Ivanhoe · Walter Scott (translated by M. P. Lindo)

Chapter 42: Hoofdstuk 42

Ik vond hen bezig met Marcello's lijk.
Er werd een melodij gehoord, zoo plechtig,
Te midden van geween en treurgezangen,
Gelijk oude vrouwen, die bij dooden waken,
Gewoon zijn aan te heffen heel den nacht.

Oud Tooneelstuk.

De ingang van den grooten toren van het kasteel van Coningsburgh is zeer eigenaardig, en getuigt van de ruwe eenvoudigheid der vroege tijden, toen het opgericht werd. Een trap, zoo steil en smal, dat ze bijna loodrecht staat, leidt naar een laag portaal in de zuidzijde van den toren, waardoor de nieuwsgierige oudheidkundige nog toegang krijgen kan tot eene tweede kleine trap, welke in den dikken hoofdmuur gemaakt was, en die naar de derde verdieping van het gebouw voerde.--De beide benedenste verdiepingen zijn gevangenissen, of gewelven, welke geen andere lucht of licht krijgen dan door een vierkant gat in de derde verdieping, met welke zij door een ladder gemeenschap schijnen gehad te hebben. Tot de bovenste vertrekken in den toren, die in het geheel uit vier verdiepingen bestaat, komt men langs trappen, in de buitenmuren aangebracht.

Langs dezen moeielijken ingang werd de goede Koning Richard, gevolgd door zijn getrouwen Ivanhoe, in het groote vertrek, dat de geheele derde verdieping beslaat, gebracht. De laatste had den tijd om zijn gezicht in zijn mantel te wikkelen, daar hij het beter vond, zich niet aan zijn vader te vertoonen, eer de Koning hem een teeken zou geven. Er zaten in dit vertrek rondom een groote eiken tafel een twaalftal van de doorluchtige stamhouders van de Saksische familiën der aangrenzende graafschappen. Het waren allen oude, of ten minste bejaarde mannen; want de jongeren hadden, tot groot verdriet der ouders, evenals Ivanhoe, vele der scheidsmuren omvergeworpen, welke sedert eene halve eeuw de Normandische overwinnaars van de overwonnen Saksers gescheiden hadden. De terneêrgeslagen en droevige blikken van deze eerwaardige mannen, hunne stilte en bedroefde houding, leverde eene sterke tegenstelling met de lichtvaardigheid der gasten buiten het kasteel. Hunne grijze lokken en lange, zware baarden en hunne ouderwetsche kleederen en ruime zwarte mantels pasten goed bij het zonderling en ruw vertrek, waarin zij zaten, en gaven hun het voorkomen van eene verzameling der oude aanbidders van Wodan, die in het leven teruggeroepen waren, om te treuren over het verval van hun volksroem.

Ofschoon Cedric van gelijken rang als zijne landslieden was, scheen hij echter, met algemeen goedvinden, als hoofd der vergadering te handelen. Bij het binnenkomen van Richard, die hen alleen als de dappere Zwarte Ridder bekend was, stond hij deftig op, en verwelkomde hem met de gewone groete "Weas heal!" terwijl hij een beker wijn ophief. De Koning, wien de gewoonten zijner Engelsche onderdanen niet vreemd waren, beantwoordde dit met de gewone woorden: Drinc heal! en ledigde een beker, die hem door den schenker overhandigd werd. Dezelfde beleefdheid werd jegens Ivanhoe in acht genomen, die zijn vader stilzwijgend bescheid gaf, en het gewoon antwoord verving door eene buiging, uit vrees dat zijn stem herkend zou worden.

