje aan, om naar het dorp te komen en daar aan hun compagnons-geldschieters gemeste kippen, wilde varkens, herten en gevogelte te brengen. Dezen laadden op de zware karren brandhout, genen fruit, slingerplanten, de zeldzaamste die in 't bosch groeien, anderen brachten breedgebladerde sagà biga [26] en struiken met hun vuurroode bloemen, om er de deuren der huizen mee te versieren.

Doch waar de meeste drukte heerschte—zoodat het zelfs wel een oploop leek—was daar ginds op een soort ruime ophooging, op eenige schreden van Ibarra's huis. Er knarsen katrollen, men hoort er kreten, het metaal-achtig geluid van steen-houwen, het geklop van hamers op spijkers, het gekap van bijlen op balken.

Een menigte menschen zijn bezig een breed en diep gat te graven. Anderen leggen steenen op rijen, die zoo juist uit de steengroeven zijn gehaald, ontladen karren, hoopen zand op, stellen draaibanken en wind-assen op...

"Hier! Dat daar! Vlug wat!" riep een oud kereltje met een opgewekt en verstandig gezicht, die een meter met koperen kantjes in de hand had, en een schietlood aan een touwtje daarom heen geslingerd. Het was Señor Juan, de baas van 't werk, de bouwmeester, metselaar, timmerman, witter, slotenmaker, steenhouwer en—soms ook—beeldhouwer.

"We moeten nu nog klaar komen! Morgen kan er niet gewerkt worden, en overmorgen is het feestdag. Vlug wat!"

"Maak het gat zóó, dat deze cylinder er precies in past!" zeide hij tot een paar steenhouwers die bezig waren een grooten vierkanten steen te polijsten. "Hier binnen-in worden onze namen bewaard."

En hij herhaalde aan iedere vreemdeling die kwam kijken wat hij al honderden malen gezegd had.

"Weet u wat we hier gaan bouwen? Een school, een model dingetje, net als die in Duitschland, beter nog! Het plan is door den architekt R. gemaakt en ik, ik ben de baas van 't werk! Ja, meneer, kijkt u 's, dit wordt een paleis met twee vleugels: een voor de jongens, en een voor de meisjes. Hier in 't midden komt een groote tuin met drie fonteinen; daar, op zij, worden boomen gezet, en daartusschen-in komen moestuintjes, waar de kinderen in hun vrijen tijd kunnen zaaien en planten: zoo maken ze er een nuttig gebruik van en vermorsen hun tijd niet. Kijkt u 's hoe diep de fondamenten gaan! Drie meter vijf en zestig, alsjeblief! Het gebouw krijgt kelders, onderaardsche kamers, waar de ondeugende kinderen kunnen opgesloten worden. Die komen dicht, heel dicht bij de speelplaats en 't gymnastieklokaal, dan kunnen de gestraften hooren hoe de goed oppassende kinderen pret hebben. Ziet u die groote, open ruimte? Dat wordt het speelveld voor de jongens, daar kunnen ze in de open lucht vrij loopen en springen. De meisjes krijgen een tuin met banken, schommels, rijen boomen voor het komba-spel [27], fonteinen, groote vogelkooien enz.

"O, 't wordt alles prachtig!"

En Ñor [28] Juan wreef zich in de handen bij de gedachte aan de eer die hij met zijn werk zou inoogsten. Er zouden vreemdelingen komen om het te zien, en die zouden vragen: "Wie is de groote bouwmeester die dàt werk uitgevoerd heeft?"

"Weet u dat niet? Wel, 't is haast niet te gelooven dat u Ñor Juan niet zoudt kennen! U komt stellig van heel ver," zou iedereen antwoorden.

Vervuld van deze gedachten liep hij van 't eene uiteinde naar 't andere, keek en pluisde alles na.

"Dat 's veel te veel hout voor een hijschtoestel, zeg!" zeide hij tot een geelkleurigen man, die eenige werklieden aan 't werk had; "dat zou ik doen van drie lange stukken bij wijze van drievoet, met nog drie andere als dwarshouten."

