Een zoo vervloekt lastige hand om te lezen,
als ik ooit van mijn leven gezien heb!
Goldsmith.
De Tempelier ging naar de zaal van het kasteel terug en vond De Bracy reeds daar aanwezig. "Uwe vrijerij," zei deze, "is waarschijnlijk, evenals de mijne, door dit luidruchtige trompetgeschal gestoord. Maar gij zijt later en met meer tegenzin gekomen, en dus veronderstel ik, dat uwe ontvangst gunstiger is geweest, dan de mijne."
"Is uw aanzoek bij de Saksische erfdochter vruchteloos geweest?" vroeg de Tempelier.
"Bij het gebeente van Thomas-à-Becket," antwoordde De Bracy, "Rowena moet gehoord hebben, dat ik het gezicht van vrouwentranen niet verdragen kan."
"Kom!" zei de Tempelier; "gij, de aanvoerder van eene vrij-bende, stoort u aan de tranen eener vrouw! Eenige droppels, op de liefdetoorts gesprengd, doen de vlam des te feller branden."
"Grooten dank voor eenige droppels," hernam De Bracy; "maar dit meisje heeft genoeg geweend, om het licht van een vuurbaak uit te blusschen. Nooit is er zulk een handenwringen en tranenvloed geweest sedert de dagen van St. Niobe, [24] waarvan Prior Aymer ons verteld heeft. Een watergeest is in de Saksische schoone gevaren."
"De Jodin is door een legioen booze geesten bezield," hervatte de Tempelier; "want ik geloof niet, dat één enkele, al ware het Apollyon [25] in eigen persoon, zulken ontembaren hoogmoed en standvastigheid kon inboezemen. Maar waar is Front-de-Boeuf? Dit horengeschal doet zich hoe langer hoe harder vernemen!"
"Hij onderhandelt met den Jood, denk ik," hernam De Bracy onverschillig; "waarschijnlijk heeft het gehuil van Izaäk den klank van den horen verdoofd. Gij zult bij ondervinding weten, ridder Brian, dat een Jood, die zijn geld af moet staan op voorwaarden, zooals onze vriend Front-de-Boeuf vermoedelijk voorschrijft, een geschreeuw zal maken, luid genoeg om boven twintig horens en trompetten uit gehoord te worden. Maar wij zullen hem laten roepen."
Een oogenblik daarna kwam Front-de-Boeuf, die in zijne onmenschelijke wreedheid op de reeds verhaalde wijze gestoord was, en zich slechts met het geven van eenige noodige bevelen had opgehouden.
"Laat ons zien wat de oorzaak is van dit vervloekt geraas," zei Front-de-Boeuf; "hier is een brief, en zoo ik mij niet vergis, dan is die in het Saksisch geschreven."
Hij bekeek dien van alle kanten, alsof hij wezenlijk eenige hoop had den inhoud te zullen raden door het papier rond te draaien, en daarop overhandigde hij den brief aan De Bracy.
"Het kan wel een tooverbrief zijn, wat weet ik er van," zei De Bracy, die zijne volle maat bezat van de onkunde, welke de ridders van dit tijdperk onderscheidde. "Onze Kapelaan heeft beproefd mij schrijven te leeren," vervolgde hij, "maar al mijne letters kregen den vorm van lanspunten en zwaard-klingen, en dus gaf de oude kaalkop het op."
"Geef mij den brief," zei de Tempelier. "Dit hebben wij van den priesterstand gekregen, dat wij eenige kennis bezitten, om onzen moed voor te lichten."
"Laten wij dan gebruik maken van uwe eerbiedwaardige kennis," zei De Bracy; "wat zegt de brief?"
"Het is een plechtige uitdaging," antwoordde de Tempelier; "maar, bij de Heilige Maagd, als het geen zotte scherts is, dan is het de zonderlingste uitdaging, die ooit over de ophaalbrug van een ridderkasteel gezonden is."
"Scherts!" zei Front-de-Boeuf; "Ik wilde wel eens weten, wie in zulk een zaak met mij zou durven schertsen!--Lees op, Ridder Brian!"
De Tempelier begon aldus te lezen: "Ik, Wamba, de zoon van Weetniet, hofnar van een edel en vrijgeboren man, Cedric van Rotherwood, bijgenaamd, de Sakser,--en ik, Gurth, de zoon van Beowolf, zwijnenhoeder--"
"Gij zijt waanzinnig geworden," zei Front-de-Boeuf, den lezer in de rede vallende.