Toen deze plechtigheid voorbij was, stond Cedric op en Richard de hand aanbiedende, geleidde hij hem in een kleine en zeer ruwe kapel, welke, als het ware, in een van de uitwendige bogen uitgehold was. Daar er geene opening was, behalve een zeer nauw luchtgat, zou deze plaats bijna geheel duister geweest zijn zonder het licht van twee fakkels, welke met een rooden en somberen gloed het gewelfde dak en de naakte muren, het ruwe steenen altaar en het kruis vertoonden. Voor dit altaar stond een baar en aan iedere zijde er van knielden drie priesters, die hun rozenkrans baden en hunne gebeden prevelden, met den schijn der meeste aandacht. Voor dezen dienst werd een rijk losgeld door de moeder des overledenen aan het klooster van St. Edmund betaald; en om het ten volle te verdienen, hadden zich al de broeders, behalve de kreupele Sacristijn, naar Coningsburgh begeven, waar zes van hen zich gedurig met het verrichten der godsdienstige plechtigheden bij Athelstane's lijkbaar bezig hielden, terwijl de anderen niet in gebreke bleven gebruik te maken van de ververschingen en vermaken, welke hun aangeboden werden. Gedurende deze vrome wacht, droegen de monniken bijzondere zorg om hunne gezangen geen oogenblik af te breken, uit vrees dat Zernebock, de Appollyon der oude Saksers, zijne klauwen aan den overleden Athelstane zou slaan. Niet minder bezorgd waren ze om te beletten dat eenig leek het lijkkleed aan zou raken, dat vroeger bij de begrafenis van St. Edmund gediend had, en dat door ongewijde handen ontheiligd zou wezen. Wanneer zulk eene oplettendheid den overledene wezenlijk van nut had kunnen zijn, dan had hij eenig recht om ze van de broederschap van St. Edmund te verwachten, daar de moeder van Athelstane te kennen gegeven had, dat zij, behalve honderd goudstukken voor het losgeld zijner ziel, aan het klooster het grootste gedeelte van de landerijen des overledenen wilde schenken, ten einde men gedurig missen zou lezen voor zijne ziel en voor die van haren echtgenoot.

Richard en Wilfrid volgden den Sakser Cedric naar het vertrek waar de doode rustte, en terwijl hij hen met een plechtstatig gelaat op de baar van Athelstane wees, volgden zij zijn voorbeeld en maakten eerbiedig een kruis, terwijl ze een kort gebed voor het heil der ziel van den gestorvene prevelden.

Na deze godsdienstige plechtigheid, gaf Cedric hun weder een teeken om hem te volgen, terwijl hij zachtjes over den steenen vloer sloop; en na eenige trappen opgegaan te zijn, opende hij, met groote voorzichtigheid de deur van een bidvertrekje, dat aan de kapel grensde. Het was omtrent acht voet in het vierkant en even als de kapel zelve in den muur gehouwen. Het luchtgat, dat het verlichtte, stond naar het westen en daar het naar binnen toe aanmerkelijk wijder werd, baande zich een straal der ondergaande zon een weg tot in deze duistere ruimte, en vertoonde een vrouw van eerbiedwaardig voorkomen, wier gelaat nog de duidelijke sporen van uitstekende schoonheid droeg. Haar lang rouwgewaad en haar krans van cypressen verhoogden de blankheid van haar gelaat en de schoonheid van hare blonde, loshangende vlechten, welke de tijd gedund noch vergrijsd had. Haar gelaat drukte de diepste droefheid uit, die met onderwerping samen kan gaan. Op de steenen tafel vóór haar, stond een ivoren kruis, waar naast een misboek lag, welks bladzijden rijk beschilderd en welks band met gouden krammen en sloten versierd was.

"Edele Edith," zei Cedric, na een oogenblik te hebben stil gestaan, om Richard en Wilfrid tijd te geven, de vrouw des huizes te beschouwen, "dit zijn waardige vreemdelingen, gekomen om in uwe smart te deelen. En deze, in het bijzonder, is de dappere ridder, die zoo heldhaftig voor de verlossing van hem gestreden heeft, dien wij heden betreuren."

"Zijne dapperheid verdient mijn dank," hernam de vrouw, "ofschoon het de wil des Hemels was, dat ze te vergeefs betoond zou worden. Ik betuig ook mijn dank voor zijne beleefdheid en voor die van zijn makker, daar zij herwaarts zijn gekomen om de weduwe van Adeling en de moeder van Athelstane in het uur harer diepe smart en droefheid te bezoeken. Ik vertrouw hen aan uwe zorg, waarde neef, overtuigd dat gij hun de gastvrijheid zult betoonen, welke dit kasteel nog aanbieden kan."

De gasten maakten eene diepe buiging voor de bedroefde moeder en verwijderden zich met hun gastvrijen leidsman.

Een andere wenteltrap bracht hen in een vertrek van dezelfde grootte als dat, waarin zij eerst geweest waren en dat zich er vlak onder bevond. Uit deze kamer vernamen zij, nog eer de deur geopend werd, een zacht en droefgeestig gezang. Toen zij binnen traden, bevonden zij zich in tegenwoordigheid van omtrent twintig vrouwen en meisjes van aanzienlijke Saksische geslachten. Vier jonkvrouwen, door Rowena voorgegaan, zongen een hymne voor de ziel des overledenen, waarvan wij slechts een paar verzen hebben kunnen ontcijferen:

Tot stof en asch
Keert al wat was;
De huurling lei weêrom
Zijn tooisel af
Voor worm en graf,--
Verrottingseigendom.

