Ivanhoe · Walter Scott (translated by M. P. Lindo)

Chapter 31: Hoofdstuk 31

Nog eens den storm gewaagd, geliefde vrienden!
Nog eens, of anders vult de bres met lijken.
-- -- -- -- --En gij, braaf landvolk,
In Eng'land groot geworden, toon ons hier
De kracht van deeglijk voedsel, laat ons zweren,
Dat ge uw verpleging waardig zijt!

Shakespeare's Koning Hendrik V.

Ofschoon Cedric niet veel vertrouwen stelde op Ulrica's belofte, deelde hij die toch aan den Zwarten Ridder en Locksley mede. Het was hun aangenaam eene vriendin in de plaats te hebben, die in geval van nood hun het binnenkomen gemakkelijker kon maken; en zij waren het met den Sakser volkomen eens, dat een bestorming, hoe ongunstig ook de omstandigheden waren, gewaagd moest worden, als het eenige middel om de gevangenen uit de handen van den wreeden Front-de-Boeuf te bevrijden.

"Het koninklijke bloed van Alfred is in gevaar!" zei Cedric.

"De eer eener edele Jonkvrouw wordt bedreigd!" zei de Zwarte Ridder.

"En bij den heiligen Christophorus op mijn bandelier," riep de dappere schutter, "indien er geen andere reden ware dan de redding van den armen, getrouwen nar Wamba, dan zou ik mijn leven er aan wagen, om te verhinderen, dat één haar van zijn hoofd gekrenkt zou worden."

"Ik ook," zei de monnik. "Hoe mijn heeren! Ik hoop dat een nar,--ik meen, ziet gij, mijn heeren, een nar, die van het gild is, en zijn handwerk verstaat, en die een beker wijn even smakelijk en aangenaam kan maken als een stuk spek;--ik zeg, broeders, zoolang ik een mis kan lezen en een strijdbijl voeren, zal zulk een nar nooit gebrek hebben aan een wijzen geestelijke, om in geval van nood voor hem te bidden of te vechten."

En hierop zwaaide hij zijn zwaren hellebaard om het hoofd, alsof het een licht herderstafje geweest ware.--

"'t Is waar, heilige man," zei de Zwarte Ridder; "even waar alsof St. Dunstan zelf het gezegd had!--En zou het nu niet goed zijn, dappere Locksley, dat de edele Cedric de leiding van den aanval op zich nam?"

"Ik niet," hernam Cedric; "ik ken de middelen niet om deze vestingen der tirannij, die de Normandiërs in dit ongelukkig land hebben gesticht, te veroveren of te verdedigen. Ik wil mede vechten in het voorste gelid; maar mijn eerlijke buren weten wel, dat ik niet ervaren ben in krijgstucht, noch in het aanvallen van sterkten."

"Als het dus gesteld is met den edelen Cedric," zei Locksley, "ben ik volkomen bereid om het bestuur der boogschutters op mij te nemen; en ge moogt mij aan een mijner eigene boomen ophangen, als de verdedigers hun hoofd over de muren steken zonder met even veel pijlen doorboord te worden, als er kruidnagels in een kermisham zijn."

"Goed zoo, dappere schutter!" zei de Zwarte Ridder, "en als men mij de eer waardig keurt, om een bevel in den strijd te voeren, en er onder deze dapperen, mannen gevonden worden, die bereid zijn om een echt Engelschen ridder te volgen,--want zóó durf ik mij noemen,--dan ben ik gereed, om den storm tegen deze muren aan te voeren, met zooveel bekwaamheid als de ondervinding mij geleerd heeft."

Toen de aanvoerders het bevel op deze wijze onderling verdeeld hadden, begon men den eersten aanval, welks uitkomst de lezer reeds vernomen heeft.

Zoodra het buitenwerk ingenomen was, zond de Zwarte Ridder tijding van dit gelukkig voorval aan Locksley, hem tevens verzoekende, zoo nauwkeurig het kasteel te bewaken, dat de verdedigers hunne macht niet konden vereenigen, om door een plotselingen uitval het verloren buitenwerk te heroveren. Dit wilde de ridder vooral verhinderen, omdat hij verzekerd was, dat de lieden, die hij aanvoerde, als driftige en ongeoefende vrijwilligers, slecht gewapend en niet aan krijgstucht gewoon, in een plotselingen aanval met groot nadeel zouden vechten tegen de geoefende soldaten der Normandische ridders, die goed voorzien waren met wapens zoowel voor de verdediging als voor den aanval; en die volkomen vertrouwen stelden op de kracht, die volmaakte krijgstucht en gedurige oefening verleenden in den strijd tegen de ijverige en vurige belegeraars.

