Geloof mij, iedere staat heeft behoefte aan wetten;
De rijken hebben hun edicten, steden
Haar charters; zelfs bandieten in hun wouden
Bewaren nog een zweem van burgertucht;
Want sedert Adam 't groene voorschoot droeg
Zag men den mensch maatschappelijk vereenigd,
En steeds dien band door wet en recht versterken.
Oud Tooneelstuk.
Door de lanen van het eikenwoud schemerde het daglicht. De groene takken glinsterden met de paarlen van den dauw. De hinde geleidde haar jong uit de schuilplaats van hoog varenkruid naar de meer opene plekken van het groene bosch, en er was geen jager dáár, om het statige hert, aan het hoofd van zijne gehoornde kudde op te wachten, of af te snijden.
De vogelvrijverklaarden waren allen vergaderd om den grooten gerechtseik in de Harthill-laan, waar zij den nacht hadden doorgebracht, met zich van de vermoeienissen van het beleg te herstellen, eenigen door wijn, anderen door slaap, velen door de gebeurtenissen van den strijd aan te hooren of te verhalen, terwijl zij den buit berekenden, welken hun overwinning ter beschikking van hun opperhoofd gesteld had. Deze buit was inderdaad aanzienlijk, want ofschoon veel door het vuur vernield werd, zoo was er toch een groote menigte zilverwerk, rijke wapenrustingen en prachtige kleederen door de onverschrokken roovers gered, die door geen gevaar konden afgeschrikt worden, als zij zulke belooningen te wachten hadden. Zoo streng waren echter de wetten hunner vereeniging, dat niemand het waagde zich slechts het geringste gedeelte van den buit toe te eigenen, welke men op eene algemeene verzamelplaats gebracht had, om ter beschikking van hun aanvoerder te blijven.
De vergaderplaats was bij een ouden eik; niet dezelfde, waarheen Locksley vroeger Gurth en Wamba gevoerd had, maar een andere, welke het middelpunt was van een boomvrijen kring, een halve mijl van het vernielde kasteel van Torquilstone verwijderd. Hier nam Locksley zijn plaats in, op een troon van zoden, opgericht onder de overhangende takken van den ontzaglijken eik, en zijne onderdanen van het bosch stonden in het rond. Hij wees den Zwarten Ridder eene plaats aan zijn rechter en Cedric eene aan zijne linkerhand aan.
"Vergeeft mijne vrijheid, edele heeren," zei hij; "maar in deze bosschen ben ik koning;--het is mijn rijk, en deze, mijne woeste onderdanen, zouden weinig ontzag voor mijne macht hebben, als ik mijne plaats aan een anderen sterveling, wien het ook zij, afstond.--Nu, heeren, wie heeft onzen kapelaan gezien? Waar is onze dappere monnik? Een mis is onder Christenen het beste begin van het dagwerk."--Niemand had den kluizenaar van Copmanshurst gezien.
"Waarlijk," vervolgde de roover-kapitein, "ik hoop, dat het niets anders is, dan dat de vroolijke priester een weinig te lang bij de wijnflesch gezeten heeft. Wie heeft hem na de inneming van het kasteel gezien?"
"Ik heb hem gezien," zeide Mulder, "bezig met eene kelderdeur open te breken, bij alle heiligen uit den almanak zwerende, dat hij Front-de-Boeuf's Gasconjer-wijn eens proeven wilde."
"Nu, dan mogen alle heiligen verhinderd hebben," zei de aanvoerder, "dat hij te diep in het glas gezien heeft, en, bij den val van het kasteel is omgekomen!--Ga, Mulder!--Neem mannen genoeg met u, doorzoek de plaats waar gij hem het laatst gezien hebt;--werp water uit de gracht over de brandende puinhoopen. Ik zal ze steen voor steen laten wegnemen, liever dan mijn braven monnik te verliezen."
De vele mannen, die zich haastten, om dezen plicht te vervullen, ofschoon er eene belangrijke verdeeling van buit zou plaats hebben, bewees hoezeer de veiligheid van den geestelijken vader de bende ter harte ging.
"Laten wij intusschen voortgaan," zei Locksley; "want zoodra deze daad ruchtbaar wordt, zullen de troepen van De Bracy, Malvoisin en andere bondgenooten van Front-de-Boeuf tegen ons optrekken, en dus is het goed, bijtijds voor onze veiligheid te zorgen, en deze buurt te verlaten. Edele Cedric," zei hij, zich tot den Sakser wendende, "de buit is in twee deelen verdeeld; kies dat, hetwelk u het best aanstaat, om uw lieden te beloonen, die onze deelgenooten in deze onderneming geweest zijn."
