Ivanhoe · Walter Scott (translated by M. P. Lindo)

Chapter 44: Hoofdstuk 44

Zoo loopt het ten einde, gelijk een oud' wijven sprookje.

Webster.

Toen de eerste oogenblikken van verbazing voorbij waren, vroeg Wilfrid van Ivanhoe aan den Grootmeester, als kamprechter, of hij zijn plicht in het gevecht manhaftig en eerlijk gedaan had?

"Manhaftig en eerlijk," antwoordde de Grootmeester; "ik verklaar het meisje voor vrij en onschuldig!--De wapens en het lijk van den overleden ridder zijn ter beschikking des overwinnaars."

"Ik wil hem van zijne wapens niet berooven," hernam de ridder van Ivanhoe; "en zijn lichaam niet aan de schande prijs geven;--hij heeft vroeger voor de Christenheid gestreden;--Gods arm, en geene menschenhand heeft hem heden ter neêr geveld. Maar laat zijne begrafenis stil zijn, gelijk het betaamt voor iemand, die in eene onrechtvaardige zaak gesneuveld is.--En wat het meisje betreft,--"

Hier werd hij verhinderd voort te gaan door het getrappel van paarden, welke in zulk een groot aantal en zoo schielijk aankwamen, dat de grond er onder dreunde; en de Zwarte Ridder joeg in het strijdperk, gevolgd door een talrijke bende gewapenden en verscheidene ridders, in volle wapenrusting.

"Ik kom te laat!" zei hij, rondziende. "Ik had Bois-Guilbert voor mijn eigen deel uitverkoren—Ivanhoe, was het goed gedaan, dat gij zulk een waagstuk op u naamt, daar gij nog nauwelijks in staat waart in den zadel te blijven?"

"De hemel," antwoordde Ivanhoe, "heeft dezen trotschen man tot zijn slachtoffer verkozen, mijn Vorst. Hem moest de eer niet wedervaren, door uw hand te sterven."

"Vrede zij met hem!" zei Richard ernstig op het lijk starende, "als het zoo zijn kan:--hij was een dapper ridder, en is ridderlijk in zijn stalen harnas gestorven. Maar wij moeten geen tijd verspillen.--Bohun, verricht uw ambt!"

Een ridder uit des Konings gevolg trad voor, en de hand op den schouder van Albert de Malvoisin leggende zei hij: "Ik neem u in hechtenis, wegens hoogverraad!"

De Grootmeester had tot hiertoe verbaasd gestaan over de verschijning van zoo vele krijgslieden. Thans sprak hij: "Wie durft een ridder van den Tempel van Sion binnen den omtrek van zijn eigene Preceptorij en in tegenwoordigheid van den Grootmeester, in hechtenis nemen? En op wiens gezag geschiedt deze stoute beleediging?"

"Ik neem hem in hechtenis," hernam de ridder;--"Ik, Henry Bohun, Graaf van Essex, Groot-Connetable van Engeland."

"En hij neemt Malvoisin in hechtenis," zei de Koning, zijn vizier openende, "op bevel van Richard Plantagenet, hier tegenwoordig. Conrad Mont-Fitchet, het is uw geluk, dat gij niet mijn onderdaan van geboorte zijt.--Maar wat u betreft, Malvoisin, gij sterft met uw broeder Philips, eer de wereld een week ouder wordt!"

"Ik verzet mij tegen uw vonnis," zei de Grootmeester.

"Trotsche Tempelier," hervatte de Koning, "dat kunt gij niet;--zie, de koninklijke standaard van Engeland wappert boven uw torens in plaats van de banier van uw Tempel!--Wees verstandig, Beaumanoir, en bied geen nutteloozen tegenstand.--Uwe hand is in den leeuwenmuil!"

"Ik zal te Rome tegen u appelleeren," zei de Grootmeester, "wegens inbreuk op de rechten en vrijheden van onze Orde."

"Het zij zoo!" hernam de Koning; "maar om uw eigen wil, beschuldig mij thans niet van overweldiging.--Ontbind uw Kapittel, en vertrek met uw aanhangers naar de naaste Preceptorij, welke geen tooneel van verraderlijke samenzwering tegen den Koning van Engeland geworden is, indien gij een dusdanige vinden kunt.--Of, zoo gij wilt, blijf dan, om in onze gastvrijheid te deelen, en onze gerechtigheid te aanschouwen."

"Ik een gast in het huis, waar ik bevelen moest?" zei de Tempelier. "Nooit!--Kapelanen, heft den Psalm aan: Quare fremuerunt gentes?--Ridders, knapen en dienaren van den heiligen Tempel, bereidt u om de banier van Beau-Séant te volgen!"

De Grootmeester sprak met eene waardigheid, welke zelfs die van Engelands Koning evenaarde, en zijn verrasten en verschrikten aanhangers moed inboezemde. Zij verzamelden zich rondom hem, gelijk de schapen rondom den herdershond, als zij het gehuil van den wolf hooren. Maar zij vertoonden de vreesachtigheid van de wollige kudde niet;--hun sombere blikken en houding gaven eene vijandige gezindheid en bedreigingen te kennen, welke zij niet in woorden durfden uitdrukken. Zij trokken bijeen, één donkere reeks van speren vormende, waarin de witte mantels der ridders uitblonken tusschen de sombere kleeding van hun dienaars, gelijk de lichte randen van een zwarte wolk. De menigte, welke luide kreten van haat had doen hooren, zweeg en zag in stilte op de geduchte en ervarene bende, welke zij op een zoo onbedachtzame wijze getergd had, en week vreesachtig terug.

De Graaf van Essex gaf, toen hij de Tempeliers dus verzameld zag, zijn paard de sporen, en rende heen en weêr om zijn lieden tegen een zoo geduchte bende in slagorde te scharen. Richard alleen, alsof hij het gevaar beminde, hetwelk zijne verschijning uitgelokt had, reed langzaam voorbij het front der Tempeliers, luid roepende: "Hoe, mijn heeren! is er onder zoo vele dappere ridders geen één, die een lans met Richard durft breken?--Heeren van den Tempel! uw dames moeten erg door de zon verbrand zijn, als zij de splinters van een gebroken lans niet waard zijn!"