Intusschen had de ridder een soort van schipbrug, of lang vlot laten vervaardigen, waarmede hij over de gracht hoopte te komen in weerwil van den tegenstand des vijands. Dit werk vorderde eenigen tijd, welken de aanvoerders te minder verloren achtten, omdat Ulrica hierdoor gelegenheid kreeg om haar plan, welk het ook zijn mocht, ten hunnen voordeele uit te voeren. Toen het vlot echter gereed was, zei de Zwarte Ridder: "Nu is hier geen tijd meer te verspillen; de zon zinkt reeds in het westen,--en gewichtige redenen veroorloven mij niet nog een enkelen dag bij u te blijven. Het zou bovendien een wonder zijn indien ons geene ruiters uit York overvielen, als wij ons voornemen niet met spoed volbrengen.--Een uwer ga dus bij Locksley, en verzoeke hem een hagelbui van pijlen af te schieten op de andere zijde van het kasteel, en voorwaarts te trekken, alsof hij voornemens was een aanval te wagen; en gij, getrouwe Engelsche mannen, staat mij bij, en houdt u gereed om het vlot dadelijk over de gracht te stooten, zoodra de poort van onze zijde geopend wordt. Volgt mij stoutmoedig over de gracht heen, en helpt mij gindsche valpoort in den hoofdmuur van het kasteel open breken. Zij wien deze dienst niet toelacht, of die te slecht gewapend zijn tot dezen strijd, moeten het buitenwerk bezetten; trekt de boogpeezen tot aan uw ooren, en bestookt ieder, die op het bolwerk durft verschijnen, met uw pijlen.--Edele Cedric, wilt gij het bevel op u nemen over degenen, die achter blijven?"

"Neen, bij de ziel van Hereward!" zei de Sakser. "Aanvoeren kan ik niet; maar dat het nageslacht mij in mijn graf vervloeke, als ik niet voorop ben, overal waar gij den weg wijst.--De twist gaat mij aan, en het is mijne zaak, de eerste in het heetst van het gevecht te zijn."

Maar, edele Sakser!" hernam de ridder, "gij hebt pantser noch borstharnas;--niets dan een lichte helm, schild en zwaard."

"Des te beter!" antwoordde Cedric; "Ik zal te gemakkelijker de wallen beklimmen. Verschoon mijn snoeven, heer ridder! Heden zult gij de naakte borst van een Sakser even onverschrokken aan het gevaar zien blootgesteld, als ooit het stalen harnas van een Normandiër."

"In Gods naam dan," zei de ridder; "werpt de poort open, en voorwaarts met het vlot!"

De poort, die toegang verschafte van den wal des buitenwerks naar de gracht, en die met de poort in den hoofdmuur gemeenschap had, werd nu plotseling geopend; de in haast vervaardigde brug werd al voorwaarts geduwd, en plofte weldra in het water; zij strekte zich in lengte van het buitenwerk tot aan het kasteel uit, en vormde zoo een glibberigen en onveiligen weg, waarop twee mannen naast elkander over de gracht konden gaan. Overtuigd van het belang dat zij er bij hadden om den vijand te overrompelen, sprong de Zwarte Ridder, door Cedric gevolgd, op de brug, en bereikte de overzijde. Hier begon hij met zijne bijl tegen de poort van het kasteel te donderen, gedeeltelijk beschermd tegen het schieten en de steenen, die de verdedigers van boven wierpen, door de overblijfselen der vorige ophaalbrug, welke de Tempelier bij zijn aftocht uit het buitenwerk had afgebroken, en waarvan het trekwerk aan het bovenste gedeelte der poort was blijven zitten. Zij, die den ridder volgden, waren niet zoo gedekt; twee er van werden oogenblikkelijk met pijlen neêrgeschoten, en buitendien vielen er nog twee in de gracht; de anderen trokken zich terug naar het buitenwerk.

De toestand van Cedric en den Zwarten Ridder was nu werkelijk gevaarlijk, en zou nog gevaarlijker geweest zijn, zonder den standvastigen moed van de boogschutters in het buitenwerk, die onophoudelijk hun pijlen op de wallen richtten, de aandacht dergenen, die ze bezetten afleidden, en hun aanvoerders dus een verademing verschaften tegen een hagelbui van pijlen, waarmede men hen anders zou overstelpt hebben. Maar hun toestand werd van oogenblik tot oogenblik wanhopiger.