"Dappere schutter," antwoordde Cedric, "mijn hart is overstelpt van droefheid. De edele Athelstane van Coningsburgh is niet meer,--de laatste spruit van den Heiligen Belijder! Er is met hem eene hoop te gronde gegaan, die nooit meer verwezenlijkt kan worden.--Er is in zijn bloed eene vonk uitgebluscht, welke geen menschelijke adem weder aanblazen kan! Mijne lieden, behalve de weinigen, die nu bij mij zijn, wachten slechts op mijne tegenwoordigheid, om zijn geëerde overblijfsels naar hun laatste rustplaats over te brengen. Jonkvrouw Rowena verlangt naar Rotherwood terug te keeren en moet door eene voldoende macht begeleid worden. Ik zou dus reeds vroeger deze plaats verlaten hebben, ware het niet, dat ik gewacht had,--niet om den buit te deelen;--want, zoo waarlijk helpe mij God en St. Withold! ik noch één der mijnen zal er een penning van nemen,--maar om u en uw dappere volgelingen mijn dank te betuigen voor mijn leven en mijne eer, die gij gered hebt!"
"Maar," zei de aanvoerder, "wij hebben op zijn best slechts het halve werk gedaan; neem van den buit zoo veel, dat ge uwe naburen en uwe lieden beloonen kunt."
"Ik ben rijk genoeg om hen zelf te beloonen," antwoordde Cedric.
"En eenigen," zei Wamba, "zijn wijs genoeg geweest om zich zelven te beloonen. Ze gaan niet allen met ledige handen weg. Wij dragen niet allen zotskappen."
"Dat staat hun vrij," hernam Locksley; "onze wetten zijn alleen van kracht voor ons zelven."
"Maar gij, mijn goede jongen," zei Cedric, zich omkeerende, en den nar omhelzende, "hoe zal ik u beloonen, daar ge niet geaarzeld hebt u zelven in mijne plaats aan gevangenschap en den dood bloot te stellen!--Allen verlieten mij, terwijl de arme nar getrouw bleef!"
Een traan stond in de oogen van den ruwen Thane, terwijl hij dus sprak,--een blijk van aandoening, hetwelk zelfs Athelstane's dood niet van hem afgeperst had; maar er was iets in de half instinctmatige verkleefdheid van zijn nar, dat zijn gemoed sterker trof, dan de smart zelve.
"Neen!" hernam de nar, zich aan zijne omhelzing onttrekkende, "zoo ge mijn dienst met het water uwer oogen betaalt, dan moet de nar mede weenen, en wat wordt er dan van zijn beroep?--Maar, oom, als ge mij inderdaad eene gunst wilt bewijzen, dan verzoek ik u mijn makker Gurth te vergeven, die eene week aan uw dienst ontstolen heeft, om die aan uw zoon toe te wijden."
"Hem vergeven," riep Cedric; "Ik wil hem vergeven en beloonen.--Kniel neder, Gurth." Oogenblikkelijk lag de zwijnenhoeder aan de voeten zijns meesters.--"Sta op! Niet langer als een lijfeigene!" vervolgde Cedric, hem met een stok aanrakende: "Een vrij man zijt gij in de stad, in het woud en in het veld. Ik schenk u een stuk land in mijn gebied van Walburgham voor u en uwe nakomelingen ten eeuwigen dage, en Gods vloek treffe hem, die zich hiertegen durft verzetten!"
Niet langer een slaaf, maar een vrij man en landeigenaar, deed Gurth twee sprongen bijna zoo hoog als hij zelf was, uitroepende: "Een smid en een vijl, hier! om den halsband van een vrij man los te maken!--Edele meester, mijne krachten zijn verdubbeld door uwe gift, en dubbel zal ik voor u vechten!--Er is een vrije geest in mijne borst.--Ik ben een geheel ander man voor mij zelven en allen rondom mij.--Ha, Fangs!" ging hij voort, want de getrouwe hond, toen hij zijn meester zoo verheugd zag, begon tegen hem op te springen en zijn deelneming uit te drukken, "kent ge uw meester nog?"
"Ja," zei Wamba, "Fangs en ik kennen u nog, Gurth, schoon wij den halsband vooralsnog zullen moeten dragen; maar ge zult ons waarschijnlijk vergeten!"
"Ik zal mij zelven eerder vergeten, dan u, trouwe makker," zei Gurth; "en zoo de vrijheid voor u geschikt ware, Wamba, dan zou uw meester u die zeker ook schenken."
"Neen, broeder Gurth," hernam Wamba, "denk niet, dat ik u benijd: de lijfeigene zit bij het vuur in de zaal, terwijl de vrije man naar buiten in het veld moet.--En wat zegt Oldhelm van Malmsbury:--"Beter een nar bij het feest, dan een wijs man in den strijd."