"De broeders van den Tempel," zei de Grootmeester, uit de rij voorwaarts rijdende, "vechten niet in zulk eene ijdele, onheilige zaak,--en geen Tempelier zal in mijne tegenwoordigheid een lans tegen u opheffen, Richard van Engeland. De paus en de Vorsten van Europa zullen onzen strijd beslissen en beoordeelen, of een Christen-Vorst wel doet eene zoodanige zaak voor te staan, als gij heden gedaan hebt. Zoo men ons ongemoeid laat vertrekken, zullen wij niemand aanvallen. Aan uwe eer vertrouwen wij de wapens en het huisraad van de Orde, welke wij achterlaten, en uw geweten verantwoorde de ergernis en den hoon, welke gij heden het Christendom hebt aangedaan!"

Na dit gezegd te hebben en zonder een antwoord af te wachten, gaf de Grootmeester het teeken tot het vertrek. De trompetten lieten een wilden marsch, in Oosterschen trant hooren, welke gewoonlijk het teeken tot den aanval voor de Tempeliers was. Zij veranderden hunne slagorde in een marsch-kolom, en reden weg, zoo langzaam als hunne paarden stappen konden, alsof zij toonen wilden, dat het slechts de wil van hun Grootmeester was en geene vrees voor de tegenover hen staande macht, die hen dwong om af te trekken.

"Bij het schitterend gelaat van onze Lieve Vrouw," zei Koning Richard, "het is jammer dat deze Tempeliers niet even goed te vertrouwen, als zij goed gedisciplineerd en dapper zijn!"

De menigte, die, gelijk een vreesachtige hond met blaffen wacht, tot het gevreesde voorwerp hem den rug gekeerd heeft, verhief een flauw vreugdegeschreeuw, toen de achterhoede de plaats verliet.

Gedurende het gedruisch, dat den terugtocht der Tempeliers vergezelde, zag en hoorde Rebekka niets;--zij lag in de armen van haar ouden vader, verward en bijna bewusteloos door den plotselingen ommekeer van haar lot. Maar één woord van Izaäk riep eindelijk haar verwarde zinnen terug.

"Laat ons gaan, mijne dierbare dochter," zei hij; "mijn herwonnen schat,--laat ons gaan, om ons aan de voeten van den goeden jongeling te werpen!"

"Dat niet," antwoordde Rebekka, "o neen,--neen,--neen!--Ik durf op dit oogenblik niet met hem spreken.--Helaas! ik zou meer zeggen dan—neen, vader, laten wij dadelijk deze ongelukkige plaats verlaten!"

"Maar, mijne dochter," zei Izaäk, "hem zóó te verlaten, die als een sterk man met speer en schild is opgetrokken, zijn leven voor niets achtende, zoo hij u maar uit de gevangenschap redde; en u, de dochter van een volk, dat vreemd voor hem en de zijnen is!--Dit is een dienst, die dankbaar moet erkend worden!"

"Hij wordt zeer dankbaar,--zeer ootmoedig erkend,--en zal nog meer erkend worden;--maar thans niet;--ter liefde van uwe beminde Rachel, vader,--willig mijn verzoek in,--thans niet!"

"Ja maar," zei Izaäk dringende,--"men zal ons voor ondankbaarder houden dan de stomme dieren."

"Maar gij ziet, lieve vader, dat Koning Richard tegenwoordig is, en dat--"

"Het is waar, mijne beste,--mijne verstandige Rebekka! laat ons van hier gaan;--laat ons van hier gaan!--Hij zal geld noodig hebben, want hij is pas uit Palestina teruggekeerd, en, gelijk men zegt, uit de gevangenis;--en zoo hij eenig voorwendsel noodig heeft het te vorderen, dan kan hij zulks vinden in mijn verkeer met zijn broeder Jan. Kom, kom, laat ons gaan!"

Nu dreef hij zijne dochter op zijne beurt tot spoed aan, geleidde haar uit het strijdperk en bracht haar met een wagen, dien hij gereed had, veilig naar het huis van den Rabbijn Nathan.

De Jodin, wier lot aller belangstelling op dien dag opgewekt had, zou niet aldus onopgemerkt hebben kunnen vertrekken, zoo niet de aandacht van het volk op den Zwarten Ridder gevestigd geweest ware. Men verhief thans luide kreten van: "Lang leve Richard Leeuwenhart! Weg met de overweldigers! Weg met de Tempeliers!"

"In weerwil van deze schijnbare getrouwheid," zei Ivanhoe tot den Graaf van Essex, "was het een geluk, dat de Koning de voorzorg gebruikte u mede te brengen, edele Graaf, en zoo vele van uw getrouwe aanhangers!"

De graaf antwoordde met een glimlach, het hoofd schuddende: "Dappere Ivanhoe, gij kent onzen heer zoo goed, en echter gelooft gij, dat hij eene zoo wijze voorzorg zou nemen? Ik trok naar York, daar ik gehoord had, dat Prins Jan aldaar eene partij verzamelde, toen ik Koning Richard ontmoette, als een ware dolende ridder hierheen rijdende, om het lot van den Tempelier en der Jodin met zijn arm alleen te beslissen. Ik vergezelde hem bijna tegen zijn wil met mijne bende."

"En welke tijdingen zijn er van York, dappere Graaf?" vroeg Ivanhoe. "Zullen de rebellen ons daar tegenstand bieden?"

"Niet meer dan de December-sneeuw aan de Juli-zon," antwoordde de Graaf; "zij gaan uit elkander, en niemand anders kwam als koerier om ons deze tijding te brengen, dan Prins Jan zelf!"

"Die verrader! die ondankbare, onbeschaamde verrader!" riep Ivanhoe. "Heeft Richard hem niet in de gevangenis laten werpen?"

"O!" hernam de Graaf, "hij heeft hem ontvangen, alsof ze elkander na eene jachtpartij ontmoet hadden; en op mij en onze gewapenden wijzende, zei Richard: "Gij ziet, broeder, ik heb eenige vertoornde mannen bij mij;--gij zult best doen naar onze moeder te gaan, haar mijne onderdanige groeten over te brengen, en bij haar te blijven tot de gemoederen bedaard zijn!""

"En dit was alles, wat hij zei?" hervatte Ivanhoe. "Zou men niet zeggen, dat deze vorst juist door zijne goedertierenheid tot oproer uitnoodigt?"

"Evenals men zeggen kan," hernam de graaf, "dat hij den dood uitnoodigt, die een strijd onderneemt met eene gevaarlijke wonde, welke nog niet geheeld is."

"Ik vergeef u de scherts, graaf," zei Ivanhoe; "bedenk echter, dat ik slechts mijn eigen leven waagde;--maar Richard de welvaart van zijn koninkrijk."