"Bij St. Lucas, het staat er," antwoordde de Tempelier. Hierop zijne taak hervattende, vervolgde hij: "Ik, Gurth, de zoon van Beowolf, zwijnenhoeder van genoemden Cedric, ondersteund door onze bondgenooten, die gemeene zaak met ons in dezen strijd maken, zijnde deze bondgenooten, de dappere ridder, voor het tegenwoordige Le Noir Fainéant genoemd en de geduchte boogschutter Robert Locksley, Tref-het-wit genoemd, doen u, Reginald Front-de-Boeuf, en uw bondgenooten en medeplichtigen, wie het ook zijn, weten, dat, daar gij, zonder aanleidende oorzaak of verklaarden oorlog, u van den persoon van onzen heer en meester, genoemden Cedric, tegen recht en billijkheid en door list hebt meester gemaakt; alsook van de persoon van eene edele en vrijgeborene Jonkvrouw, de Jonkvrouwe Rowena van Hargottstandstede, alsook van den persoon van een edel en vrijgeboren man, Athelstane van Coningsburgh; alsook van de personen van zekere vrijgeboren mannen, hun knechts, alsook van zekere mannen, hun geboren lijfeigenen, alsook van een zekeren Jood, genaamd Izaäk van York, te gelijk met zijne dochter, eene Jodin, en zekere paarden en muilezels: welke edele personen, met hunne knechts en lijfeigenen, en ook met de paarden en muilezels, den Jood en de Jodin, hierboven genoemd, allen in vrede waren met Zijne Majesteit, en als getrouwe onderdanen op des Konings heirwegen reisden; daarom eischen en vergen wij, dat genoemde edele personen, namelijk, Cedric van Rotherwood, Rowena van Hargottstandstede, Athelstane van Coningsburgh, met hunne bedienden, knechts, en gevolg, alsook de paarden en muilezels, de Jood en de Jodin, hierboven genoemd, te gader met alle have en goed, dat hun toekomt, een uur na de overgifte dezes aan ons overgegeven worden, of aan hen, die wij zullen benoemen om hen te ontvangen, ongedeerd en ongeschonden in lichaam en goederen. Bij gebreke van dien, verklaren wij u, dat wij u houden voor roovers en verraders, en dat wij onze lichamen tegen u in den slag, bij de belegering, of anders zullen wagen, en ons best doen tot uwe vernieling en ondergang. Inmiddels moge God u in Zijne hoede en bescherming nemen!--Door ons geteekend op den avond voor St. Witholds dag, onder den ouden eik in de laan van Hart-hill; het bovenstaande geschreven zijnde door een heilig man, een dienaar van God, van de Heilige Maagd, en St. Dunstan, in de kapel van Copmanshurst."
Onder dit geschrift bevond zich vooreerst een ruwe schets van een hanekop en kam, met een opschrift, hetwelk verklaarde, dat dit het teeken was van Wamba, den zoon van Weetniet. Onder dit schoone zinnebeeld stond een kruis, als het teeken van Gurth, den zoon van Beowolf. Daaronder stonden in stoute, fiksche letters de woorden: "Le Noir Fainéant;" en eindelijk een vrij net geteekende pijl, als het teeken van den schutter Locksley.
De ridders hoorden dit vreemd document van begin tot einde, en zagen toen elkander in stille verbazing aan, alsof zij geheel niet in staat waren, de beteekenis er van te begrijpen. De Bracy verbrak het eerst het stilzwijgen door een schaterend gelach, waarin hem de Tempelier volgde, schoon met meer gematigdheid. Front-de-Boeuf, daarentegen, scheen misnoegd over hunne ontijdige vroolijkheid.
"Ik verzeker u, mijne Heeren," zei hij; "dat gij beter zoudt doen, met te overleggen, hoe wij in deze omstandigheden moeten handelen, dan met u aan zulk een ongepast gelach over te geven."
"Front-de-Boeuf is sedert zijn laatsten val nog niet weder bij goede luim," zei De Bracy tot den Tempelier: "hij schrikt bij het bloote denkbeeld van eene uitdaging, al komt die ook maar van een nar en een zwijnenhoeder."