Nu hoorde men het getrappel van paarden, en Jonkvrouw Rowena verscheen, omringd door verscheidene ruiters en eene nog grootere troep voetvolk, welke vroolijk met hunne pieken tegen de schilden sloegen, uit vreugde over hare bevrijding. Zij zelve, rijk gekleed en op een donker bruin paard zittende, had al de waardigheid harer houding hernomen, en slechts eene ongewone bleekheid toonde wat ze uitgestaan had. Haar schoon voorhoofd, hoewel bewolkt, blonk echter met een straal van herlevende hoop voor de toekomst, zoowel als van dankbare erkentenis voor hare verlossing.--Ze wist, dat Ivanhoe in veiligheid, en ook dat Athelstane dood was. Het eerste vervulde haar met oprechte dankbaarheid; en al verheugde zij zich ook juist niet over het laatste, zoo kon men haar vergeven, dat ze het geluk besefte van bevrijd te zijn van verdere aanzoeken in de eenige zaak, waarin ze altijd door haar voogd Cedric was tegengegaan.
Toen Rowena haar paard naar Locksley's zitplaats wendde, stonden de dappere schutter en al zijne onderhoorigen met natuurlijke, ongemaakte hoffelijkheid op, om haar te begroeten. Het bloed kleurde haar wangen toen zij, vriendelijk met de hand groetende, en zoo diep buigende, dat haar schoone, loshangende vlechten voor een oogenblik met de lange manen van haar paard vermengd werden, in weinige maar passende woorden, hare verplichting en haar dank jegens Locksley en hare overige bevrijders uitdrukte.--"God zegene u, brave mannen!" besloot zij, "God en de Heilige Maagd zegenen en beloonen u, dat gij zoo dapper het gevaar getrotseerd hebt om de onderdrukten te helpen!--Zoo één uwer honger mocht lijden, dan herinnert u, dat Rowena voedsel heeft;--zoo gij dorst hebt, dan heeft ze menig vat wijn en bier;--en zoo de Normandiërs u uit deze bosschen verjagen, dan heeft Rowena bosschen genoeg in eigendom, waar hare dappere bevrijders in volle vrijheid kunnen rondzwerven, zonder aan den houtvester voor elken afgeschoten pijl rekenschap te moeten geven!"
"Ik dank u, edele Jonkvrouw!" hervatte Locksley, "voor mijn volgelingen en voor mij zelven. Maar u gered te hebben is reeds belooning genoeg. Wij, die in de groene bosschen rondzwerven, hebben menige woeste daad te verantwoorden, en de bevrijding van Jonkvrouw Rowena zal mogelijk als vergoeding daarvoor gelden."
Nog eens diep buigende, maakte Rowena zich gereed om te vertrekken; maar toen ze een oogenblik stil hield, terwijl Cedric, die haar vergezellen zou, insgelijks afscheid nam, bevond zij zich onverwachts dicht bij den gevangen De Bracy. Hij stond onder een boom in diep gepeins, met de armen over elkander geslagen, en Rowena hoopte, dat zij onopgemerkt hem zou kunnen voorbijrijden. Hij keek evenwel op, en toen hij haar blik ontmoette, verspreidde zich een blos van schaamte over zijn schoon gelaat. Hij stond een oogenblik besluiteloos; hierop, vooruit tredende, vatte hij haar paard bij den teugel, en boog de knie voor haar, zeggende: "Wil de Jonkvrouw Rowena zich verwaardigen een blik te slaan op een gevangen ridder,--op een onteerden krijgsman?"
"Heer ridder," antwoordde Rowena, "in ondernemingen, als de uwe, ligt de ware schande, niet in overwonnen te zijn, maar in de overwinning."
"De zegepraal, Jonkvrouw, moest het hart verzachten," hernam De Bracy; "laat mij slechts vernemen, dat Jonkvrouw Rowena het geweld vergeeft, door ongelukkigen hartstocht veroorzaakt, en zij zal weldra zien, dat De Bracy haar op een edeler wijze weet te dienen."
"Ik schenk u, heer ridder, Christelijke vergiffenis!" zei Rowena.
"Dat wil zeggen," zei Wamba, "dat ze hem in het geheel niet vergeeft."
"Maar ik kan nooit de ellende en verwoesting vergeten, die uwe razernij heeft veroorzaakt!" vervolgde Rowena.
"Laat den teugel los," riep Cedric, nader tredende. "Bij de heldere zon boven ons hoofd, indien ik mij niet schaamde, zou ik u met mijn werpspies aan den grond vastboren; maar wees verzekerd, Maurice De Bracy, dat uw deel in deze schanddaad u duur te staan zal komen!"