"Zij, die geheel zorgeloos zijn omtrent hun eigen welzijn," hernam de Graaf, "zijn zelden zeer bezorgd om dat van anderen.--Maar laten wij ons naar het kasteel spoeden, want Richard is van zin, om eenigen van de mindere deelgenooten der samenzwering te straffen, ofschoon hij hun aanvoerder vergiffenis geschonken heeft."

Uit het gerechtelijke onderzoek, dat bij deze gelegenheid volgde, en hetwelk het Wardour Handschrift uitvoerig mededeelt, blijkt, dat Maurice De Bracy over zee ontsnapte en in dienst van Philips van Frankrijk ging; terwijl Philips De Malvoisin en zijn broeder Albert, Preceptor van Templestowe, ter dood gebracht werden, ofschoon Waldemar Fitzurse, de ziel der samenzwering, met verbanning vrij kwam, en Prins Jan, om wiens wille alles ondernomen werd, zelfs geen verwijt van zijn goedaardigen broeder ontving. Niemand betreurde evenwel het lot der beide Malvoisins, daar ze slechts den dood ondergingen, welken beiden door allerlei daden van trouweloosheid, wreedheid en onderdrukking ruimschoots verdiend hadden.

Kort na het tweegevecht, werd Cedric de Sakser aan het Hof van Richard geroepen, die toen te York vertoefde, ten einde de graafschappen, welke door zijns broeders eerzucht verontrust waren, weder te bevredigen. Cedric schudde het hoofd, en zuchtte meer dan eens over de boodschap;--maar hij weigerde niet te gehoorzamen. Inderdaad had Richard's terugkomst alle hoop, die hij gekoesterd had om eene Saksische dynastie in Engeland te herstellen den bodem ingeslagen; want, welk voordeel ook de Saksers uit een burgeroorlog hadden kunnen trekken, het was duidelijk, dat niets van belang geschieden kon tegen het onbetwiste gezag van Richard, die wegens zijne persoonlijke hoedanigheden en zijn krijgsroem bij het volk bemind was; ofschoon zijne regeering willekeurig en zorgeloos was,--nu eens te toegevend en dan weder te nauw aan willekeur grenzende.

Maar buitendien kon het Cedric niet ontgaan, dat zijn ontwerp voor een volkomene vereeniging der Saksers door het huwelijk van Rowena en Athelstane, nu geheel te niet gegaan was door de tegenkanting der beide daarin betrokken partijen. Dit was wezenlijk een voorval, hetwelk hij, bij zijn ijver voor de zaak der Saksers niet had kunnen voorzien; en zelfs toen beider ongenegenheid zich klaar en duidelijk geuit had, kon hij nauwelijks gelooven, dat twee Saksers van koninklijken stam zich om persoonlijke redenen tegen eene verbintenis verzetten zouden, welke voor het welzijn der natie hem zoo noodzakelijk scheen. Maar dit was toch zeker: Rowena had altijd haar afkeer van Athelstane te kennen gegeven, en thans was deze niet minder vast en stellig in zijn besluit, om geene aanspraak op de hand van Jonkvrouw Rowena te maken. Zelfs de aangeborene hardnekkigheid van Cedric bezweek onder deze hinderpalen, daar hij, op hunne vereeniging staande, zou verplicht geweest zijn aan iedere hand een onwilligen verloofde naar het altaar te sleepen. Hij deed echter nog een laatsten krachtdadigen aanval op Athelstane, en hij vond dien wedergeboren spruit der Saksische koningen, evenals de landedellieden onzer dagen, in een woedenden oorlog tegen de geestelijkheid gewikkeld.

Het schijnt, dat na al zijne doodelijke bedreigingen tegen den Abt van St. Edmunds klooster, Athelstane's wraakzucht gedeeltelijk door zijne natuurlijke loomheid en goedaardigheid van karakter, gedeeltelijk door de beden van zijne moeder Edith, welke, gelijk de meeste vrouwen (van dien tijd), aan de geestelijke heeren verkleefd was, daarop was uitgeloopen, dat hij den Abt en zijne monniken gedurende drie dagen bij magere kost in de gevangenissen van Coningsburgh gehouden had. Voor deze wreedheid bedreigde de Abt hem met den ban, en maakte eene geduchte lijst van klachten op over pijn in de ingewanden en in de maag, welke hij zelf en zijne monniken, ten gevolge van de tirannieke en onrechtvaardige gevangenzetting, geleden hadden. Cedric vond het gemoed van zijn vriend zoo geheel en al vervuld met dezen twist en de middelen, welke hij bij de hand genomen had om de geestelijke vervolging te ontgaan, dat hij voor geen ander denkbeeld vatbaar was. En toen Rowena's naam genoemd werd, verzocht de edele Athelstane verlof om een vollen beker op hare gezondheid en op hare spoedige vereeniging met zijn neef Wilfrid te mogen ledigen. De zaak was dus wanhopig. Er was klaarblijkelijk niets meer met Athelstane te beginnen; of, zooals Wamba het uitdrukte in eene spreekwijze, welke van den tijd der Saksers tot op ons is gekomen, hij was "een haan, die niet vechten wilde."

Cedric had nog slechts twee bezwaren tegen het huwelijk der minnenden te overwinnen;--zijne eigene hardnekkigheid en zijn afkeer tegen de Normandische dynastie. Het eerste week allengs voor de liefde jegens zijn pupil en den trots welken hij over den roem van zijn zoon gevoelde. Buitendien was hij niet ongevoelig voor de eer om zijn eigen stam met dien van Alfred te vereenigen, nu de afstammeling van Eduard den Belijder zijne hoogere aanspraken voor altijd had laten varen. Cedric's afkeer van den Normandischen koningsstam was ook zeer ondermijnd,--vooreerst, door de onmogelijkheid om Engeland van de nieuwe dynastie te bevrijden, eene overtuiging, welke veel afdoet om getrouwheid bij den onderdaan te verwekken; en ten tweede, door de persoonlijke ingenomenheid van Koning Richard met hem, die in het openhartig karakter van Cedric behagen schepte, en, om de woorden van het Wardour Handschrift te gebruiken, zoo met den edelen Sakser "omsprong," dat, eer hij zeven dagen als gast aan het Hof geweest was, hij zijne toestemming tot het huwelijk van zijn pupil Rowena met zijn zoon Wilfrid van Ivanhoe gegeven had.