"Schaamt u!" schreeuwde De Bracy den soldaten toe, die hem omringden; "Noemt gij u boogschutters, en gij laat deze beide honden hunne plaats houden onder de wallen van het kasteel? Werpt de steenen van de borstwering op hen neder, zoo het niet anders kan;--haalt houweelen en koevoeten, en naar beneden met dien zwaren brok," op een groot stuk steenen snijwerk wijzende, dat buiten de borstwering uitstak.

Op dit oogenblik viel den belegeraars de roode vlag in het oog, op den hoek van den toren, dien Ulrica Cedric had aangewezen. De dappere Locksley was de eerste, die ze ontwaarde, toen hij naar het buitenwerk ijlde, ongeduldig om den afloop van den aanval te zien.

"St. George!" riep hij, "St. George voor Engeland! valt aan, dappere schutters! hoe! laat gij den braven ridder en den edelen Cedric den toegang alleen bestormen?--Dring binnen, dolle priester, toon dat gij voor uw rozenkrans vechten kunt.--Dringt binnen, brave schutters!--het kasteel is het onze, wij hebben vrienden binnen de wallen;--ziet gindsche vlag, het afgesproken teeken!--Torquilstone is het onze!--weest uwe eer indachtig, denkt aan den buit!--nog één oogenblik en wij zijn meester van de plaats!"

Hierop spande hij zijn boog, en joeg een pijl door het hart van een der gewapenden, die op De Bracy's bevel een stuk van den muur losmaakten, om het Cedric en den Zwarten Ridder op het hoofd te storten. Een tweede krijgsman nam den stervende den ijzeren koevoet uit de hand, waarmede hij den steen had losgewerkt, maar op hetzelfde oogenblik kreeg hij een pijl door zijn helm en stortte dood van den muur in de gracht. De gewapenden werden verschrikt, want geen wapenrusting scheen bestand tegen de pijlen van den geduchten schutter.

"Wijkt gij, laffe schelmen?" schreeuwde De Bracy; "Montjoye Saint Dénis!--Geeft mij den koevoet!"

Hij nam het ijzer op, en lichtte opnieuw den losgemaakten brok, welke, als die naar beneden geworpen werd, zwaar genoeg was, om niet slechts de overblijfsels van de ophaalbrug, welke de beide voorste belegeraars beschermden, te verpletteren, maar ook om het vlot, waarop ze over de gracht gekomen waren, in den grond te boren. Allen begrepen het gevaar, en de stoutsten, zelfs de moedige priester, waagden het niet den voet op het vlot te zetten. Driemaal spande Locksley zijn boog tegen De Bracy, en driemaal stuitte zijn pijl op des ridders wapenrusting af.

"Dat verwenschte Spaansche stalen harnas!" zei Locksley. "Als een Engelsche smid het gemaakt had, zouden deze pijlen er doorgedrongen zijn als door zijde of taf." Hierop begon hij te roepen: "Terug, kameraden! vrienden! edele Cedric! terug, en laat den steen vallen!"

Zijn waarschuwing werd niet gehoord, want het geraas, dat de ridder zelf maakte met zijn slagen op de poort, zou het geluid van twintig krijgstrompetten verdoofd hebben. De getrouwe Gurth sprong werkelijk voorwaarts op de met planken belegde brug, om Cedric te redden van het lot, dat hem boven het hoofd ging, of om het met hem te deelen. Maar zijne waarschuwing zou te laat gekomen zijn; de zware brok wankelde reeds, en De Bracy zou zijn voornemen volbracht hebben, indien de stem van den Tempelier hem niet in de ooren geklonken had.

"Alles is verloren, De Bracy, het kasteel brandt!"

"Gij raast!" hernam de ridder.

"Het staat aan de westzijde in lichter laaie. Ik heb te vergeefs getracht ze te blusschen!"

Met onverschrokken koelbloedigheid, de hoofdtrek van zijn karakter, deelde Brian De Bois-Guilbert dit ijselijke nieuws mede, dat niet zoo kalm door zijn verbaasden strijdmakker werd aangehoord.

"Alle heiligen uit het Paradijs!" riep De Bracy; "wat nu? Ik beloof den heiligen Nicolaas van Limoges een kandelaar van zuiver goud---"

"Spaar uwe gelofte," hernam de Tempelier, "en luister naar mij. Breng uwe mannen naar beneden, alsof gij een uitval wildet doen. Er zijn slechts twee mannen op het vlot, werpt hen in de gracht, en snel er over heen naar het buitenwerk. Ik zal een uitval doen door de hoofdpoort en het buitenwerk van den anderen kant bestormen; en als wij dezen post herwinnen, kunnen wij ons verdedigen tot wij hulp krijgen, of ten minste, tot men ons gunstige voorwaarden toestaat."

"Goed bedacht," zei De Bracy; "ik zal mijne rol spelen.--Tempelier, gij zult mij niet in den steek laten!"