"Wie een gevangene dreigt, die dreigt veilig," hervatte De Bracy; "maar wanneer had een Sakser ooit eenig besef van ridderlijkheid?" en hierop een paar schreden achteruit tredende, liet hij de Jonkvrouw voortrijden.
Eer zij vertrokken, gaf Cedric zijne bijzondere dankbaarheid te kennen aan den Zwarten Ridder en verzocht hem dringend, hem naar Rotherwood te vergezellen.
"Ik weet," zei hij, "dat gij, dolende ridders, uw fortuin het liefst zoekt met de punt uwer lansen, en u weinig om land of rijkdom stoort; maar de oorlogskans is wisselvallig, en zelfs de zwervende kampioen verlangt weleens naar eene rustige verblijfplaats. Gij hebt er een verdiend te Rotherwood, edele ridder; Cedric bezit genoeg om de onrechtvaardigheid van het geluk te herstellen, en alles, wat hij heeft, behoort aan zijn verlosser.--Kom derhalve naar Rotherwood, niet als gast, maar als zoon, of als broeder."
"Cedric heeft mij reeds rijk gemaakt," hernam de ridder; "hij heeft mij de waarde der Saksische deugd geleerd. Naar Rotherwood zal ik komen, brave Sakser, en dat spoedig; maar voor het oogenblik beletten mij gewichtige en dringende bezigheden een bezoek in uw huis af te leggen. Zoo ik er kom, zal ik mogelijk eene gunst van u vorderen, welke zelfs uwe edelmoedigheid op de proef zal stellen."
"Zij is reeds toegestaan, eer gij er om vraagt," zei Cedric, terwijl hij zijne hand in die des ridders legde, welke met den ijzeren handschoen bedekt was,--"zij is reeds toegestaan, al moest het mijn half vermogen kosten."
"Beloof niet zoo schielijk," hervatte de ridder; "ik hoop echter de belooning, die ik vragen zal, te verkrijgen. Intusschen vaarwel!"
"Ik heb nog maar te zeggen," voegde de Sakser er bij, "dat gedurende de begrafenisplechtigheden van den edelen Athelstane, ik zijn kasteel Coningsburgh zal betrekken.--Het zal openstaan voor allen, die aan de plechtigheden willen deelnemen; en ik spreek in den naam van de edele Edith, de moeder van den gesneuvelden vorst;--haar woning zal nooit gesloten zijn voor hem, die zoo dapper, schoon te vergeefs medegewerkt heeft, om Athelstane van Normandische ketenen en Normandisch staal te redden."
"Ach ja," zei Wamba, die was begonnen zijne rol weder bij zijn heer te spelen, "goede sier zal er zijn:--het is jammer, dat de edele Athelstane bij zijn eigen lijkmaal niet smullen kan.--Maar hij," vervolgde de nar, zijne oogen ernstig ten hemel slaande, "zit in het paradijs, en doet zonder twijfel den maaltijd eere aan!"
"Zwijg,--en voorwaarts!" zei Cedric, wiens toorn over deze ontijdige scherts door de herinnering aan Wamba's onlangs bewezene diensten gematigd werd. Rowena maakte eene beleefde buiging voor den Zwarten Ridder; de Sakser beval hem in Gods hoede, en ze reden door eene breede laan van het bosch weg.
Nauwelijks waren zij vertrokken, of er kwam plotseling een stoet van onder de groene takken te voorschijn, die langzaam over de vlakte trok en dezelfde richting nam, als Rowena en haar geleiders. De priesters van een naburig klooster vergezelden, in de verwachting van een rijke begiftiging, door Cedric beloofd, de baar waarop Athelstane's lijk lag, en hieven gezangen aan terwijl het droevig en langzaam, op de schouders zijner vazallen, naar het kasteel van Coningsburgh gedragen werd, om daar in het graf van Hengist nedergelegd te worden, van wien de overledene afstamde. Vele zijner vazallen waren op de tijding van zijn dood vergaderd, en volgden de baar, met ten minste uiterlijke teekens van neêrslachtigheid en rouw. De vrijbuiters stonden andermaal op, en bewezen aan den dood dezelfde ongemaakte en vrijwillige hulde, die ze zoo kort te voren aan de schoonheid bewezen hadden; de lijkzang en de langzame tred der priesters herinnerden hen aan diegenen hunner makkers, die den vorigen dag in den strijd gesneuveld waren. Maar zulke herinneringen duren niet lang bij menschen, die een leven vol gevaren en avonturen leiden, en nog eer de klank van het lijkgezang uit het gehoor was, waren de schutters reeds weder bezig met de verdeeling van hun buit.
"Dappere ridder," zei Locksley tot den zwarten kampvechter, "zonder wiens moed en machtigen arm onze onderneming ten eenenmale had moeten mislukken, wilt gij van dien buit nemen wat u het meest behaagt, als een herinnering aan dezen mijn gerechts-eik?"