Het huwelijk van onzen held, dat dus plechtig door zijn vader goedgekeurd was, werd in dien heerlijken tempel, de hoofdkerk van York, voltrokken. De Koning was er zelf bij tegenwoordig, en door de wijze, waarop hij bij deze en andere gelegenheden de ongelukkige en tot hiertoe verachte Saksers behandelde, gaf hij hun een veiliger en zekerder vooruitzicht, dat ze hun billijke rechten zouden herkrijgen, dan ze ooit met eenige reden van de wisselvallige kansen van een burgeroorlog hadden kunnen verwachten. De kerk spreidde bij deze gelegenheid allen glans ten toon, welken de Roomsche geestelijkheid met zulk eene schitterende uitwerking weet te gebruiken.

Gurth, prachtig uitgedoscht als schildknaap, vergezelde zijn jongen meester, dien hij zoo getrouw gediend had, evenals de edelmoedige Wamba, versierd met een nieuwe kap, en een menigte prachtige, zilveren bellen. Daar deze beiden in Wilfrid's gevaren en tegenspoed gedeeld hadden, zoo deelden ze ook, gelijk ze recht hadden te verwachten, in zijn geluk.

Maar behalve door dit huiselijk gevolg, werd deze doorluchtige bruiloft vereerd door het bijzijn van vele edelgeboren Normandiërs zoowel als Saksers, waarbij zich het algemeen gejuich der mindere standen voegde, welke het huwelijk van deze twee personen als een onderpand van toekomstigen vrede en eensgezindheid tusschen twee stammen beschouwden, die sedert dien tijd zoo volkomen vereenigd zijn, dat het verschil tusschen beide onmerkbaar geworden is. Cedric beleefde de nauwere vereeniging tusschen de stammen; want, naarmate de twee volken in gezellig verkeer met elkander traden en huwelijken onder elkander sloten, vergaten ook de Normandiërs hunne minachting, en legden de Saksers hunne lompheid af.--Maar het was eerst onder de regeering van Eduard den Derde, dat de gemengde taal, welke thans Engelsch genoemd wordt, aan het hof te Londen gesproken werd, en de vijandige verhouding van Normandiër en Sakser geheel schijnt verdwenen te zijn.

Het was op den tweeden morgen na deze gelukkige verbintenis, dat Rowena door haar kamenier Elgitha onderricht werd, dat een meisje begeerde tot haar toegelaten te worden, en haar zonder getuige te spreken. Rowena verwonderde zich, aarzelde, werd nieuwsgierig, en eindigde met bevel te geven, dat het meisje zou binnengelaten worden, en dat hare bedienden zoolang buiten de kamer zouden blijven.

Ze trad binnen;--eene edele en fiere gestalte, terwijl de lange, witte sluier, in welken ze gewikkeld was, de aanvalligheid en het gebiedende van hare gestalte eerder overschaduwde dan bedekte. Hare houding was ook eerbiedig, zonder dat er de minste zweem van vrees, of eenige wensch om gunst te verwerven, in doorstraalde. Rowena was altijd gereed om de aanspraken van anderen te erkennen en haar deelneming in de gevoelens van anderen te betoonen. Ze stond op, en wilde de schoone vreemdelinge naar een stoel geleiden, maar de onbekende zag naar Elgitha, en gaf nog eenmaal haar wensch te kennen, om met Rowena alleen te spreken. Nauwelijks had Elgitha zich met dralende schreden verwijderd, of de schoone vreemdelinge knielde tot groote verbazing van de echtgenoote van Ivanhoe neder, drukte haar handen tegen haar voorhoofd, boog het hoofd tot op den grond, en kuste, in weerwil van Rowena's tegenstand, den geborduurden zoom van haar gewaad.

"Wat beteekent dat?" riep de verbaasde jonge vrouw; "waarom betoont ge mij eene zoo ongewone vereering?"

"Omdat ik aan u, de echtgenoote van Ivanhoe," antwoordde Rebekka, opstaande en weder met haar gewone bedaarde waardigheid, "op een rechtmatige en betamelijke wijze de dankbaarheid, welke ik aan Wilfrid van Ivanhoe verschuldigd ben, betoonen mag. Ik ben,--vergeef de stoutheid, waarmede ik u mijne hulde volgens de gebruiken van mijn stam bewezen heb,--ik ben de ongelukkige Jodin, voor wie uw echtgenoot zijn leven aan een zoo dreigend gevaar in het strijdperk van Templestowe blootstelde!"

"Meisje," hervatte Rowena, "Wilfrid van Ivanhoe vergold op dien dag slechts in geringe mate uwe onvermoeide zorgen voor hem in ziekte en ellende. Spreek, is er nog iets, waarin hij en ik u dienen kunnen?"

"Niets," hernam Rebekka bedaard, "dan dat ge hem een dankbaar vaarwel van mij overbrengt."

"Verlaat ge Engeland dus?" vroeg Rowena, ter nauwernood van hare verbazing over dit zonderling bezoek hersteld.

"Ik verlaat het land, eer de maan weêr verandert. Mijn vader heeft een broeder, die in hooge gunst staat bij Mohammed Boabdil, Koning van Grenada;--dáár gaan wij heen, zeker dat wij vrede en bescherming zullen genieten, tegen betaling van de schatting, welke de Muzelmannen van ons volk vorderen."

"En wordt gij in Engeland niet even goed beschermd?" vroeg Rowena. "Mijn echtgenoot staat in gunst bij den Koning;--de Koning zelf is rechtvaardig en edelmoedig."

"Edele vrouw," zei Rebekka, "ik twijfel er niet aan;--maar het volk van Engeland is een woest geslacht, dat altijd met zijne buren of onder elkander twist, en gereed is om het zwaard in zijns naasten hart te stooten. Ephraïm is een moedelooze duif,--Issaschar een gedrukte slaaf, die tusschen twee lasten gebukt gaat. Niet in een land van oorlog en bloed, omringd door vijandelijke naburen, en verscheurd door binnenlandsche partijen, kan Israël hopen van zijne omzwerving uit te rusten."

"Maar gij, meisje," zei Rowena, "gij kunt toch niets te vreezen hebben. Zij, die Ivanhoe aan zijn ziekbed opgepast heeft," ging zij voort, met geestvervoering opstaande, "kan in Engeland niets te vreezen hebben, waar Sakser en Normandiër wedijveren zullen, wie haar de meeste eer zal bewijzen."

"Uw woorden zijn edel," hernam Rebekka, "en uw voornemen nog schooner; maar het kan niet zijn;--er is een kloof tusschen ons. Onze opvoeding, ons geloof, beide verbieden ons om die te overschrijden. Vaarwel;--maar eer ik ga, sta mij één verzoek toe. De bruidssluier hangt nog over uw gelaat; licht dien op, en laat mij de trekken zien, welke zoo geroemd worden!"