"Aba!" antwoordde de gele man en lachte eigenaardig, "hoe meer omslag we maken, hoe meer effekt ons werk zal hebben. Het geheel heeft dan meer aanzien, wordt voornamer. En de menschen zullen zeggen: 'wat is er gewerkt!' U zult 's zien hoe 'n hijschtoestel ik in elkaar zet! Ik zal 't daarna opsieren met bladerrollen, met slingers van blâren en bloemen. Dan zal 't u genoegen doen, dat u mij onder uw werklui heeft aangenomen. En meneer Ibarra zal niet meer kunnen verlangen."

En de man lachte weer, en glimlachte; Ñor Juan lachte ook flauwtjes, en schudde 't hoofd.

Op eenigen afstand van daar zag men eenige kiosken, onder elkaar verbonden door een soort overdekte gang met een dak van pisangblaren.

De schoolmeester was met een dertigtal jongens bezig kransen te vlechten en vlaggen vast te maken aan de met geplooid wit doek overtrokken bamboe-stijltjes.

"Jullie moeten de letters mooi schrijven, hoor!" zeide hij tot de knapen, die voor de opschriften moesten zorgen.

"De burgemeester komt, er zullen ook veel pastoors bij 't feest komen, misschien komt de Capitán Generaal [29] want die is in de provincie. Als die heeren zien dat jullie mooi teekenen, dan prijzen ze jullie misschien?"

"En geven ze ons dan een schoolbord?"

"Wie weet. Maar meneer Ibarra heeft er al een uit Manila besteld. Morgen zullen er eenige dingen aankomen, die onder jullie als prijzen verdeeld zullen worden... Och, laat die bloemen maar in 't water: morgen zullen we wel de bouquetten maken. Jullie moeten nog meer bloemen halen, want de tafel moet er mee bedekt zijn. Bloemen zijn zoo vroolijk voor 't gezicht."

"Mijn vader zal morgen baïno-bloemen en een mand tjempaka's meebrengen."

"De mijne heeft drie groote karren vol zand gebracht, en ze hebben hem niet betaald."

"Mijn oom heeft beloofd een onderwijzer te bekostigen," voegde een neef van Capitán Basilo eraan toe.

Inderdaad had het plan bijna bij iedereen sympathie ontmoet. De pastoor had verzocht zelf beschermheer te mogen wezen en den eersten steen te leggen: een plechtigheid die op den laatsten dag van 't feest plaats zou hebben en een der voornaamste punten van 't program zou uitmaken. Zelfs was de coadjutor schuchter bij Ibarra gekomen, om hem al de missen aan te bieden die de vromen voor hem betalen zouden tot de voltooiing van 't gebouw toe. Meer nog: zuster Rufa, de rijke zuinige dame, had gezegd dat als er soms geld te kort kwam, zij wel in eenige dorpen zou rondgaan, om aalmoezen te vragen. Ze stelde alleen maar als voorwaarde dat ze de reis- en verblijfkosten betaald kreeg en zoo meer. Ibarra dankte haar en antwoordde:

"We zouden niet veel ophalen, want ik ben niet rijk, en dit gebouw wordt ook geen kerk. Bovendien heb ik niet beloofd het te zullen oprichten op een andermans kosten."

De jongelieden, de studenten, die uit Manila kwamen om 't feest te vieren, bewonderden hem, en namen hem tot voorbeeld. Helaas keken enkelen alleen naar de manier waarop hij zijn das toeknoopte, anderen naar zijn halsboord, en verscheidenen van hen naar het aantal knoopen van zijn jas en zijn vest.

De noodlottige voorgevoelens van den ouden Tasio schenen voor altijd gelogenstraft. Ibarra gaf dit eens op een dag te kennen, doch de oude zwartkijker antwoordde:

"Denk maar 's aan wat Baltasar zegt:

Treedt hij bij uw aankomst u blij tegemoet,
Met vriendlijk gebaar en met hartelijken groet,
Voorzichtig dan maar, want die vriendlijke man,
Is wellicht uw vijand, die zint op verraad.

Die Baltasar was even goed dichter als denker."

Deze en andere voorvallen meer hadden plaats op den dag voor het feest, voor 't ondergaan der zon.