"Ik neem het aanbod aan," antwoordde de ridder, "even gul als het gedaan wordt, en ik vraag verlof, om naar welgevallen over den ridder Maurice De Bracy te mogen beschikken."
"Hij is reeds tot uw beschikking," hernam Locksley; "en het is een geluk voor hem, anders had die tiran den hoogsten tak van dezen eik versierd, met zoovelen van zijne vrijbende, als wij hadden kunnen bijeen brengen, om hem heen.--Maar hij is uw gevangene, en hij is veilig, al had hij mijn eigen vader vermoord."
"De Bracy," zei de ridder, "ge zijt vrij:--vertrek van hier. Hij, wiens gevangene gij zijt, rekent het beneden zich eene lage wraak te nemen voor wat reeds voorgevallen is. Maar wacht u in de toekomst; anders zal het u kwalijk gaan. Maurice De Bracy, ik zeg u, wees in de toekomst op uw hoede!"
De Bracy maakte eene diepe, sprakelooze buiging, en was op het punt van zich op weg te begeven, toen de schutters eensklaps een geschreeuw, dat hun afschuw en bespotting te kennen gaf, aanhieven. De trotsche ridder bleef oogenblikkelijk staan, keerde zich om, sloeg de armen over elkander, richtte zich op, en riep: "Zwijgt, gij blaffende honden! die een geschreeuw maakt, dat ge niet durfdet aanheffen, toen het wild zich verdedigde.--De Bracy veracht uw spot zoowel als uwe goedkeuring. Voort naar uwe bosschen en holen, gij vogelvrijverklaarde dieven! en zwijgt stil, wanneer er een mijl afstands van uwe vossenholen van iets ridderlijks en edels gesproken wordt!"
Deze ontijdige terging zou De Bracy een hagelbui van pijlen bezorgd hebben, zoo de aanvoerder niet haastig tusschenbeide gekomen ware. Inmiddels greep de ridder een paard bij den teugel; want verscheidene, die uit Front-de-Boeuf's stallen genomen waren, stonden opgetoomd in de nabijheid, en maakten een aanzienlijk gedeelte van den buit uit. Hij wierp zich in den zadel, en reed door het bosch weg.
Toen de verwarring door dit voorval veroorzaakt, eenigszins bedaard was, nam de rooverkapitein van zijn eigen hals den schoonen horen en draagband, welke hij kort te voren te Ashby bij het boogschieten gewonnen had.
"Edele heer," zei hij tegen den Zwarten Ridder, "indien gij het niet beneden u acht een horen aan te nemen, dien ik eens gedragen heb, dan bid ik u, dezen te bewaren, ter gedachtenis aan uw dapperen bijstand,--en zoo ge iets te doen hebt, en (zooals het dikwijls een dapperen gaat), in het nauw gebracht wordt in een of ander bosch tusschen de Trent en de Tees, dan blaas deze drie mots [30] op den horen aldus; Wa-sa-hoa! en ge zult wellicht helpers en verlossers vinden."
Hierop blies hij nog eens dezelfde noten op den horen tot de ridder ze gevat had.
"Grooten dank voor uw gift, dappere schutter," zei de ridder; "betere hulp dan de uwe en die van uwe lieden zou ik nooit zoeken, al ware ik ook in den uitersten nood." En hierop blies hij, dat het geheele bosch er van weêrgalmde.
"Goed en zuiver geblazen," zei de schutter; "bij mijn ziel, ge verstaat evenveel van de jacht als van den oorlog!--ge zult in uw tijd menig hert geveld hebben, daar sta ik voor in.--Kameraden, let op deze drie klanken;--het is het teeken van den Zwarten Ridder, en hij, die het hoort, en zich niet haast om hem in zijn nood bij te staan, dien laat ik met zijne eigene boogpees uit onze bende weggeeselen."
"Leve onze aanvoerder!" schreeuwden de schutters, "en leve de Zwarte Ridder!--Moge hij weldra onze hulp noodig hebben, opdat wij hem bewijzen kunnen, hoe genegen wij hem zijn!"
Locksley ging nu over tot het verdeelen van den buit, dat hij met de lofwaardigste onpartijdigheid deed. Een tiende gedeelte werd voor de Kerk en tot godsdienstige doeleinden ter zijde gelegd; vervolgens werd een gedeelte afgezonderd voor een soort van algemeenen schat; een gedeelte werd gegeven aan de weduwen en kinderen van hen die gevallen waren, of besteed aan missen voor de zielen van hen, die geen familie hadden nagelaten. Het overige werd verdeeld onder de vogelvrijverklaarden, volgens hun rang en hunne verdiensten; en het oordeel van den aanvoerder werd bij alle twijfelachtige gevallen met groote scherpzinnigheid gegeven en met volkomen onderwerping ontvangen. De Zwarte Ridder was niet weinig verbaasd te zien, dat menschen, die zoo in strijd met de wet leefden, onder elkander zoo geregeld en rechtvaardig bestierd werden, en alles wat hij zag verhoogde zijne gunstige meening omtrent de rechtvaardigheid en schranderheid van hun aanvoerder.