"Ze zijn nauwelijks bezienswaardig," antwoordde Rowena; "maar van mijne bezoekster hetzelfde verwachtende, licht ik den sluier op."

Zij sloeg den sluier terug, en gedeeltelijk uit de bewustheid van hare schoonheid, gedeeltelijk uit bedeesdheid, bloosde zij zoo sterk, dat hare wangen, haar voorhoofd, haar hals en haar boezem met karmozijn bedekt werden. Rebekka bloosde ook, maar het was slechts een voorbijgaande opwelling; en daar zij door dieper gevoel bezield was, lag de blos slechts één oogenblik op haar gelaat, als de purperroode wolk, die van kleur verandert, als de zon onder den gezichteinder daalt.

"Edele dame," zei ze, "het gelaat, dat gij u verwaardigd hebt, mij te toonen, zal lang in mijn geheugen blijven. Er heerscht vriendelijkheid en goedheid in; en als een zweem van wereldschen hoogmoed of ijdelheid zich op een zoo liefelijk gezicht vertoont, hoe zou men datgene, wat van de aarde komt, berispen, omdat het eenig teeken van zijn oorsprong draagt? Lang, lang zal ik aan uwe trekken denken, en God zegenen, dat ik mijn verlosser verlaat, vereenigd met,--" zij zweeg eensklaps;--haar oogen vulden zich met tranen, die zij echter schielijk afdroogde, en op de angstige vragen van Rowena antwoordende, zei ze: "Ik ben wel,--zeer wel. Maar mijn hart loopt over, wanneer ik aan Torquilstone en aan het strijdperk van Templestowe denk.--Vaarwel! Het geringste gedeelte van mijne schuld is nog maar voldaan. Neem dit kistje aan,--en verwonder u niet over den inhoud!"

Rowena opende het kleine met zilver beslagen kistje, en zag een halssnoer en oorringen van diamanten, welke, zooals men zien kon, van onschatbare waarde waren.

"Het is onmogelijk," zei ze, het kistje teruggevende, "ik mag een geschenk van zoo groote waarde niet aannemen."

"O, neem het maar!" antwoordde Rebekka.--"Gij bezit macht, rang, gezag en invloed; wij rijkdom, de bron evenzeer van onze kracht als van onze zwakheid. De waarde van dezen tooi, tienmaal vermenigvuldigd, zou niet half zoo veel macht hebben als uw geringste wensch. Voor u is dus het geschenk van geringe waarde, en voor mij is hetgeen, waarvan ik mij ontdoe, van nog veel minder belang. Laat mij niet denken, dat gij zulke lage gedachten van mijne natie koestert als de groote hoop. Denkt gij, dat ik deze schitterende steenen boven mijn vrijheid acht? of dat mijn vader ze in de weegschaal legt tegen de eer van zijn eenig kind? Neem ze aan; voor mij zijn ze van geene waarde. Ik zal nooit weder juweelen dragen!"

"Gij zijt dus ongelukkig," zei Rowena, getroffen door den toon, waarop Rebekka deze laatste woorden uitsprak; "o, blijf dan bij ons;--de raad van heilige mannen zal u van uw verkeerd geloof afbrengen, en ik zal eene zuster voor u zijn!"

"Neen!" antwoordde Rebekka, met dezelfde onderwerping en zwaarmoedigheid in haar zachte stem en op haar schoone trekken.--"Dat kan niet zijn! Ik kan en mag het geloof mijner vaderen niet afleggen, als een kleed, dat niet past voor de luchtstreek, waarin wij wonen, en ongelukkig zal ik niet zijn, edele vrouw. Hij, wien ik mijn overige levensdagen toewijd, zal mijn trooster zijn, zoo ik Zijn wil doe!"

"Hebt gij dan kloosters, in een van welke gij u begeven wilt?" vroeg Rowena.

"Neen," antwoordde de Jodin; "maar er zijn, sedert Abraham tot op onze tijden toe, onder ons volk vrouwen geweest, die hare gedachten aan den Hemel, en hare daden aan werken van liefdadigheid toegewijd hebben; welke de zieken oppassen, de hongerigen voeden en de ongelukkigen ondersteunen. Onder deze vrouwen zal Rebekka opgenomen worden. Zeg dit aan uw gemaal, zoo hij naar het lot van haar vraagt, wier leven hij gered heeft!"

Er was eene onwillekeurige aandoening in Rebekka's stem en eene teederheid van uitdrukking, welke misschien meer verried, dan zij gaarne zou te kennen gegeven hebben. Zij haastte zich om Rowena vaarwel te zeggen.

"Vaarwel!" zei ze. "Moge Hij, die Jood en Christen geschapen heeft, zijne uitgelezenste zegeningen op u uitstorten! De boot, die ons van hier brengen moet, zal onder zeil zijn, eer wij de haven bereiken kunnen!"

Zij verdween uit het vertrek, en liet Rowena verbaasd staan, alsof hetgeen zij gezien had eene geestverschijning geweest ware. De schoone jonge vrouw verhaalde het zonderlinge gesprek aan haar echtgenoot, op wiens gemoed het diepen indruk maakte. Hij leefde lang en gelukkig met Rowena, want ze waren aan elkander verknocht door de banden van jeugdige liefde, en zij beminden elkander te vuriger wegens de herinnering aan de hinderpalen, welke hunne vereeniging in den weg hadden gestaan. Evenwel zou het moeielijk te beslissen zijn, of de herinnering aan Rebekka's schoonheid en grootmoedigheid Ivanhoe niet al te dikwijls in de gedachte kwam, dan dat de schoone afstammeling van Alfred het goedgekeurd zou hebben.

Ivanhoe muntte in den dienst van Richard uit, en verwierf verdere bewijzen van de koninklijke gunst. Hij had nog hooger kunnen klimmen, zonder den ontijdigen dood van den heldhaftigen Richard Leeuwenhart, voor het kasteel Chaluz bij Limoges. Met het leven van dezen edelmoedigen, maar onbezonnen en romanesken Vorst vervielen ook al de ontwerpen, welke zijne eerzucht en edelmoedigheid gesmeed hadden, en op hem kunnen met een geringe verandering de regels toegepast worden, welke Johnson op Karel XII van Zweden geschreven heeft:

"Getroffen door den pijl eens mans van lagen stand,
Nabij een kleine veste aan ver verwijderd strand,
Biedt ons zijn naam, die door de wereld schrik verspreidde,
Ruim stof tot leering aan, en tot verdichting beide."