"Bij St. Michiel!" antwoordde Front-de-Boeuf; "ik wilde, De Bracy, dat gij het avontuur geheel alleen moest doorstaan. Deze schurken zouden niet met zulke onbegrijpelijke onbeschaamdheid hebben durven handelen, zoo zij niet door sterke benden ondersteund werden. Er zijn vogelvrijverklaarden genoeg in dit bosch, om zich te wreken over de bescherming, die ik aan het wild schenk. Ik heb slechts één kerel, die met bebloede handen op heeter daad gevat werd, aan de horens van een wild hert laten binden, dat hem in vijf minuten dood boorde en er werden even zoo vele pijlen op mij afgeschoten, als op het wit te Ashby.--Hoor eens," vervolgde hij tegen een zijner bedienden, "hebt gij iemand uitgezonden, om te zien, door welke macht deze kostelijke uitdaging zal ondersteund worden?"
"Er zijn ten minste tweehonderd man in het bosch verzameld," antwoordde een schildknaap, die tegenwoordig was.
"Bij den hemel!" zei Front-de-Boeuf; "dat komt er van, dat ik u het gebruik van mijn kasteel toegestaan heb,--u, die geene onderneming in stilte kunt uitvoeren, maar mij dit wespennest op den hals moet halen."
"Wespen?" hernam De Bracy; "zeg toch liever angellooze hommels,--eene bende luie schurken, die zich liever in het bosch ophouden, en het wild stelen, dan voor den kost werken."
"Angelloos!" hervatte Front-de-Boeuf. "Scherpe pijlen, een el lang, en die ieder wit treffen, al is het maar zoo groot als een Fransch kroonstuk, zijn, dunkt mij, vrij gevaarlijke angels."
"Schaam u, heer ridder!" zei de Tempelier. "Laten wij ons volk bij elkander roepen, en een uitval doen. Één ridder,--ja, één gewapend man, neemt twintig zulke boeren voor zijne rekening."
"Twintig en nog meer," zei De Bracy; "ik zou mij schamen, mijn lans tegen hen te gebruiken."
"Voorzeker," antwoordde Front-de-Boeuf, "zoo het zwarte Turken of Mooren waren, heer Tempelier, of laffe Fransche boeren, zeer dappere De Bracy; maar dit zijn Engelsche boogschutters, op wie wij geen voordeel zullen hebben, behalve onze wapens en paarden, welke ons in de nauwe wegen van het bosch weinig zullen baten. Een uitval doen, zeidet gij? Wij hebben nauwelijks manschappen genoeg, om het kasteel te verdedigen. De besten mijner lieden zijn te York, evenals uwe geheele bende, De Bracy; en wij hebben nauwelijks twintig man, buiten hen, die deze dolzinnige onderneming mede uitgevoerd hebben."
"Gij vreest toch niet," vroeg de Tempelier; "dat zij eene macht verzamelen kunnen, die sterk genoeg zou zijn, om het kasteel te bestormen?"
"Dat niet, ridder Brian," antwoordde Front-de-Boeuf, "deze roovers hebben, wel is waar, een stouten aanvoerder; maar zonder krijgswerktuigen, stormladders, en ervaren opperhoofden, kan mijn kasteel hen trotseeren."
"Zend naar uwe buren," zei de Tempelier; "laten zij hunne lieden bijeen brengen, en drie ridders ter hulp snellen, die door een nar en een zwijnenhoeder in het kasteel van den baron Reginald Front-de-Boeuf belegerd zijn."
"Gij schertst, heer ridder," hernam de baron; "maar naar wien zal ik zenden?--Malvoisin is op dit oogenblik met zijn gevolg te York, evenals mijne andere bondgenooten; en daar had ik ook moeten zijn, als deze vervloekte onderneming niet tusschenbeide was gekomen."
"Zend dan naar York, en laat onze lieden terugroepen," zei De Bracy. "Indien zij het gezicht van mijn standaard en van mijn vrijcompagnie verdragen, dan zal ik hen voor de stoutste roovers houden, die ooit een boog in het bosch gespannen hebben."
"Maar wie zal de boodschap overbrengen?" vroeg Front-de-Boeuf. "Zij zullen alle paden bezetten, en den bode zijn last uit het hart scheuren.--Ik weet er iets op," ging hij voort, na een oogenblik bedenkens.--"Heer Tempelier, gij kunt even goed schrijven als lezen, en zoo wij slechts de schrijf-materialen kunnen vinden van mijn Kapelaan, die een jaar geleden gedurende de feestgelagen in de Kerstdagen gestorven is--"
"Met uw verlof," zei de schildknaap, die nog altijd gereed stond, "ik geloof, dat de oude Urfried die ergens bewaard heeft, ter liefde van den biechtvader. Hij was de laatste man, zooals ik haar heb hooren zeggen, die ooit zoo tot haar gesproken heeft, als een beleefd man tot een meisje, of eene vrouw, spreken moet."