"Op mijn woord en riddereer, zal ik u bijstaan!" zei Bois-Guilbert. "Maar in Gods naam, haast u!"

IJlings verzamelde De Bracy zijne manschappen en vloog naar de poort, die hij oogenblikkelijk liet openen. Maar nauwelijks was dit geschied of de Zwarte Ridder drong met een onweerstaanbare kracht binnen, in weerwil van De Bracy en zijn volgelingen. Twee der voorsten vielen oogenblikkelijk, en de overigen weken, niettegenstaande hun aanvoerder zich alle moeite gaf om hen tot staan te brengen.

"Honden!" riep De Bracy, "zult gij u door twee mannen den eenigen weg ter redding laten afsnijden?"

"Het is de duivel!" riep een veteraan, voor de slagen van den Zwarten Ridder wijkende.

"En al is het de duivel," hernam De Bracy, "wilt gij van hem weg in de hel vluchten?--Het kasteel brandt achter ons, lafaards!--laat de wanhoop u moed geven, of laat mij vooruit, ik zelf zal het met dezen vijand opnemen."

Ridderlijk handhaafde De Bracy op dien dag den roem, dien hij in de burgeroorlogen dezer gevaarvolle tijden verworven had. De gewelfde gang, waarheen de sluippoort leidde, en waarin deze beide geduchte kampvechters nu man tegen man streden, weêrgalmde van de geweldige slagen, die ze elkander toebrachten, De Bracy met zijn zwaard en de Zwarte Ridder met zijn zware bijl. Eindelijk kreeg de Normandiër een slag, die, ofschoon het geweld er van gedeeltelijk door zijn schild werd afgeweerd, want anders zou De Bracy nimmer weder een lid verroerd hebben, zoo hevig zijn helm trof, dat hij lang uit op de aarde nederstortte.

"Geef u over, De Bracy," zei de Zwarte Ridder, terwijl hij zich over hem heenbukte en den noodlottigen dolk, waarmede de ridders hun vijanden afmaakten en welken men den genadedolk heette, op het vizier van zijn helm zette, "geef u over, Maurice De Bracy, op genade of ongenade, of gij zijt des doods!"

"Ik geef mij aan geen onbekenden overwinnaar over," zei De Bracy met zwakke stem. "Zeg mij uw naam, of doe met mij wat gij wilt;--men zal nimmer kunnen zeggen, dat De Bracy zich overgaf aan een naamloozen landlooper!"

De Zwarte Ridder fluisterde den overwonnene iets in het oor.

"Ik geef mij over als uw gevangene, op genade of ongenade," antwoordde de Normandiër, wiens vastberadene hardnekkigheid plotseling in de volmaaktste maar ongewilligste onderwerping veranderd was.

"Ga naar het bruggenhoofd," zei de overwinnaar op gebiedenden toon, "om daar mijn verdere bevelen af te wachten."

"Vergun mij u eerst iets te zeggen," hernam De Bracy, "waarbij gij belang hebt:--Wilfrid van Ivanhoe is gewond en gevangen in dit kasteel, en zonder oogenblikkelijke hulp komt hij in de vlammen om."

"Wilfrid van Ivanhoe!" riep de Zwarte Ridder uit; "gevangen en in gevaar van om te komen!--iedereen in het kasteel zal er met zijn leven verantwoordelijk voor zijn, als er een haar op zijn hoofd gezengd wordt.--Wijs mij zijn kamer!"

"Klim gindsche wenteltrap op,--die voert u naar zijn vertrek.--Wilt ge mijn geleide aannemen?"

"Neen; naar het bruggenhoofd, en wacht daar op mijne bevelen. Ik vertrouw u niet, De Bracy."

Gedurende dit gevecht en het korte gesprek, dat er op volgde, drong Cedric aan het hoofd van een bende, waaronder de monnik zich onderscheidde, over de brug zoodra hij de sluippoort open zag, en dreef de ontmoedigde en hopelooze volgelingen van De Bracy terug, van welken sommigen genade smeekten, anderen een vruchteloozen tegenstand boden, en de meesten naar het binnenplein vluchtten. De Bracy zelf stond op en wierp zijn overwinnaar een bedroefden blik achterna. "Hij vertrouwt mij niet," herhaalde hij; "maar heb ik zijn vertrouwen verdiend?" Hij nam zijn zwaard van den grond, zette zijn helm af, als teeken van onderwerping, en, naar het bruggenhoofd gaande, gaf hij zijn zwaard over aan Locksley, dien hij daar ontmoette.