NOTEN VAN DEN SCHRIJVER. [39]

Noot A., Bladz. 7: Over het verminken der honden.

De jachtwetten, in deze tijden van onderdrukking, gaven tot zeer gevoelige grieven aanleiding. Deze harde wetten waren een gevolg van de Normandische verovering, want de Saksische jachtwetten waren vrijzinnig en menschlievend, terwijl die door Willem ingevoerd, die met de jacht dweepte en alle jachtrechten streng handhaafde, in alle opzichten tyranniek waren. De planting, of liever de inrichting van het New Forest (in Hampshire,) getuigt van zijn liefde tot de jacht, daar menig schoon dorp verwoest werd, om het jachtgebied te vergrooten.

Het verminken der herdershonden, om ze te verhinderen het grof wild na te loopen, noemde men lawing, en was in algemeen gebruik.

Het reglement voor het behoud van het New Forest bepaalt, dat het onderzoek, of de bezichtiging der honden tot dit doel, om het derde jaar plaats zal hebben door gekwalificeerde personen, en niet anders, en dat diegenen wiens honden niet behoorlijk aan de pooten verminkt zijn, een geldboete van drie shillings betalen zullen, maar dat, voor het vervolg, niemands os wegens het overtreden van dezen regel in beslag zal genomen worden. Het verminken zal op de gebruikelijke wijze moeten geschieden, dat is, drie klauwen aan den buitenkant van den rechtervoorpoot zullen afgesneden worden.

Men zie verder over dit onderwerp "Een Historische Verhandeling" over de Magna Charta van Koning Jan, door Richard Thomson.--

Noot B., Bladz. 14: Over de Negerslaven.

Eenige strenge beoordeelaren hebben geklaagd over de kleur van Brian De Bois-Guilbert's slaven, als geheel en al in strijd met den tijd en met de waarschijnlijkheid. Ik herinner mij, dat men dezelfde zwarigheden maakte tegen eenige zwarte dienaren, welke mijn vriend de schrijver Mathew Lewis laat optreden, als wachters en onheilstichtende trawanten van den boosaardigen Baron in zijn "Spook van het Kasteel." Lewis behandelde deze afkeuring met de meeste minachting, en beweerde, dat hij de slaven zwart gemaakt had, ten einde een treffend contrast te krijgen, en als hij dezelfde uitwerking had kunnen verkrijgen door zijn heldin blauw te maken, hij haar ook blauw zou voorgesteld hebben.

Ik eisch niet dat men de licentia poetica zóó ver gedreven, goed zou keuren; maar ik kan toch niet toegeven, dat de schrijver van een modern-antieken roman verplicht is zich stiptelijk te bepalen tot de schildering alleen van die gebruiken, welke als bewezen aangenomen worden voor de tijden die hij schetst—als hij zich maar tot de natuurlijke en waarschijnlijke bepaalt en geen anachronismen begaat die hinderlijk zijn.--Uit dit oogpunt beschouwd, wat zou er dan natuurlijker zijn, dan dat de Tempeliers,--die, zooals wij wel weten, de weelderigheid der Aziatische krijgslieden, met wie ze kampten, navolgden,--de diensten zouden gebruiken der Afrikaansche slaven, welke de wisselvalligheden van den oorlog in hun handen leverden? Ik ben overtuigd, dat als er geen bepaalde bewijzen hiervoor bestaan, er toch aan den anderen kant niets gevonden wordt om ons te doen besluiten, dat zulks in het geheel niet gebeurde. Bovendien vindt men er een voorbeeld van in de romances uit dien tijd.

Jean De Rampayne, een uitstekende goochelaar en minnezanger, ondernam om Audolf De Bracy te helpen ontvluchten, door zich verkleed te begeven aan het hof van den Koning, door wien hij gevangen werd gehouden. Tot dit doel "verwde hij zijn haar en zijn geheele lichaam pikzwart, zoodat er niets wits aan hem te zien was, dan zijn tanden," en bracht den koning dus in het denkbeeld dat hij een Ethiopische zanger was. Door deze list gelukte het hem den gevangene te bevrijden. De Negers moeten dus reeds in zeer vroege tijden in Engeland bekend geweest zijn. [40]

Noot C., Bladz. 45: Over de taal der jagers.

De jachttaal werd door de Normandiërs streng afgescheiden van die van het dagelijksch leven. Het wild, hetzij vogel of viervoetig dier, veranderde elk jaar van naam en er waren honderderlei bijzondere spreekwijzen, welker kennis een gedeelte eener goede opvoeding uitmaakte. Er bestaat een boek door Juliana Berners over dat onderwerp geschreven. De oorsprong dezer wetenschap werd aan den beroemden ridder Tristram toegeschreven, bekend wegens zijn liefde tot de ongelukkige Ysolte. Daar de Normandiërs het vermaak van de jacht voor zich zelven alleen behielden, is het natuurlijk dat deze jachttaal geheel uit het Fransch ontstaan is.

Noot D., Bladz. 175: Over de minnezangers.

Het is bekend, dat oudtijds Frankrijk, wat de taal betreft, in het land van Oui en het land van Oc verdeeld werd; men noemde de zangers in de eerste taal Menestrels en hun liederen Lais; in de andere taal heetten zij Troubadours en hun gedichten werden Sirventes genoemd. Richard, een bekende bewonderaar der zangkunst, kon òf een Lai òf een Sirvente voordragen. Het is minder waarschijnlijk, dat hij een Engelsche ballade dichten of voordragen kon; evenwel zal de wensch, welke den schrijver bezielde, om Leeuwenhart geheel en al te vereenzelvigen met de krijgslieden, die hij aanvoerde, deze anachronisme, indien ze bestaat, gereedelijk doen vergeven.

Noot E., Bladz. 210: Over den slag van Stamford.

De schrijver moet bekennen, een grove topographische vergissing gemaakt te hebben, in de noot aan den voet van bladz. 210, door te veel op zijn geheugen te vertrouwen en twee plaatsen van denzelfden naam met elkander te verwarren. Het plaatsje Stamford, Strengford, of Stanford, waar de slag voorviel, is aan de rivier Derwent, ongeveer zeven Eng. mijlen van York gelegen. De vergissing van den schrijver werd hem beleefdelijk aangewezen door den Heer Robert Bell. De slag, welks gebeurtenissen overigens nauwkeurig verhaald zijn in den tekst en de noot er onder, had plaats in het jaar 1066.--

Noot F., Bladz. 220: Over de rijen ijzeren staven, boven de gloeiende houtskool.