"Loop en zoek ze op, Engelred; en dan zult gij, heer Tempelier, een antwoord op deze stoute uitdaging schrijven."
"Ik wilde het liever met de punt van mijn zwaard doen, dan met de pen," zei Bois-Guilbert; "maar zooals gij verkiest."
Hij ging derhalve zitten, en schreef een Franschen brief van den volgenden inhoud:
"De Ridder Reginald Front-de-Boeuf en zijn edele en ridderlijke bondgenooten nemen geene uitdaging aan van slaven, lijfeigenen, of vluchtelingen. Zoo hij, die zich "de Zwarte Ridder" noemt, inderdaad aanspraak heeft op de eer der ridderschap, dan moet hij weten, dat hij onteerd wordt door zijne tegenwoordige verbintenis, en geen recht heeft om rekenschap te vragen van dappere mannen van edel bloed. Ten opzichte der gevangenen, die wij gemaakt hebben, verzoeken wij u uit Christelijke liefde een geestelijke te zenden, om hunne biecht aan te hooren, en hen met God te verzoenen; daar het ons vast voornemen is, hen heden morgen, vóór den middag, ter dood te brengen, opdat hun hoofden, op onze bolwerken tentoongesteld, aan alle menschen mogen bewijzen, hoe gering wij diegenen achten, welke zich met hunne bevrijding bemoeien. Derhalve verzoeken wij u nog eens, als boven, een Priester te zenden, om hen op den dood voor te bereiden; dit doende zult gij hun den laatsten aardschen dienst bewijzen."
Zoodra deze brief dichtgevouwen was, werd hij aan den schildknaap overhandigd, en door dezen aan den bode, die buiten wachtte, op het antwoord op den brief, door hem gebracht.
De schutter, na zijn boodschap verricht te hebben, keerde naar het hoofdkwartier der bondgenooten terug, dat voor het tegenwoordige onder een eerwaardigen eik opgeslagen was, omtrent drie pijlschoten ver van het kasteel. Hier wachtten Wamba en Gurth, benevens hunne bondgenooten, de Zwarte Ridder, Locksley en de vroolijke kluizenaar, met ongeduld een antwoord op hunne opeisching. Rondom en op een afstand, zag men eene menigte dappere schutters, wier jagerskleeding en door het weêr verbrand gelaat den gewonen aard hunner bezigheden aantoonden. Meer dan tweehonderd waren reeds vergaderd, en er kwamen ieder oogenblik nog andere aan. Zij, die als aanvoerders het bevel voerden, waren alleen van de anderen onderscheiden door een pluim op de muts; hun kleeding, wapens en voorkomen waren voor het overige in alle opzichten dezelfde.
Behalve deze bende, was reeds een minder ordelijke en slechter gewapende troep aangekomen, bestaande uit de Saksische inwoners van de naaste buurtschappen, zoowel als vele lijfeigenen en bedienden van Cedric's uitgestrekte landgoederen, om tot zijne verlossing mede te werken. Weinigen van hen hadden andere wapens dan die, welke de nood in krijgswerktuigen herschapen had. Jachtsperen, zeisen, dorschvlegels en dergelijke waren hunne voornaamste wapens; want de Normandiërs hadden, overeenkomstig de gewone staatkunde der veroveraars, den overwonnen Saksers het bezit en het gebruik der wapens ontzegd. Deze omstandigheid maakte hun bijstand op verre na niet zoo geducht voor de belegerden, als de kracht der mannen zelven, hun groot getal, en de moed, dien eene rechtvaardige zaak inboezemt, hen anders hadden kunnen maken. Het was aan de aanvoerders van dezen bonten hoop, dat de brief van den Tempelier thans werd overhandigd. De Kapelaan werd eerst verzocht, den inhoud daarvan mede te deelen.
"Bij den herdersstaf van St. Dunstan," zei die waardige geestelijke, "welke meer schapen in de schaapskooi gebracht heeft, dan die van eenig heilige in het Paradijs, zweer ik, dat ik u deze wartaal niet kan uitleggen, daar ik niet gissen kan of het Fransch of Arabisch is."
Hij gaf den brief daarop aan Gurth over, die brommende het hoofd schudde en dien weêr aan Wamba overhandigde. De nar bekeek alle vier hoeken van het papier met een glimlach van gemaakte geleerdheid, zooals een aap bij dergelijke gelegenheden aanneemt, maakte hierop een sprong in de lucht, en gaf den brief aan Locksley.