Zoodra de brand de overhand verkreeg, ontwaarde men er ook teekenen van in de kamer, waar Ivanhoe door de Jodin Rebekka opgepast en verpleegd werd. Hij werd uit zijne korte sluimering gewekt door het geraas van den slag, en zijne bewaakster, die zich op zijn dringende bede weder aan het venster geplaatst had om den loop van den aanval te bespieden en te beschrijven, werd gedurende eenigen tijd verhinderd in haar waarnemingen door een steeds toenemenden, verstikkenden damp. Eindelijk werden ze opmerkzaam gemaakt op het klimmende gevaar door de rookwolken, die in de kamer rolden,--door het geschreeuw om water, dat men boven het krijgsrumoer uit kon hooren.

"Het kasteel staat in brand!" zei Rebekka; "het staat in vlammen!--Hoe redden wij ons?"

"Vlucht, Rebekka, en red uw eigen leven," zei Ivanhoe, "want geene menschelijke hulp kan mij van dienst zijn."

"Ik wil niet vluchten," zei Rebekka, "wij zullen te zamen omkomen of gered worden.--En echter, groote God! Mijn vader, mijn vader,--wat zal zijn lot zijn!"

Op dit oogenblik vloog de deur van het vertrek open, en de Tempelier vertoonde zich;--het was een verschrikkelijke verschijning, want zijn vergulde wapenrusting was gedeukt en bebloed, en de pluim van zijn helm was gedeeltelijk afgerukt, gedeeltelijk verbrand. "Ik heb u gevonden," zei hij tot Rebekka; "ge zult ondervinden, dat ik woord houd, en lief en leed met u wil deelen.--Er is slechts één weg ter redding over, door honderderlei gevaren heb ik mij een weg gebaand, om u dien aan te wijzen. Volg mij oogenblikkelijk!" [28]

"Alleen," antwoordde Rebekka, "zal ik u niet volgen. Indien gij uit eene vrouw geboren zijt,--indien gij slechts één vonkje menschelijkheid bezit;--indien uw hart niet zoo hard is als uw borstharnas,--red mijn ouden vader,--red dezen gewonden ridder!"

"Een ridder," antwoordde de Tempelier, met de hem eigene koelbloedigheid, "een ridder, Rebekka, moet den dood in de oogen zien; hetzij hij hem in den strijd, of in het vuur ontmoet,--en wie bekommert zich om het lot van een Jood?"

"Woeste krijgsman," zei Rebekka, "liever wil ik in de vlammen omkomen, dan mijn behoud aan u te danken hebben!"

"Gij zult geene keus hebben, Rebekka;--éénmaal hebt gij mij teleurgesteld; maar geen sterveling heeft zulks ooit ten tweedenmaal gedaan."

Dit zeggende, greep hij de verschrikte maagd, die het kasteel met haar gegil vervulde, en droeg haar uit de kamer, in weerwil van haar angst, en zonder te letten op de bedreigingen, en de uitdaging, die Ivanhoe hem achterna bulderde.

"Hond van een Tempelier,--schandvlek uwer orde!--stel het meisje in vrijheid! Verraderlijke Bois-Guilbert, Ivanhoe beveelt het u!--Schurk, ik zal u het hart met mijn staal doorboren!"

"Ik zou u niet gevonden hebben, Wilfrid," riep de Zwarte Ridder, die op dit oogenblik binnentrad, "indien gij niet zoo hard geschreeuwd hadt."

"Als gij een echte ridder zijt," hernam Wilfrid, "denk dan niet aan mij;--vervolg gindschen roover,--red Jonkvrouw Rowena;--zoek naar den edelen Cedric!"

"Ieder zijne beurt," antwoordde de ridder; "maar eerst is de beurt aan u!"

Hij nam Ivanhoe op, en droeg hem even gemakkelijk weg als de Tempelier Rebekka had gedragen; vloog door de poort, en nadat hij hier zijn last aan de zorg van twee schutters had toevertrouwd, ging hij weder in het kasteel om de andere gevangenen te helpen verlossen.

Een der torens stond nu in lichter laaie, die met geweld uit de vensters en schietgaten sloegen; maar op andere plaatsen weerstonden die dikke muren en gewelfde daken de macht van het vuur, en hier heerschte nog de woede der menschen, terwijl elders het nauwelijks verschrikkelijker element meester was; Want de belegeraars vervolgden de verdedigers van het kasteel van kamer tot kamer, en stilden in hun bloed de wraak, die hen al lang tegen de krijgslieden van den wreeden Front-de-Boeuf bezield had. Het grootste gedeelte van de bezetting verdedigde zich tot het uiterste, eenige weinigen vroegen om genade, die echter niemand verkreeg. Het gesteun der gekwetsten en het gekletter der wapenen vervulde de lucht;--de grond was glibberig van het bloed van wanhopige en stervende menschen.