Deze verschrikkelijke marteling zal den lezer herinneren aan de wreedheid door de Spanjaarden op Guatimozin uitgeoefend, om hem te dwingen zijn verborgene schatten te ontdekken. Maar een voorbeeld van dergelijke barbaarschheid wordt in Engeland zelf gevonden, in den tijd van Koningin Maria; en Bannatyne, de secretaris van Knox, verhaalt breedvoerig een dergelijke marteling door den Graaf van Cassilis op zekeren Allan Stewart uitgeoefend, die een koninklijke schenking van kerkelijke landerijen gekregen had, waarop de Graaf zich verbeeldde een beter recht te hebben.

Het blijkt ook uit papieren in het bezit van den Schrijver, dat de grenswachters (Country Keepers) tusschen Engeland en Schotland, gewoon waren de gevangenen te martelen, door hen aan de ijzeren staven hunner schoorsteenen vast te binden, om hun een bekentenis hunner misdaden af te dwingen.

Noot G., Bladz. 297: Het Wapen van den Zwarten Ridder.

Men heeft den Schrijver verweten, dat hij zich vergist had, door metaal op metaal in dit wapenschild te plaatsen. Men moet echter niet vergeten, dat de wapenkunde eerst in de Kruistochten ontstaan is, en dat al de minutiae van deze fantastische wetenschap slechts langzamerhand en veel later ingevoerd werden. Hij, die anders hierover denkt, moet zich verbeelden, dat de Godin der wapenkundigen in de wereld kwam van top tot teen met de bonte sieraden der wetenschap, welke zij beschermt, behangen. Ter bevestiging van het gezegde dient, dat Godfried van Bouillon, na de verovering van Jeruzalem, een wapen voerde, waarin ook metaal op metaal prijkte. Men zie hierover Ferne's Blazon of the Gentry, Ed. 1586, p. 238, en Nisbets Heraldry 2e Ed. dl. 1 p. 113.

Noot H., Bladz. 330: Over Ulrica's lied.

De oudheidkundige zal duidelijk begrijpen, dat deze verzen navolging zijn van de oude poëzie der Skalden, de zangers der Scandinaviërs.

De poëzie der Angel-Saksers, na hun beschaving en godsdienstige bekeering was van een geheel anderen, zachteren aard; maar in de omstandigheden van Ulrica, is het niet onnatuurlijk te veronderstellen, dat zij zich de woeste zangen herinnerde, welke haar voorouders bezielden in den tijd van het Heidendom en van hun onverminderde woestheid.

Noot I., Bladz. 345: Over Richard Leeuwenhart.

Deze vechtpartij tusschen Richard en den vroolijken priester is niet strijdig met zijn karakter, als hij in de romances goed begrepen wordt. In een zeer merkwaardige romance over zijn avonturen in het Heilige Land wordt een dergelijke gebeurtenis, die gedurende zijn gevangenschap in Duitschland voorviel, vermeld. Zie Ellis, Specimens of English Romances.--Coeur-de-Lion.

Noot K., Bladz. 357: Over de verloopen Priesters.

Het is merkwaardig te zien, dat in alle maatschappijen eenige soort van geestelijke troost gezocht wordt, door die menschen, die zich tot doelen vereenigen, welke lijnrecht in strijd zijn met den godsdienst. Een bende bedelaars heeft hun Patrico, en de roovers der Apenijnen hebben personen bij zich, welke de rol van priesters en monniken vervullen. Het is ontegenzeggelijk, dat zulke eerwaarde heeren hun zeden en gebruiken wijzigden naar hun omgeving, en zoo zij wel eens geëerbiedigd werden wegens hun geestelijke gaven, werden zij toch meestal ook onbarmhartig bespot, als volstrekt in tegenstelling met alles, waarmede zij omgingen.

Een der vroegere bisschoppen van Durham heeft een geschrift uitgevaardigd tegen zulke verloopen priesters, die zich met de roovers vereenigd hadden op de grenzen van Engeland en Schotland.

VOETNOTEN

[1] Men zie noot A, aan het einde van het werk.--Schrijver.

[2] Knecht van Odysseus. (Od. XIV).--t. B.

[3] Zie noot B. over de negerslaven.--Schrijver.

[4] Het oorspronkelijke heeft Cnichts, met welk woord de Saksers een soort van krijgshaftige dienaren schijnen aangeduid te hebben, soms vrijen en somtijds lijfeigenen, maar altijd hooger in rang dan de gewone bedienden, hetzij in het koninklijke huis of in dat der Aldermans en Thanes. Maar het woord Cnicht, hetwelk nu Knight geschreven wordt, in de Engelsche taal opgenomen zijnde, in dezelfde beteekenis als het Normandische Chevalier, (Ridder), heb ik het niet hier willen gebruiken.

[5] Dit waren dranken bij de Saksers in gebruik, zooals de heer Turner ons leert. Morat was uit honig gemaakt met moerbeziënsap; Pigment was een zoete en sterke drank, uit gekruiden wijn en ook met honig zoet gemaakt. De andere dranken behoeven geene verklaring.--Schrijver.

[6] Een drank uit appels, suiker en bier, zonder hop er in, samengesteld. Wassail, van Wachse heil!--de aloude uitdrukking bij een feestdronk. Zie Drake's Shakespeare, I, 127, 199 en 254. M. P. L.

[7] Zie noot C, over de Jacht.--Schrijver.

[8] In die dagen waren de Joden onderworpen aan een Schatmeester, bijzonder tot dit ambt benoemd, die verbazende sommen van hen afperste.--Schrijver.

[9] Knecht van Odysseus, zie bladz. 10.--t. B.

[10] Walter Scott gebruikt dezen term enkel voor het gemak van zijn lezer.--t. B.

[11] Deze soort van maskerade gaf aanleiding, naar men veronderstelt, tot de invoering der schilddragers, aan weerskanten van een wapenschild.--Schrijver.

[12] Door ongeluk doodde Walter Tyrrel met een pijl, op de jacht, Willem II, zoon van den Veroveraar.--M. P. L.

[13] Deze regels zijn uit een nog onuitgegeven gedicht van Coleridge, wiens Muze ons zoo dikwerf plaagt met fragmenten, welke haar groote gaven verkondigen, terwijl de wijze waarop zij ze ons toewerpt van haar grillen getuigt. Evenwel vertoonen deze ruwe schetsen meer talent, dan de uitvoerigste meesterstukken van vele anderen.--Schrijver.