Toen ieder zijn eigen aandeel van den buit weggenomen had, en terwijl de schatmeester, vergezeld door vier sterke schutters, het gedeelte aan het algemeen fonds toebehoorende naar een verborgene en veilige plaats bracht, lag het voor de Kerk bestemde gedeelte nog onaangeroerd.
"Ik wenschte," zei de kapitein, "dat wij tijding konden krijgen van onzen vroolijken kapelaan;--hij placht nooit afwezig te zijn, als de spijzen gezegend, of de buit verdeeld moest worden, en het is zijn plicht om zorg te dragen voor deze tienden van onze welgeslaagde onderneming. Het is mogelijk, dat deze aan de Kerk bewezene dienst eenige zijner ongeregeldheden doet vergeven. Ik heb echter ook een anderen heiligen broeder in de nabijheid gevangen, en ik wilde gaarne, dat de monnik mij hielp naar behooren met hem te onderhandelen.--Ik twijfel echter zeer aan de veiligheid van den dapperen kluizenaar."
"Dat zou mij zeer spijten," hernam de Zwarte Ridder, "want ik ben hem voor zijn gulle gastvrijheid en den vroolijken nacht in zijn cel, veel verschuldigd. Laat ons naar de puinhoopen van het kasteel gaan, mogelijk vernemen wij daar iets van hem."
Terwijl ze dus spraken, kondigde een luid gejuich der schutters de aankomst van hem aan, voor wien ze bezorgd waren; en zij hoorden de harde stem van den monnik zelven, lang eer zij zijn gespierde gedaante zagen.
"Plaats, vroolijke makkers!" riep hij; "plaats voor uw geestelijken vader en zijn gevangene.--Roept nog eens welkom!--Ik kom, edele kapitein, gelijk een arend, met mijn prooi in de klauwen."--En zich onder het gelach van alle omstanders een weg door den kring banende, verscheen hij zegepralende, met zijn zware strijdknots in de eene hand, en in de andere een touw, waarvan het eene einde om den hals van den ongelukkigen Izaäk van York geslagen was, die gebukt onder leed en schrik, door den overmoedigen priester werd voortgetrokken.--"Waar is Allen-a-Dale, om mij in eene ballade of een lied te vereeuwigen?--Bij de heilige Hermangilde! die gekke speelman is altijd afwezig, als er een geschikte gelegenheid is om de dapperheid te bezingen."
"Vroolijke priester," zei de aanvoerder, "gij zijt heden morgen bij een natte mis geweest, hoe vroeg het ook nog is. In den naam van St. Nikolaas, wien hebt gij daar?"
"Een gevangene van mijn zwaard, en mijne lans, edele kapitein," hernam de kluizenaar van Copmanshurst; "van mijn boog en mijne knots, moest ik liever zeggen; en echter heb ik hem door mijne heiligheid uit een nog ergere gevangenschap gered. Spreek, Jood, heb ik u niet uw geloof, uw Pater en uw Ave Maria geleerd?--Heb ik niet den geheelen nacht besteed, om u toe te drinken en u in de mysteriën in te wijden?"
"Om Gods wil!" riep de arme Jood, "wil niemand mij verlossen uit de macht van dezen dollen,--ik wilde zeggen, van dezen heiligen man?"
"Hoe is het, Jood!" zei de monnik op dreigenden toon; "herroept gij, Jood?--Bedenk u, zoo gij in uw ongeloof terugvalt, dan zijt gij, ofschoon niet zoo malsch als een speenvarken,--ik zou willen dat ik er een voor mijn ontbijt had,--toch niet te taai om gebraden te worden.--Wees verstandig, Jood, en zeg mijn woorden na: Ave Maria--"
"Neen, wij willen geene heiligschennis, dolle priester," zei Locksley; "laat ons liever hooren, waar gij uw gevangene gevonden hebt."