Midden door dit tooneel van verwarring drong Cedric, om Rowena te zoeken, terwijl de getrouwe Gurth, die hem van nabij door het gedrang volgde, zijne eigene veiligheid verwaarloosde, om de slagen af te weren, die tegen zijn meester gericht werden. De edele Sakser was gelukkig genoeg het vertrek zijner pupil te bereiken, toen ze reeds alle hoop op redding had opgegeven, en in doodsbenauwdheid een crucifix op haar hart drukkende, een oogenblikkelijken dood verwachtte. Hij gaf haar aan Gurth over, die haar in veiligheid naar het bruggenhoofd zou geleiden, werwaarts de weg nu van vijanden gezuiverd, en nog niet door de vlammen afgesneden was. Toen dit volbracht was, haastte de getrouwe Cedric zich om zijn vriend Athelstane te zoeken, vast besloten om den laatsten telg van den Saksischen koninklijken stam te redden, aan welk gevaar hij zichzelven ook zou moeten blootstellen. Maar eer Cedric tot aan de oude zaal, waar hij zelf gevangen was geweest, doordrong, had de vindingrijke geest van Wamba zichzelven en zijn lotgenoot de vrijheid weder verschaft.

Toen het geraas aankondigde dat de slag op het heetst was, begon de nar te schreeuwen, zoo hard hij kon: "St. George en de draak!--St. George met het schoone Engeland!--Het kasteel is overwonnen!" En dit geschreeuw maakte hij nog schrikbarender, door eenige verroeste wapens, die in de zaal verspreid lagen, tegen elkander te slaan.

Eenige wachters, in het buiten- of voorvertrek geplaatst, en die te voren reeds door den angst overvallen waren, werden nu verschrikt door Wamba's geschreeuw, en de deur open latende, liepen ze naar den Tempelier om hem te vertellen, dat de vijanden tot in de oude zaal doorgedrongen waren. In dien tusschentijd vonden de gevangenen er geen zwarigheid in, om in de voorkamer te ontsnappen, en vandaar op de plaats van het kasteel te komen, het laatste tooneel van het gevecht. Hier zat de trotsche Tempelier te paard, omringd door verscheidene van de bezetting, zoowel te voet als te paard, die hun krachten met die van dezen beroemden aanvoerder vereenigd hadden, om de laatste kans op behoud te wagen en den eenigen weg, die hun tot den aftocht overbleef, meester te blijven. De ophaalbrug was op zijn bevel nedergelaten, maar de doorgang was bezet, want de boogschutters, die tot dusver het kasteel slechts van die zijde met hunne pijlen bestookt hadden, zagen nauwelijks de vlammen uitbarsten en de ophaalbrug neêrlaten, of zij drongen naar den ingang, zoowel om het garnizoen het ontkomen te beletten, als om zich van hun deel van den buit te verzekeren, eer het kasteel afbrandde. Van den anderen kant waren zij, die door de sluippoort waren binnen gekomen, nu tot op het plein doorgedrongen, en vielen woedend op het overschot der verdedigers aan, die dus van weêrskanten tegelijk bestormd werden.

Door wanhoop bezield en door het voorbeeld van hun onwrikbaren aanvoerder aangespoord, vochten de overgeblevene krijgslieden van het kasteel met den uitersten moed, en daar ze goed gewapend waren, gelukte het hun meer dan eens de aanvallers terug te drijven, ofschoon ze veel geringer in aantal waren. Rebekka, vóór een van des Tempeliers Saraceensche slaven op het paard geplaatst, was in het midden der kleine bende,--en niettegenstaande de verwarring der bloedige schermutseling, droeg Bois-Guilbert alle mogelijke zorg voor hare veiligheid. Hij was bestendig aan hare zijde,--en terwijl hij verzuimde zichzelven te verdedigen, beschermde hij haar met zijn driehoekig stalen schild; dan, plotseling van haar zijde vliegende, liet hij zijn veldgeschreeuw hooren, drong voorwaarts, sloeg den voorsten zijner aanvallers ter aarde, en was oogenblikkelijk weder naast haar paard.

Athelstane, die, zooals de lezer weet, traag maar niet lafhartig was, zag de vrouwelijke gedaante, welke de Tempelier zoo zorgvuldig verdedigde, en twijfelde er niet aan, dat het Rowena was, die de ridder schaakte, in weerwil van allen tegenstand, dien men hem bood.