Onzeker vloog
Uw ziel omhoog,
Naar 't rijk van smarte en weên.
Uw pijn vangt aan
Voor d'euveldaân,
Bedreven hier beneên.

Maria's woord,
Maak in dat oord
Uw boete kort van duur!
Tot u 't gebed
En 't loflied redt,
Uit hel en vagevuur.

Terwijl dit gezang op zachten en droefgeestigen toon gezongen werd, waren de overige meisjes in twee groepen verdeeld, waarvan de een bezig was om een grooten zijden lijkmantel, bestemd om Athelstane's doodkist te bedekken, met borduursel te versieren, zoo goed hare bekwaamheid en haar smaak dat toelieten, terwijl de anderen zich bezig hielden met uit bloemkorven, die vóór haar stonden, kransen te vlechten, voor hetzelfde droevige doel bestemd. Het gedrag der meisjes was hoogst betamelijk, al toonde het dan ook geene diepe droefheid, maar tusschenbeide haalde een gefluister, of een glimlach, haar de berispingen van de meer gestrenge vrouwen op den hals, en hier en daar kon men eene jonkvrouw zien, die er meer belang in scheen te stellen om te onderzoeken hoe het rouwgewaad haar stond, dan in de droefgeestige plechtigheid, tot welke ze zich voorbereidden. De stemming werd (om de waarheid te bekennen), ook geheel niet veranderd door de verschijning van twee vreemde ridders, die menigen blik en menig gefluister veroorzaakten. Rowena alleen, te trotsch om ijdel te zijn, begroette haren verlosser met bevallige beleefdheid. Haar gedrag was ernstig, maar niet neerslachtig; en het is zeer onzeker, of de gedachte aan Ivanhoe en aan de onzekerheid van zijn lot, niet evenveel deel aan haar ernst had, als de dood van haar bloedverwant.

Voor Cedric echter, die, gelijk wij reeds aangemerkt hebben, bij zulke gelegenheden niet zeer helder zag, scheen de droefheid zijner pupil zooveel grooter dan die der overige jonkvrouwen, dat hij noodig oordeelde den vreemden de verklaring daarvan in deze woorden toe te fluisteren: "Zij was de verloofde bruid van den edelen Athelstane."--Het is zeer twijfelachtig, of deze mededeeling Wilfrid's neiging om in de droefheid der rouwdragenden te Coningsburgh te deelen, versterkte.

Nadat Cedric de gasten aldus plechtig in de verschillende kamers, waarin de lijkplechtigheid van Athelstane op onderscheidene wijze gevierd werd, rondgeleid had, bracht hij hen in een klein vertrek, hetwelk, gelijk hij zeide, uitsluitend tot de ontvangst van aanzienlijke gasten bestemd was, die wegens hunne mindere betrekking tot den overledene niet geneigd zouden zijn, zich met diegenen te vereenigen, die onmiddellijk door dit ongelukkig voorval getroffen werden. Hij zorgde voor hun gemak en wilde zich juist verwijderen, toen de Zwarte Ridder hem bij de hand vatte.

"Ik verzoek u, edele Thane," zei hij, "u te herinneren, dat gij bij ons laatste scheiden beloofdet mij een gunst toe te staan voor den dienst, welken ik het geluk had u te bewijzen."

"Hij is toegestaan eer gij hem noemt, edele ridder," antwoordde Cedric, "maar in dit droevig oogenblik--"

"Daaraan heb ik ook reeds gedacht," hernam de Koning;--"maar mijn tijd is kort;--ook schijnt het mij niet ongepast toe, dat wij bij het sluiten van het graf van den edelen Athelstane zekere vooroordeelen en verkeerde meeningen begraven."

"Heer ridder," viel Cedric, rood wordende, den Koning in de rede, "ik hoop, dat uwe bede u zelven en geen anderen betreft; want het is niet gepast, dat een vreemdeling zich zou bemoeien met eene zaak, die de eer van mijn huis betreft."

"Ik wil er mij ook niet mede bemoeien," zei de Koning op zachten toon, "dan voor zoover gij mij zelf vergunt er deel in te nemen. Daar gij mij tot hiertoe slechts als den Zwarten Ridder gekend hebt, zoo verneem thans dat ik Richard Plantagenet ben."

"Richard van Anjou!" riep Cedric uit, met de grootste verbazing achteruit tredende.

"Neen, edele Cedric,--Richard van Engeland!--wiens dierbaarst belang, wiens vurigste wensch het is alle landskinderen met elkander vereenigd te zien.--Hoe, waardige Thane! buigt ge de knie niet voor uw Vorst?"