"Bij St. Dunstan," hervatte de monnik, "ik vond hem op eene plaats, waar ik naar betere waar zocht. Ik ging in den kelder, om te zien wat men dáár redden kon; want ofschoon een beker warmen wijn, met specerijen er in, een avonddrankje is voor een keizer, scheen het mij toch toe, dat het overdaad was zoo veel van dien goeden drank in eens te doen opkoken; ik had één vaatje wijn opgenomen en wilde om meer hulp roepen bij die luie kerels, welke altijd te zoek zijn als er eene goede daad te verrichten is, toen ik eene zware gesloten deur bespeurde.--Ha, ha! dacht ik, het uitgezochtste druivensap is in deze geheime bewaarplaats te vinden, en die schelm van een keldermeester, in zijn beroep gestoord, heeft den sleutel in de deur laten zitten.--Ik ging er dus in, maar vond juist niets dan een partij verroeste ketenen en dezen hond van een Jood, die zich terstond op genade en ongenade aan mij overgaf. Ik verkwikte mij slechts na de vermoeienis van den strijd tegen den ongeloovige met een schuimenden beker wijn, en wilde mijn gevangene voortleiden, toen de steenen van een buitentoren, met een vreeselijk gekraak, alsof het een donderslag was, instortten, (verwenscht zijn de handen, die hem gebouwd hebben!) en den uitgang belemmerden. Het geraas van den eenen vallenden toren volgde op dat van den ander;--ik gaf alle hoop op om mijn leven te redden; en daar ik het voor schade hield voor een man van mijn beroep, in gezelschap van een Jood uit deze wereld te gaan, nam ik mijne knots ter hand, om hem de hersens in te slaan, maar ik had medelijden met zijn grijze haren, en oordeelde het beter mijn wapen weder neer te leggen en mijne geestelijke kracht te zijner bekeering te gebruiken. En wezenlijk, met den zegen van den heiligen Dunstan, is het zaad in een goeden grond gevallen, ware het niet dat, door den geheelen nacht over de heilige mysteriën met hem te spreken bij eene leege maag, (want de weinige druppels wijn, die ik gebruikt heb om mijn verstand te scherpen, komen niet in aanmerking), mijn hoofd wat duizelig geworden was.--Maar ik was geheel uitgeput,--Gilbert en Willibald weten, in welken toestand ze mij gevonden hebben:--geheel en al uitgeput!"
"Wij kunnen het getuigen," zei Gilbert, "want toen wij het puin hadden weggeruimd, en met de hulp van St. Dunstan, de trap der gevangenis ontdekt hadden, vonden wij het vaatje half ledig, den Jood half dood, en den monnik meer dan half uitgeput, zooals hij het noemt."
"Gij liegt, schelm!" hervatte de vertoornde priester; "gij en uw gulzige makkers hebt den wijn uitgedronken, en noemdet het uw morgenslok.--Ik ben een Heiden, zoo ik den wijn niet voor onzen kapitein bewaard had. Maar wat kan het schelen? De Jood is bekeerd, en begrijpt alles wat ik hem gezegd heb, bijna even goed, zoo niet volkomen zoo goed, als ik zelf."
"Jood," zei Locksley, "is dat waar? Hebt gij uw ongeloof afgezworen?"
"Mocht ik zoo zeker zijn genade in uwe oogen te vinden," antwoordde de Jood, "als ik zeker niets weet van al wat de eerwaarde priester in dezen verschrikkelijken nacht tegen mij gesproken heeft. Helaas! ik was zoo verward door doodsangst, schrik en pijn, dat al ware onze heilige vader Abraham gekomen, om voor mij te preeken, hij maar een dooven toehoorder gevonden zou hebben."
"Gij liegt, Jood, en dat weet gij ook," zei de monnik; "ik zal u slechts één woord van ons gesprek herinneren;--gij hebt beloofd om uw geheel vermogen aan onze heilige Orde af te staan!'
"Zoo waar mij het Woord Gods helpe, mijne heeren," riep Izaäk, nog ongeruster dan te voren, "geen woord van dien aard is over mijne lippen gekomen! Helaas! ik ben een oud, doodarm man,--en daarenboven, vrees ik, ook kinderloos;--hebt medelijden met mij en laat mij gaan!"
"Neen," zei de monnik, "als gij geloften intrekt, die gij ten voordeele der Heilige Kerk gedaan hebt, dan moet gij boete doen!"
Hij hief zijne knots op, en zou krachtig op de schouders van den Jood toegeslagen hebben, zoo niet de Zwarte Ridder den slag tegengehouden en daardoor den toorn van den heiligen monnik tot zich zelven getrokken had.
"Bij St. Thomas van Kent," riep hij, "wie houdt mij tegen? Ik zal u leeren om u met uwe eigene zaken te bemoeien, in weerwil van uw ijzeren pot!"
"Och, wees niet boos op mij!" hernam de ridder; "gij weet, dat ik uw gezworen vriend en makker ben."
"Daar weet ik niets van," antwoordde de monnik; "en ik verklaar u voor een neuswijzen kwast."
