Licht en schaduw.
Terwijl men te San Diego vlaste op de komende feestelijkheden, praatte men er druk en sprak men er kwaad: over den burgemeester, over zijn "teniënte", over de partij der "jongen"; ja, er waren er die Jan en Alleman van allerlei leelijks ter zake dier feesten beschuldigden.
Men praatte ook over de komst van Maria Clara samen met haar tante Isabel. Men verheugde zich daarover, omdat men van haar hield. En tegelijkertijd dat velen verrukt waren over haar toegenomen schoonheid, verbaasden ze zich over de verandering die ze in 't wezen van Padre Salvi opmerkten.
"Hij is dikwijls afgetrokken, wanneer hij de mis bedient. Hij spreekt niet veel meer met ons, en hij wordt zienderoogen magerder en stiller." Zoo spraken zijn vrouwelijke biechtelingen. Zijn kok zag hem met het uur afvallen en beklaagde zich over de geringe eer die hij zijn gerechten bewees. Doch wat het meest de praatjes gaande maakte, was het feit dat men 's nachts in 't klooster meer dan twee lichten kon zien, terwijl Padre Salvi op bezoek was bij een partikulier... in 't huis van Maria Clara! De vrome vrouwtjes sloegen kruisen, maar gingen onderwijl rustig voort met hun gebabbel.
Juan Crisóstomo Ibarra had getelegrafeerd uit de provincie-hoofdplaats om tante Isabel en haar nichtje te begroeten, maar had geen verklaring gegeven van zijn wegblijven. Velen waren in den waan dat hij gevangen zat wegens zijn optreden jegens Padre Salvi op den bewusten avond van Allerheiligen. Doch de nieuwsgierige belangstelling bereikte haar toppunt, toen men hem in den namiddag van den derden dag uit een rijtuig zag stappen voor de kleine woning zijner aanstaande, en men hem hoffelijk den geestelijke zag groeten, die zich eveneens daarheen begaf.
Om Sisa en haar kinderen bekommerde zich niemand...
Het huis van Maria Clara was een keurig nestje, verscholen tusschen oranjeboomen en ilang-ilang.
De twee jongelieden zaten er, kort na Ibarra's aankomst, aan een venster, dat uitzag op het meer. 't Was overschaduwd door bloemen en klimplanten, die langs bamboe- en ijzerdraad er om heen geleid waren en er een zachte geur verspreidden.
Zijn lippen stamelen woorden, teederder dan het gesuizel der bladeren en geuriger dan de aromadoorwasemde lucht, die den tuin vervult. Het was het uur waarop de Sirenen van het meer, gebruikmakend van het halfdonker der korte avondschemering, hun vroolijke kopjes opsteken boven de golven, om de stervende zon te bewonderen en met hun zangen te begroeten. Men zegt dat ze blauwe oogen en blauwe haren hebben, dat ze kransen dragen van waterplanten met witte en roode bloemen.
Men zegt dat van tijd tot tijd het blanke schuim hun fijnbelijnde lichaamsvormen blootgeeft, vormen nòg blanker dan dat schuim, en dat, als straks de nacht geheel gevallen is, ze hun zielsverrukkende spelen beginnen en geheimzinnige accoorden laten klinken als van aeolus-harpen.
De jongelieden hadden reeds een heele poos met elkaar gesproken, toen Ibarra tot Maria Clara zeide: "Morgen vóór dag en dauw zal er gebeuren wat je verlangt, vannacht zal ik alles in orde maken, zoodat er niets aan ontbreekt."
"Dan zal ik aan mijn vriendinnen schrijven dat ze komen moeten. Zorg vooral dat de pastoor niet meegaat!"
"Waarom dat?"
"Wel omdat 't net is alsof hij me bespiedt. Zijn holle sombere oogen doen me onaangenaam aan.