"Nog nooit boog ik ze voor Normandisch bloed!" antwoordde Cedric.

"Bewaar deze hulde dan," zei de Koning, "tot ik door mijn onpartijdige behandeling van Normandiërs en Saksers mijn recht er op zal bewezen hebben."

"Prins," hernam Cedric, "ik heb uwe dapperheid en waarde altijd recht laten wedervaren.--Ook ben ik niet onbewust van uwe aanspraken op den troon door uwe afstamming van Mathilde, de nicht van Edgar Atheling en de dochter van Malcolm van Schotland. Maar Mathilde, ofschoon van het koninklijk Saksisch bloed, had geen recht op de kroon."

"Ik wil niet met u over mijne aanspraken twisten, edele Thane;" zei Richard bedaard, "maar ik wil u verzoeken rond te zien, waar ge anderen vinden zult, die tegen de mijne in de weegschaal kunnen gelegd worden."

"En zijt ge hier gekomen om mij dit te zeggen, Prins?" zei Cedric;--"om mij den ondergang van mijn geslacht te verwijten, eer het graf over den laatsten spruit van het Saksisch koningschap gesloten is?"--Zijn gelaat werd somber onder het spreken.--"Dit was stout en onbezonnen gehandeld!"

"Dat niet, bij het heilige kruis!" hernam de Koning; "het geschiedde in het oprecht vertrouwen, dat de eene brave man in den anderen stellen kan, zonder het minste gevaar te loopen."

"Ge hebt gelijk, heer Koning;--want ik erken, dat ge Koning zijt en blijven zult, in weerwil van mijne zwakke tegenkanting.--Ik durf het eenige middel om dit te beletten, niet gebruiken, ofschoon ge mij zelf aan eene sterke verzoeking blootgesteld hebt!"

"En nu mijne bede," zei de Koning, "welke ik niet met minder vertrouwen doe, ofschoon gij geweigerd hebt, mijne wettige heerschappij te erkennen. Ik eisch van u, als man van uw woord, op straffe van voor trouweloos, meineedig en eerloos gehouden te worden, om den dapperen ridder Wilfrid van Ivanhoe vergiffenis en uwe vaderlijke liefde te schenken. Bij deze verzoening begrijpt gij, dat ik belang heb;--het geluk van mijn vriend, en het slechten der oneenigheid onder mijn getrouw volk."

"En dit is Wilfrid?" vroeg Cedric, op zijn zoon wijzende.

"Mijn vader!--mijn vader!" riep Ivanhoe, zich aan zijn voeten werpende, "schenk mij uwe vergiffenis!"

"Gij hebt ze, mijn zoon!" hervatte Cedric, hem opheffende. "De zoon van Hereward weet woord te houden, al heeft hij het ook aan een Normandiër gegeven. Maar laat mij u in de kleeding en met de wapens uwer Saksische voorouders zien;--geene korte mantels, geene luchtige mutsen, geene bonte vederbos in mijn nederig huis. Hij, die de zoon van Cedric zijn wil, moet toonen, dat hij van Saksische afkomst is. Gij wilt spreken," voegde hij er op een ernstigen toon bij, "en ik vermoed het onderwerp. De Jonkvrouw Rowena moet twee jaren lang rouwen, als over een verloofden echtgenoot;--al onze Saksische voorouders zouden ons verloochenen, zoo wij aan eene nieuwe verbintenis dachten, eer het graf van den man, dien zij huwen moest, en die hare hand door zijne geboorte en afkomst waardig was, nog gesloten is. De geest van Athelstane zelven zou van zijne bloedige lijkbaar opstaan, en vóór ons verschijnen, om ons van zulk eene onteering zijner nagedachtenis terug te houden!"

Het scheen alsof Cedric's woorden een geest opgewekt hadden, want nauwelijks had hij ze geuit, of de deur vloog open, en Athelstane stond voor hen in zijn doodsgewaad, bleek, vervallen, en volkomen als iemand, die uit het graf is opgestaan. [38]

Deze verschijning verwekte de grootste ontsteltenis en schrik bij alle aanwezigen. Cedric sprong terug, zoo ver als de muur van het vertrek toeliet, leunde er tegen, alsof hij niet in staat was te blijven staan, en staarde op de gedaante van zijn vriend met opengespalkte oogen en een mond, dien hij niet scheen te kunnen sluiten. Ivanhoe maakte een kruis, en zei gebeden op in het Saksisch-Latijn, of Normandisch-Fransch, zooals ze hem voor den geest kwamen, terwijl Richard beurtelings "Benedicite!" riep en "Mort de ma vie!" vloekte.