[14] Oud Fransch: overmoed, onbeschaamdheid.--Schrijver.

[15] Een oude volksnaam voor de struikroovers.--M. P. L.

[16] Beau Séant was de naam van de banier der Tempeliers, die half zwart, half wit was, om aan te duiden, gelijk men zegt, dat ze eerlijk en goed gezind waren jegens Christenen, maar zwart en vreeselijk voor de ongeloovigen!--Schrijver.

[17] Er werd bij de Saksers niets voor zoo schandelijk gehouden, als dezen scheldnaam te verdienen. Zelfs Willem de Veroveraar, hoe gehaat hij bij hen was, kreeg een groot aantal Angel-Saksers onder zijn vaandels, door hen, die te huis wilden blijven, als Nidderings te brandmerken. Bartholinus maakt, gelijk ik meen, van een soortgelijk woord melding, dat dezelfde uitwerking op de Denen had.--Schrijver.

[18] Zie noot D, over de Minnezangers.

[19] Het zal niet ongepast zijn, den lezer te herinneren, dat het koor van "Derrydown," verondersteld wordt zoo oud te zijn, niet slechts als de tijd der zeven koninkrijken, maar als die der Druïden; en men wil, dat dit het koor was van de geestelijke lofzangen, welke deze eerwaardige personen verhieven, als zij in het bosch gingen, om kruiden te zoeken.

Schrijver.

[20] Een na-avondmaal was een nachtmaaltijd, en beteekende soms een gastmaal op een laat uur gegeven, nadat het eigenlijk avondeten reeds gedaan was.

Schrijver.

[21] Dicht bij Stamford werd, in 1066, de bloedige slag geleverd, in welken Harald zijn oproerigen broeder Tosti en de Noorwegers versloeg, slechts weinige dagen voor zijn eigen val bij Hastings. De brug over de rivier Welland werd woedend betwist. Een Noorweger verdedigde die lang alleen, en werd eindelijk door een speer getroffen, welke uit een boot van onder de brug door de planken gestoken werd. Spencer en Drayton maken beide toespeling op de voorspellingen, omtrent de noodlottige Welland in omloop.

"Waardoor die ongeluksstroom veel vrees en ontzag verkreeg." Zie verder noot E.

Schrijver.

[22] Zie noot F.

[23] Henry's Geschied. uitg. 1805; vol. VII p. 346.--Schrijver.

[24] Ik wenschte, dat de Prior hen ook onderricht had, wanneer Niobe heilig gesproken is. Waarschijnlijk gedurende dat verlichte tijdvak, toen: "Pan aan Mozes zijn herdersfluitje leende."--Schrijver.

[25] Aêolluôn, de verderver. Openbaringen IX 11.--t. B.

[26] Zie noot G.--over dit wapen.

[27] Ieder Gothisch kasteel en elke stad had, behalve de buitenwallen, een bevestiging van palissaden, Barrière genoemd, welke dikwijls het tooneel was van bloedige schermutselingen, daar ze natuurlijk moest ingenomen worden, eer men bij de wallen zelve komen kon. Verscheidene dier heldendaden van dapperheid, welke de kronijken van Froissart versieren, vielen voor bij de Barrières van belegerde plaatsen.--Schrijver.

[28] De schrijver verbeeldt zich, dat deze plaats een navolging is van de verschijning van Philidaspes voor de goddelijke Mandane, gedurende den brand der stad Babylon, als hij voorstelt haar uit de vlammen te redden. Maar deze diefstal zou te zwaar bestraft worden door de moeite van het oorspronkelijke te moeten opzoeken in de eindelooze en vervelende deelen van den "Groote Cyrus."--Schrijver.

Le grand Cyrus was een beroemde heroïsche roman van Melle. Madeleine de Scudéry geschreven 1649-53.--t. B.

[29] Zie noot H. over Ulrica's sterflied.--Schrijver.

[30] De noten op den horen werden eertijds mots genoemd, en worden onderscheiden in de oude verhandelingen over de jacht, niet door muzikale teekens, maar door geschreven woorden.--Schrijver.

[31] Zie noot I, over Richard Leeuwenhart.--Schrijver.

[32] Zie noot K.--Schrijver.

[33] Reginald Fitzurse, William de Tracy, Hugo de Morville en Richard Brito waren de edellieden van het hof van Hendrik den Tweede, welke, aangezet door eenige driftige uitdrukkingen van hun vorst, den beroemden Thomas-à-Becket vermoordden.

[34] De stichtingen der Tempeliers heetten Preceptorijen, en de titel van den opperste der Orde was Preceptor, terwijl de voornaamste ridders van St. Jan Commandeurs en hunne huizen Commanderijen genoemd werden. Maar deze benamingen werden, naar het schijnt, somtijds verwisseld.--W. S.

[35] In de regels der Tempeliers wordt deze spreuk telkens, in verschillende bewoordingen herhaald, en komt in bijna elk hoofdstuk voor, alsof ze de leus ware van de Orde: dit zal verklaren waarom de Grootmeester zóó dikwerf er gebruik van maakt.--W. S.

[36] Zie het XIIIde hoofdstuk van Leviticus.

[37] De lezer wordt verwezen op de regels der Vrome Krijgsbroederschap van den Tempel, welke voorkomen in de werken van St. Bernardus.--W. S.

[38] De opstanding van Athelstane is zeer gegispt geworden, als een te groote inbreuk op de waarschijnlijkheid, zelfs in een werk van fantastischen aard. Het is ook een tour de force, waartoe de schrijver verplicht was toevlucht te nemen, op het dringend aanzoek van zijn vriend en uitgever, die er ontroostbaar over was, dat de Sakser ten grave moest dalen.--W. S.

[39] Deze Noten van den Schrijver, zijn bij de eerste Nederduitsche Vertaling van Ivanhoe weggebleven. Ik heb gemeend ze te moeten overbrengen, omdat men als Vertaler verplicht is, het oorspronkelijke zoo getrouw mogelijk te volgen. De lezer kan ze meestal gerust overslaan, en zich dus een verveling te meer in zijn leven besparen;--de eenige vrijheid, welke ik mij bij de vertaling der Noten veroorloofd heb, is om hier en daar hetgeen alleen voor den Engelschen lezer van belang kon zijn, weg te laten.

[40] Ritson's Dissertatie over de romances en minnezangers, vóór zijn verzameling van "Ancient metrical Romances". Pag. 187.--

The end.