"Als de groote letters bogen, en de korten pijlen waren, dan zou ik iets van de zaak begrijpen," zei de eerlijke schutter, "maar zooals de zaak nu staat, is de meening evengoed voor mij verborgen, als het hert, dat twaalf mijlen verwijderd is."
"Dan moet ik maar voorlezer zijn," zei de Zwarte Ridder, en den brief van Locksley nemende, las hij dien eerst zachtjes over, en verklaarde toen den inhoud in het Saksisch aan zijn bondgenooten.
"Den edelen Cedric ter dood brengen!" riep Wamba; "bij het heilige kruis, gij moet u vergissen, heer Ridder!"
"Zeker niet, waarde vriend," hernam de ridder, "ik heb u den zin der woorden medegedeeld, zooals ze hier staan."
"Dan bij St. Thomas van Canterbury moeten wij het kasteel hebben," hervatte Gurth, "al moesten wij het ook met de handen omverhalen."
"Wij hebben niets anders, waarmede het omver te halen," hernam Wamba; "maar de mijne zijn niet zeer geschikt, om steenen en kalk te breken."
"Het is slechts eene uitvlucht om tijd te winnen," zei Locksley, "zij durven geene daad verrichten, waarvoor ik een schrikkelijke wraak kon vorderen."
"Ik wenschte, dat er één van ons toegang tot het kasteel kon verkrijgen," zei de Zwarte Ridder, "en ontdekken, hoe het met de belegerden gesteld is. Mij dunkt, daar zij een biechtvader willen hebben, zou deze heilige kluizenaar tegelijk zijn vroom beroep kunnen uitoefenen, en ons de gewenschte berichten bezorgen."
"De drommel hale u en uw raad," hernam de brave heremiet; "ik zeg u, heer Luiaard, dat, wanneer ik mijn monnikskleed uittrek, mijn priesterschap, mijne heiligheid, zelfs mijn Latijn, mij tegelijk verlaten; en in mijn groen buis kan ik beter twintig herten doodschieten dan één Christen de biecht afnemen."
"Ik vrees," zei de Zwarte Ridder, "ik vrees zeer, dat hier niemand is, die geschikt is, om tot ons doel de rol van biechtvader op zich te nemen."
Allen zagen elkander zwijgende aan.
"Ik zie," zei Wamba, na eene korte stilte, "dat de nar al weêr de nar moet zijn, en zijn hals er aan wagen, waar wijze menschen terugdeinzen. Gij moet weten, waarde makkers en landslieden, dat ik een monnikskleed gedragen heb, eer ik de narrekap opzette, en dat ik voor monnik werd opgevoed, eer eene zenuwkoorts mij slechts verstand genoeg overliet, om een nar te zijn. Ik vertrouw, dat ik, met behulp van het gewaad van den vromen heremiet, en met het priesterschap, de heiligheid, en de geleerdheid, welke in die kap zitten, bekwaam zal zijn, om wereldschen en geestelijken troost toe te deelen aan onzen waardigen meester Cedric, en zijne lotgenooten in het ongeluk."
"Denkt gij, dat hij daartoe verstand genoeg heeft?" vroeg de Zwarte Ridder aan Gurth.
"Ik weet het niet," hernam Gurth; "maar zoo hij het niet heeft, dan zal het de eerste keer zijn, dat het hem aan vernuft ontbroken heeft, om van zijne gekheid voordeel te trekken."
"Trek dan het monniksgewaad maar aan, vriend," zei de ridder, "en laat uw meester ons bericht zenden van den toestand van het kasteel. Hun getal moet klein zijn, en het is vijf tegen één, dat men hen door een plotselingen en stouten aanval overrompelen kan. De tijd eischt spoed,--ga!"
"Intusschen," zei Locksley, "zullen wij de plaats zoo nauw insluiten, dat er zelfs geen vlieg eenig bericht uit zou kunnen brengen. Zoodat gij, goede vriend," vervolgde hij, zich tot Wamba wendende, "deze dwingelanden kunt verzekeren, dat elke daad van geweld, die zij tegen hun gevangenen plegen, hun zwaar zal vergolden worden."
"Pax vobiscum!" zei Wamba, die nu in zijn geestelijke vermomming gehuld was. En dit zeggende, nam hij den plechtigen en statigen gang van een monnik aan, en vertrok, om zijne zending te volbrengen.