Intusschen hoorde men een verschrikkelijk gedruisch beneden in het huis, daar eenigen schreeuwden: "Vat de verraderlijke monniken!" anderen: "Werpt hen in de gevangenis!" en weêr anderen: "Smijt hen van de hoogste bolwerken af!"

"In Gods naam!" zei Cedric, zich tot den gewaanden geest van zijn overleden vriend wendende, "indien gij een sterveling zijt, spreek!--indien gij een geest van een afgestorvene zijt, zeg dan, waarom gij ons weder bezoekt, of wat ik doen kan, om uwe ziel tot rust te brengen.--Levend of dood, edele Athelstane, spreek tot Cedric!"

"Dat zal ik," antwoordde de verschijning zeer bedaard, "zoodra ik adem geschept heb, en gij mij den tijd geeft.--Levend, zeidet gij?--Ik leef zoo goed als een mensch leven kan, die van brood en water geleefd heeft gedurende drie dagen, welke mij drie eeuwen toeschijnen.--Ja, brood en water, vader Cedric! Bij den hemel en alle heiligen! er is in drie volle dagen geen beter voedsel over mijn lippen gekomen, en het is door Gods voorzienigheid, dat ik thans hier ben, om u zulks te verhalen!"

"Hoe, edele Athelstane?" zei de Zwarte Ridder; "ik heb zelf gezien, dat gij door den trotschen Tempelier ter neêr geveld werdt bij de bestorming van Torquilstone, en zooals ik dacht, en Wamba verhaalde, was uw schedel tot aan de tanden toe door gekloofd!"

"Gij hebt zulks ten onrechte geloofd, heer ridder," antwoordde Athelstane; "en Wamba heeft gelogen. Mijne tanden zijn in een goeden staat, zooals ik dadelijk bij het avondeten toonen zal.--Dit heb ik evenwel den Tempelier niet te danken, daar zijn zwaard in zijn hand draaide, en de scherpte afgewend werd door mijne strijdknots, waarmede ik zijn slag wilde weren, zoodat hij mij met de platte kling trof; had ik mijn stalen helm op gehad, dan zou ik het niet gevoeld, en hem op mijn beurt een slag gegeven hebben, die hem den terugtocht zou gespaard hebben. Maar zóó viel ik, wel is waar bedwelmd, maar ongekwetst ter neer. Van beiden zijden werden er anderen neêrgehouwen en op mij neêrgeworpen, zoodat ik mijn zinnen niet herkreeg, voordat ik mij in eene doodkist bevond, die gelukkig open was, en geplaatst voor het altaar in de St. Edmunds kerk. Ik niesde meermalen, zuchtte, ontwaakte, en wilde opstaan, toen de Sacristijn en de Abt vol schrik op het gedruisch kwamen aanloopen, verbaasd, onzeker, en geheel niet tevreden, den man levend te vinden, wiens erfgenamen zij zich hadden voorgenomen te worden. Ik vroeg om wijn;--men gaf mij wat; maar die moet ter deeg toebereid geweest zijn, want ik sliep nog vaster dan te voren, en ontwaakte gedurende verscheidene uren niet. Ik vond mijn armen met windsels omwonden,--mijn voeten zoo vast gebonden, dat mijn enkels mij bij de gedachte daaraan nog zeer doen;--de plaats was geheel duister, naar ik geloof de oubliette van hun vervloekt klooster,--en uit de doffe, stikkende lucht begreep ik, dat men ze ook tot begraafplaats gebruikte. Er kwamen zonderlinge gedachten bij mij op over hetgeen er met mij gebeurd was, toen de deur van mijn kerker kraakte, en twee schurken van monniken binnentraden. Zij wilden mij overreden dat ik in het vagevuur was, maar ik kende al te wel de kuchende, kortademige stem van den Pater Abt.--Heilige Jeremias! hoe verschilde ze van den toon, waarop hij gewoon was mij om een stuk gebraad te vragen!--de hond heeft wel eens van Kerstdag tot Driekoningen met mij gezwelgd."

"Geduld, edele Athelstane," zei de Koning, "schep adem,--vertel uwe geschiedenis op uw gemak;--waarachtig zulk een verhaal is even aardig om aan te hooren als een roman!"