"Ja, maar," hervatte de ridder, die er genoegen in scheen te scheppen, zijn voormaligen gastheer te plagen, "hebt gij vergeten hoe gij, om mijnentwille, uwe geloften van vasten en waken verbroken hebt, want ik zeg niets van de verleiding der flesch en der pastei?"
"Waarachtig, vriend!" zei de monnik, hem met zijn groote gebalde vuist dreigende, "ik zal u een klap geven!"
"Ik neem zulke geschenken niet aan," [31] hernam de ridder, "ik zal u met even grooten woeker terugbetalen, als ooit uw gevangene daar in zijn handel geëischt heeft."
"Dat zal ik zien!" zei de monnik.
"Hola!" riep de kapitein, "wat wilt gij, gekke priester? Wilt ge twist maken onder mijn gerechtsboom?"
"Geen twist," zei de ridder, "het is slechts eene vriendelijke beleefdheidswisseling.--Monnik, sla toe, als gij durft.--Ik zal uw slag afwachten, zoo gij den mijne wilt ontvangen."
"Gij hebt het voordeel van dien ijzeren pot op uw hoofd," zei de geestelijke; "maar op den grond moet gij; al waart gij Goliath van Gath, in zijn metalen helm."
De monnik ontblootte zijn gespierden arm tot aan den elleboog, en gaf den ridder uit al zijn macht een slag, welke een os zou geveld hebben. Maar zijn tegenpartij stond zoo vast als een rots. De hem omringende schutters hieven een luid gejuich aan.
"Nu, priester," zei de ridder, zijn ijzeren handschoen uittrekkende, "zoo ik voordeel had boven u in mijn hoofd, dan zal ik er geen hebben in mijne hand;--sta vast!"
"Genam meam dedi vapulatori.--Ik heb mijn wang aan mijn vijand blootgegeven," hernam de priester, "als gij mij van de plaats kunt brengen, dan schenk ik u het losgeld van den Jood."
Zoo sprak de dappere priester, terwijl hij eene fiere houding aannam. Maar wie kan het noodlot weêrstaan? De slag van den ridder viel met zooveel kracht en juistheid, dat de monnik hals over kop over den grond rolde, tot groote verbazing van alle toeschouwers. Maar hij stond weder op, zonder vertoornd of ontmoedigd te zijn.
"Broeder," zei hij tegen den ridder, "gij hadt uwe kracht met wat meer bescheidenheid moeten gebruiken. Ik zou een slechte mis-lezer geworden zijn, als gij mij de kinnebak stuk geslagen hadt, want de pijper blaast slecht, als hij geene tanden in den mond heeft. Evenwel, daar hebt ge mijne hand tot een vriendschapspand, dat ik geen klappen meer met u wisselen wil; daar ik bij den handel verloren heb. Maak nu een einde aan alle vijandschap. Laat ons het losgeld van den Jood bepalen, daar het luipaard zijn vlekken niet afleggen kan, en hij een Jood blijven wil."
"De priester," zei Clement, "is niet half zoo zeker van de bekeering des Joods, sinds hij dien klap om de ooren gekregen heeft."
"Loop, schelm, wat praat gij van bekeering?--Hoe! hebt gij geene achting voor mij?--Zijn allen heeren en geen knechts?--Ik zeg u, kerel, ik was een weinig duizelig, toen ik den slag van den braven ridder ontving, anders was ik blijven staan. Maar zoo gij er nog langer over babbelt, dan zult gij leeren, dat ik zoowel geven als ontvangen kan."
"Stilte!" riep de kapitein.--"En gij, Jood, denk aan uw losgeld; ik behoef u niet te zeggen, dat uw stam bij alle Christelijke gemeenten voor vervloekt gehouden wordt; en wees verzekerd, dat wij uwe tegenwoordigheid onder ons niet dulden kunnen. Denk dus aan een bod, terwijl ik een gevangene van eene andere soort ondervraag."
"Zijn er veel van Front-de-Boeuf's lieden gevangen?" vroeg de Zwarte Ridder.
"Geen enkele, die gewichtig genoeg is, om losgeld te laten betalen," antwoordde de kapitein. "Het waren eenige ellendelingen, die wij losgelaten hebben, om een nieuwen meester te zoeken;--er was genoeg gedaan tot wraak en voordeel; de overigen waren niets waard. De gevangene, van wien ik spreek, is een betere buit;--een vroolijke monnik, die naar zijn liefje reed, zooals ik uit zijn prachtig paardentuig en zijn kleeding opmaak. Daar komt de waardige prelaat aan, zoo trotsch als een pauw."
En tusschen twee schutters in, werd onze oude kennis, de Prior van Jorvaulx, voor den troon van den aanvoerder der schutters gebracht.