"Bij de ziel van den heiligen Eduard!" riep hij, "ik wil haar uit de macht van gindschen overmoedigen ridder redden, en door mijn hand zal hij sterven!"

"Bedenk wat gij doet," zei Wamba; "de haastige hand vangt een kikvorsch in plaats van een visch.--Bij mijn zotskap, die dame ginds is Jonkvrouw Rowena niet,--zie maar naar haar lange, zwarte lokken!--Maar, als gij geen zwart van wit onderscheiden wilt, moogt gij aanvoerder zijn, zoo gij verkiest; maar ik zal u niet volgen;--ik laat mijn beenderen niet breken, of ik moet weten voor wien.--En gij ook zonder wapenrusting!--Bedenk toch, een zijden muts staat nooit voor een stalen kling.--Nu, wie van zelf in het water loopt, die moet ook gaarne verdrinken.--Deus vobiscum, dappere Athelstane!" riep hij uit, terwijl hij des Saksers wambuis losliet, waarbij hij hem tot dusver vastgehouden had.

Een strijdbijl van den grond op te nemen, die naast een man lag, wiens stervende hand ze juist had laten vallen,--op des Tempeliers bende aan te vallen, met de grootste snelheid rechts en links slagen uit te deelen, en bij iederen slag een vijand ter neder te vellen, was voor Athelstane's groote kracht, thans door ongewone woede bezield, slechts het werk van één oogenblik, en hij was weldra op eenige schreden afstands van Bois-Guilbert, dien hij met luide stem uitdaagde.

"Hierheen, valsche Tempelier!--Laat haar los, die gij niet waardig zijt aan te raken;--hierheen, gij waardig lid eener bende roovers en huichelaars!"

"Hond!" riep de Tempelier, de tanden knarsende, "ik zal u leeren, de heilige orde van den Tempel van Sion te lasteren!" en met deze woorden, zijn steigerend paard wendende, ging hij op Athelstane los, en zich in de stijgbeugels verheffende, om met zooveel geweld mogelijk neer te komen, bracht hij Athelstane een geweldigen slag op het hoofd toe.

Te recht had Wamba gezegd, dat eene zijden muts geen stalen kling kon weêrstaan. Zoo scherp was des Tempeliers zwaard, dat het de met ijzer beslagen greep van de knots, welke de ongelukkige Sakser zwaaide, om den slag af te wenden, als een wilgen tak doorkliefde, en op zijn hoofd neêrkomende, hem ter aarde deed storten.

"Hah! Beauséant!" riep Bois-Guilbert. "Zoo ga het alle tegenstanders der Tempelieren!" En toen gebruik makende van den schrik, welken Athelstane's val veroorzaakt had, riep hij luid: "Dat zij, die zich redden willen, mij volgen!" Zoo drong hij over de ophaalbrug, de boogschutters uiteenjagende, welke hem tegenhouden wilden. Hij werd gevolgd door zijne Saracenen en een zestal krijgslieden, die hun paarden bestegen hadden. Des Tempeliers terugtocht werd gevaarlijk gemaakt door de menigte pijlen, welke op hem en zijn lieden afgeschoten werden, maar dit belette hem niet, om naar het bruggenhoofd te rennen, waarvan hij, volgens hun vroeger plan, De Bracy meester hoopte te vinden.

"De Bracy! De Bracy!" schreeuwde hij, "Zijt gij daar?"

"Ik ben hier," hernam De Bracy; "maar ik ben gevangen."

"Kan ik u verlossen?" riep Bois-Guilbert.

"Neen," hervatte De Bracy; "ik heb mij op genade of ongenade overgegeven, en ik zal woord houden. Red u;--er broeit onheil;--maak dat de zee tusschen u en Engeland ligt.--Meer durf ik niet zeggen!"

"Goed," antwoordde de Tempelier; "zoo gij hier wilt blijven, dan bedenk, dat ik aan mijn woord en riddereer getrouw ben gebleven. Wat er ook voor onheil dreige, mij dunkt, dat de muren van Templestowe eene veilige schuilplaats zullen zijn; en daarheen zal ik als een vogel naar zijn nest vluchten."

Met deze woorden, reed hij met de zijnen weg.

De lieden uit het kasteel, welke niet te paard waren, zetten den strijd nog met de belegeraars wanhopig voort, na het vertrek van den Tempelier, maar meer omdat zij geen genade verwachten konden, dan wel uit hoop om zich te redden. Het vuur verspreidde zich snel door het kasteel, toen Ulrica, die het ontstoken had, op een torentje verscheen, volkomen gelijk aan eene furie der ouden, en een krijgszang aanhief, zooals eertijds de Skalden bij de nog heidensche Saksers op het slagveld gewoon waren te zingen. Haar lang, loshangend grijs haar viel van haar onbedekt hoofd neder; de woeste vreugde van verzadigde wraak schitterde uit haar oogen met het vuur der zinneloosheid, en zij zwaaide het spinrokken, hetwelk zij in de hand hield, alsof zij eene der noodlottige zusters geweest ware, die den draad van des menschen leven spinnen en afsnijden. De overlevering heeft eenige ruwe strophen van het barbaarsch gezang bewaard, dat zij onder dat tooneel van brand en slachting met woeste stem uitgilde.