"Neen, bij het kruis van Bromholme, het was geen roman!--een gerstebrood en een kruik water,--dat hebben ze mij gegeven, die schurken, welken mijn vader en ik zelf verrijkt hebben, toen hun voornaamste inkomsten nog bestonden uit de stukken spek en schepels koren, welke ze aan arme slaven en lijfeigenen voor hun gebeden afnamen,--dat slecht, ondankbaar addergebroedsel!--gerstebrood en slootwater voor zulk een beschermer als ik geweest ben! Ik zal hen met nest en al verbranden, al word ik ook in den ban gedaan!"

"Maar in den naam der Heilige Maagd, edele Athelstane," zei Cedric, de hand van zijn vriend grijpende, "hoe zijt gij aan dit dreigend gevaar ontsnapt?--Werden hun harten vermurwd?"

"Hun harten vermurwd!" herhaalde Athelstane.--"Smelten rotsen voor de zon! Ik zou er nog geweest zijn, had niet eenig gedruisch, dat, zooals ik thans begrijp, hun optocht was naar mijn lijkmaal, terwijl ze zeer wel wisten, hoe en waar ik levend begraven was, den zwerm uit den korf gelokt. Ik hoorde hen hunne lijkpsalmen brommen, in het geheel niet denkende dat die voor het welzijn van mijne ziel gezongen werden door hen, die mijn lichaam op deze wijze uithongerden. Ze gingen intusschen weg, en ik wachtte lang naar voedsel,--en geen wonder, want de jichtige Sacristijn had al te veel met zijn eigen maaltijd te doen, om aan den mijne te denken. Eindelijk kwam hij met wankelende schreden en een sterken geur van wijn en specerijen bij zich, naar beneden. De goede kost had zijn hart verzacht, want hij liet mij een brok pastei en een flesch wijn inplaats van mijn vorig voedsel. Ik at, dronk en gevoelde mij versterkt; waarop, tot overmaat van geluk, de Sacristijn, die te beneveld was om zijn ambt van sluiter goed waar te nemen, de deur bij het slot langs sloot, zoodat ze in plaats van toe te zijn, aan stond. Het licht, de spijs, de wijn wekten mijn geestvermogens op. De ring, waaraan mijn ketenen bevestigd waren, was meer verroest, dan ik, of de schurkachtige Abt, vermoed hadden. Het ijzer zelf kon de vochtigheid van dien helschen kerker niet wederstaan!"

"Schep adem, edele Athelstane," zei Richard, "en gebruik eenige verversching, eer ge zulk een verschrikkelijk verhaal vervolgt."

"Gebruiken!" hervatte Athelstane. "Ik heb heden reeds vijf maal wat gebruikt,--en echter zou een stukje van die malsche ham mij wel toelachen, en ik bid u, edele heeren, mij met een beker wijn bescheid te doen!"

De gasten, ofschoon nog stom van verbazing, deden evenwel hun uit het graf verrezen gastheer bescheid, die daarop met zijn verhaal voortging. Hij had inderdaad thans veel meer toehoorders dan toen hij begon; want, nadat Edith eenige noodzakelijke bevelen gegeven had, om de zaken in het kasteel in orde te brengen, was ze den verrezene naar het vertrek der vreemdelingen gevolgd, vergezeld door zoo vele gasten, mannen en vrouwen, als in de kleine kamer dringen konden; terwijl anderen op de trap stonden, een onvolkomen verhaal van de zaak opvingen, en het nog onnauwkeuriger aan diegenen welke beneden waren, overbrachten, die het alweder onder het buitenstaande volk verspreidden, op een wijze, die geheel niet met de ware toedracht der zaak overeenkwam. Intusschen vervolgde Athelstane de geschiedenis van zijn ontvluchting.

"Toen ik zag, dat ik van den ring losgeraakt was, sleepte ik mij de trap op, zoo goed als een man, die met ketenen beladen en door het vasten uitgeput is, kon; en na lang rondgetast te hebben, werd ik eindelijk door een vroolijk lied naar de kamer gelokt, waar de waardige Sacristijn, met verlof, een duivelsmis vierde met een grooten, zwaarhoofdigen en breedgeschouderden kloosterbroeder, die er eerder als een dief, dan als een geestelijke uitzag. Ik overviel hen en mijn doodskleederen, zoowel als de klank van mijn ketenen, deed mij meer op een bewoner van de andere dan van deze wereld gelijken.

"Beiden stonden verstomd; maar toen ik den Sacristijn met mijn vuist ter neêr wierp, sloeg de andere kerel, zijn drinkgezel, met een zware knots naar mij."

"Dat moet broeder Tuck zijn, bij alles, wat kostelijk is!" zei Richard, Ivanhoe aanziende.