"Als hij naar me kijkt, word ik bang. Als hij met me spreekt, klinkt zijn stem zoo vreemd ... Hij heeft het dan over zulke vreemde dingen. Hij vroeg me eens, of ik niet gedroomd had van brieven van mijn moeder. Ik geloof dat hij half gek is. Mijn vriendin Sinang en Andeng, mijn zoogzusje, zeggen dat hij bepaald wat onwijs is, want hij eet niet en hij baadt zich niet, en woont in 't donker. Maak toch dat hij niet meegaat!"
"We kunnen hem onmogelijk overslaan," antwoordde Ibarra in gedachten. "'t Gebruik in 't land wil dat nu eenmaal. Hij komt bij je aan huis, en bovendien heeft hij zich tegenover mij bijzonder edelmoedig gedragen. Toen de burgemeester hem sprak over de zaak die je weet, heeft hij niets dan goed van me gezegd, en er niet aan gedacht het minste bezwaar op te werpen. Maar ik zie dat je een ernstig gezicht zet. Kom, heb maar geen zorg: hij kan toch niet met ons mee in de 'bangka.'" [17]
Er klonken lichte voetstappen: het was de pastoor die naderbij kwam met een gedwongen glimlach op de lippen.
"De wind is koud!" zeide hij, "als men nu een kou vat, raakt men die niet kwijt voordat de warme tijd begint. Zijt u niet bang, om verkouden te worden?"
Zijn stem klonk beverig en zijn blikken richtten zich naar den verren horizon. Hij keek niet naar de jongelieden.
"Integendeel: de avond lijkt ons aangenaam en de wind heerlijk!" antwoordde Ibarra. "In deze maanden hebben we onzen herfst en onze lente tegelijk: er vallen wat blaren af, maar er komen ook altijd bloemen."
De geestelijke zuchtte.
"Ik vind dat samengaan van die twee jaargetijden, zonder dat er een koude winter volgt, heerlijk", ging Ibarra voort.
"In Februari spruiten de loten van de vruchtboomen uit en in Maart hebben we al rijpe vruchten. Wanneer de warme maanden komen, gaan we ergens anders heen."
Fray Salvi glimlachte. Ze begonnen over onverschillige dingen te praten, over 't weer, over 't dorp, over 't feest. Maria Clara zocht een voorwendsel om heen te gaan, en verwijderde zich.
"Nu we toch over feestelijkheden spreken: sta me toe dat ik u uitnoodig voor een feest dat we morgen vieren, 't Is een buitenpartijtje, dat onze vrienden en wij elkaar aanbieden."
"En waar zal dat plaats hebben?"
"De jonge meisjes willen het houden aan de rivier, in 't bosch hier in de buurt, dicht bij de baliti. We zullen daarom vroeg moeten opstaan, om te maken dat we geen last van de zon hebben."
De geestelijke dacht even na. Daarna antwoordde hij:
"De invitatie is erg aanlokkelijk en ik neem die aan, om u te toonen dat ik u geen wrok toedraag. Maar ik zal wat later moeten komen, om eerst mijn plichten af te doen. U bent wel gelukkig, vrij te zijn, zoo heelemaal vrij!"
Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, om voor het partijtje van den volgenden dag te gaan zorgen.
't Was reeds geheel donker.
Op straat kwam er iemand naar hem toe, die hem eerbiedig groette.
"Wie bent u?" vroeg Ibarra hem.
"U kent mijn naam niet, heer," antwoordde de onbekende. "Ik heb twee dagen op u gewacht."
"Hoe zoo?"
"Omdat ze nergens medelijden met me hebben, omdat ze zeggen dat ik een bandiet ben, heer! Maar ik heb mijn kinderen verloren, mijn vrouw is krankzinnig en ze zeggen dat ik mijn verdiende loon heb!"
Ibarra nam den man snel van hoofd tot voeten op en vroeg:
"Wat wilt u nu?"
"Uw medelijden inroepen voor mijn kinderen!"
"Ik kan hier niet blijven stilstaan," antwoordde Ibarra.
"Als u me volgen wil, kan u onderweg me vertellen wat u overkomen is."
De man dankte, en weldra verdwenen ze samen in de duisternis der slecht-verlichte straten.