1

Wet nu het glinst'rend staal,
Zoon van den schitterenden draak!
Ontsteek nu de fakkel,
Gij dochter van Hengist!
Niet voor het vreugdemaal glinstert het staal;
Hard is het, breed en verschriklijk gepunt.
Niet naar de bruidskamer gaat nu het toortslicht;
't Schittert en flikkert, van zwaveldamp blauw.
Wet dan het staal;--ha, hoe krassen de raven!
Ontsteek dan het fakkellicht; Zernebock huilt!
Wet dan het staal, o gij zoon van den draak!
Ontsteek dan het fakkellicht, dochter van Hengist!

2

--Zwart hangt de wolk op des Heeren kasteel;
De adelaar schreeuwt er; hij rijdt er op trotsch.--
Schreeuw niet, gij grijze berijder der wolken,--
Bereid is uw gastmaal!
Walhalla, uw maagden zien neêr,--
De stamme van Hengist zendt gasten.
Schud uw donkere lokken, gij maagd van Walhalla;
Roer uw trommels van vreugde!
Menige stap richt zich straks naar uw wallen,
Menig gehelmde kruin!

3

De avond rust donker op des edelen kasteel,
Dáár pakken de duistere wolken zich samen;
Ras zijn zij rood als het bloed van de dapp'ren!
De woudenvernieler schudt herwaarts zijn helmbosch;
Hij, de vernieler der trotsche paleizen,
En zwaait met zijn somb're banier,
Bloedrood, en duister, en wijd,
Over den strijd van de dapp'ren.
Hem verheugt gekletter der zwaarden, het breken der schilden,
't Drinken van 't kokende bloed, dat spat uit de wonden
der strijders.

4

Allen vergaan!
't Zwaard klieft den helm;
De lansen doorboren en harnas en schilden,
Vlammen verteren de woning der vorsten,
Stormrammen breken de borstwering af.
Allen vergaan!
Hengist, uw stam is daarheen--
Horsa, uw naam is niet meer!--

5

Siddert dan niet voor het graf, o gij zonen van 't zwaard!
Laten uw zwaarden den bloedstroom nu zwelgen als wijn!
Vergast u aan 't feestmaal der slachting,
Bij 't licht van de brandende hallen!
Sterk zij uw zwaard, nu u 't bloed nog ontvlamd is;
Spaart niets uit deernis, spaart niets uit vrees;
Dit is het oogenblik der wrake gegund,
Want ook het vuur van den haat zal vergaan--
Ook mij wacht de dood! [29]

De zich hoe langer hoe sterker verheffende vlammen waren nu alle hinderpalen te boven gekomen en stegen naar de wolken op als één ontzaglijke vuurkolom, welke men wijd en zijd kon zien. Toren op toren stortte in, met brandende daken en balken, en de strijders werden van de plaats verjaagd. De overwonnenen, van wie er maar zeer weinigen overbleven, verstrooiden zich en ontsnapten in het nabijgelegen woud. De overwinnaars, zich in groote benden verzamelende, staarden met verbazing en niet zonder vrees, op de vlammen, waarin hun eigene rijen en wapenen donkerrood glinsterden. De gedaante van de waanzinnige Ulrica was lang zichtbaar op de hooge standplaats, die zij uitgekozen had, en zij strekte de armen met woeste drift uit, alsof zij de leidster van den door haar ontstoken brand ware. Eindelijk stortte met een verschrikkelijk gekraak de geheele toren in, en zij kwam in dezelfde vlammen om, die haar tiran verteerd hadden. Een oogenblik van vreeselijke ijzing deed de gewapende aanschouwers verstommen, die gedurende eenige minuten geen vinger verroerden anders dan om zich te kruisen. Het eerst liet Locksley zijn stem hooren: "Verheugt u, schutters! het nest der tirannen is uitgeroeid! Laat ieder zijn buit naar onze verzamelplaats bij den grooten eik in de Harthill-laan brengen; want daar zullen wij bij het aanbreken van den dag een billijke verdeeling maken tusschen onze eigene bende en onze waardige bondgenooten in deze groote daad van vergelding!"