"Het mag de duivel zijn!" zei Athelstane. "Tot mijn geluk miste hij zijn doel, en toen ik op hem aankwam om handgemeen met hem te worden, zette hij het op een loopen. Ik liet niet na mij van de ketens te bevrijden, door middel van den sleutel, welke onder anderen in den gordel van den Sacristijn hing, en de gedachte kwam bij mij op, om den schurk met den bundel sleutels de hersens in te slaan; maar het stuk pastei en de flesch wijn, welke de schelm mij in mijn gevangenschap gebracht had, verteederden mijn hart; dus liet ik hem na eenige welgemeende schoppen, op den grond liggen, stak wat gebraden vleesch en een lederen wijnzak, waarmede de twee eerwaarde broeders bezig waren, op, ging naar den stal, en vond op een afgezonderde plaats mijn eigen best telpaard, dat zonder twijfel voor het bijzonder gebruik van den Abt ter zijde gezet was. Zoodoende kwam ik hierheen met allen spoed, terwijl mannen en vrouwen voor mij vluchtten, overal waar ik kwam, mij voor een spook houdende, te meer, dat ik de lijkkap over mijn gezicht getrokken had, om niet herkend te worden. Ik zou in mijn eigen kasteel niet toegelaten zijn, zoo men niet gemeend had, dat ik de bediende van een goochelaar was, die de lieden op het slotplein zeer verlustigt, als men in overweging neemt, dat ze vergaderd zijn om de begrafenis van hun heer te vieren. Zooals ik zei, de voorsnijder dacht, dat ik zoo gekleed was, om een rol in de maskerade te spelen, en dus werd ik binnengelaten, ontdekte mij slechts aan mijne moeder en at een hartig brokje, voordat ik u, mijn edelen vriend, opzocht."

"En ge hebt mij gevonden," zei Cedric, "gereed om onze dappere voornemens voor eer en vrijheid weêr op te vatten. Ik zeg u, nooit zal er een zoo gunstige morgen als de eerstvolgende voor de bevrijding van den edelen Saksischen stam aanbreken!"

"Spreek mij niet van iemand te bevrijden," zei Athelstane; "het is goed, dat ik zelf bevrijd ben. Ik heb meer lust om dien schelmschen Abt te straffen. Hij zal van de muren van dit kasteel van Coningsburgh hangen, in zijn priesterlijk gewaad, en als de trap te nauw is voor zijn dik lichaam, dan zal ik hem van buiten laten ophijschen."

"Maar mijn zoon", zei Edith, "denk aan zijn heilig ambt!"

"Denk aan mijn driedaagsche vasten!" hernam Athelstane; "ik wil hun bloed hebben, tot den laatsten man toe! Front-de-Boeuf werd om veel geringere zaken levend verbrand; want hij hield toch eene goede tafel voor zijne gevangenen, en deed slechts te veel knoflook in zijn laatste soep. Maar deze schijnheilige, ondankbare slaven, die vleiers, die zich zoo dikwijls zelven aan mijne tafel genoodigd hebben, die mij soep, noch knoflook, noch iets anders gaven, zij zullen sterven, bij de ziel van Hengist!"

"Maar de Paus, edele vriend!" zei Cedric.

"Maar de duivel, edele vriend!" antwoordde Athelstane; "ze zullen sterven! Geen woord meer! Al waren ze de beste monniken op aarde, dan zou de wereld toch nog wel zonder hen bestaan kunnen!"

"Schaam u, edele Athelstane," hervatte Cedric; "vergeet zulke ellendelingen in de roemrijke loopbaan, welke vóór u ligt. Zeg dezen Normandischen Prins Richard van Anjou, dat, hoe dapper hij ook zij, hij den troon van Alfred niet onbetwist zal bezitten, zoo lang een mannelijke afstammeling van den Heiligen Belijder leeft, om hem zijn rechten te betwisten."

"Hoe!" zei Athelstane, "is dit de edele Koning Richard?"

"Het is Richard Plantagenet zelf," antwoordde Cedric; "evenwel behoef ik u niet te herinneren, dat, daar hij als een vrijwillige gast hierheen is gekomen, hij beleedigd noch gevangen gehouden mag worden;--ge kent uw plicht als gastheer jegens hem!"

"Ja, op mijn woord!" zei Athelstane; "en mijn plicht als onderdaan bovendien; want hier zweer ik hem trouw, met hart en ziel!"

"Mijn zoon," zei Edith, "denk aan uwe koninklijke rechten!"

"Denk aan de bevrijding van Engeland, ontaarde vorst!" riep Cedric.

"Moeder en vriend," hervatte Athelstane, "houdt op met uwe verwijten;--brood en water en een kerker zijn wonderbaarlijke geneesmiddelen tegen de eerzucht, en ik ben wijzer uit het graf opgestaan, dan ik er in nedergedaald ben. De helft van die ijdele gekheden werden mij door dien ellendigen Abt Wolfram in het oor geblazen, en ge kunt thans zelf oordeelen, of hij een raadsman is, dien men vertrouwen kan. Sedert die plannen in werking gebracht zijn, heb ik niets gekend dan overhaaste reizen, slechte vertering, slagen, stooten en gevangenis; en buitendien kunnen ze slechts met het vermoorden van eenige duizenden onschuldige menschen eindigen. Ik zeg u, dat ik koning op mijn eigene goederen zijn wil en nergens anders, en mijn eerste daad van heerschappij zal zijn den Abt op te hangen!"

"En mijn pupil Rowena?" zei Cedric;--"ik vertrouw toch, dat gij niet voornemens zijt haar te verlaten?"

"Vader Cedric," hernam Athelstane, "wees redelijk. Jonkvrouw Rowena geeft niet om mij;--zij houdt meer van den pink van den handschoen van mijn neef Wilfrid dan van mijn geheelen persoon. Daar staat zij om het zelve te bekennen.--Neen, bloos niet, nicht; het is geene schande een ridder van het hof meer te beminnen, dan een landedelman;--en lach ook niet, Rowena, want doodskleederen en een afgevallen gezicht zijn, God weet het, geen onderwerp om er over te lachen! Maar als gij volstrekt lachen wilt, dan zal ik een betere aanleiding voor u vinden.--Geef mij uwe hand, of liever leen ze mij, want ik vraag ze u slechts als vriend. Hier, neef Wilfrid van Ivanhoe, ten uwen voordeele ontzeg ik en zweer ik af—Wel! Bij St. Dunstan, onze neef Wilfrid is verdwenen!--En toch, zoo mijne oogen niet nog verblind zijn door het vasten, dan heb ik hem toch daareven hier zien staan!"

Allen keken thans rond en vroegen naar Ivanhoe; maar hij was verdwenen. Men vernam eindelijk, dat een Jood naar hem gevraagd had, en dat hij, na een kort gesprek met dezen, Gurth om zijne wapenrusting geroepen en het kasteel verlaten had.

"Schoone nicht," zei Athelstane tegen Rowena, "kon ik denken, dat deze, plotselinge verdwijning van Ivanhoe door eenige andere dan de gewichtigste redenen veroorzaakt ware, dan zou ik zelf--"

Maar hij had nauwelijks haar hand laten varen, toen hij bemerkte, dat Ivanhoe verdwenen was, of Rowena, die zich in de uiterste verlegenheid bevond, had de eerste gelegenheid gebruikt om uit het vertrek te ontsnappen.

"Waarachtig!" zei Athelstane, "de vrouwen zijn onder alle dieren het minst te vertrouwen, behalve monniken en abten. Ik wil een ketter zijn, als ik geen dank van haar verwachtte, en misschien nog wel een kus. Deze vervloekte grafkleederen zijn zeker behekst, want iedereen ontvlucht mij. Tot u wend ik mij, edele Koning Richard, met de gelofte van getrouwheid, welke ik, als een getrouw onderdaan--"

Maar Koning Richard was ook heengegaan en niemand wist waarheen. Eindelijk hoorde men, dat hij naar het slotplein gevlogen was, den Jood, die met Ivanhoe gesproken had, bij zich had laten komen, en dat hij, na een kort gesprek met hem, driftig om zijn paard geroepen, zich er op geworpen, den Jood gedwongen had een ander te bestijgen, en met zooveel haast voortgereden was, dat, zooals Wamba zei, het leven van den ouden Jood geen duit waard was.

"Bij mijn ziel!" riep Athelstane, "het is zeker, dat Zernebock gedurende mijne afwezigheid mijn kasteel betooverd heeft! Ik keer in mijn lijkgewaad terug, als uit het graf opgestaan, en ieder, met wien ik spreek, verdwijnt, zoodra hij mijn stem hoort!--Maar het baat niet er over te praten! Komt, vrienden, gij, die nog overgebleven zijt, volgt mij naar de eetzaal, eer er nog meer van ons verdwijnen.--Die zaal is, vertrouw ik, nog al tamelijk wel bezet, gelijk bij de lijkplechtigheid van een oud-Saksischen edelman betaamt; en zoo wij nog langer dralen, wie weet of de duivel niet met het avondeten wegvliegt!"