Ivanhoe · Walter Scott (translated by M. P. Lindo)

Chapter 24: Hoofdstuk 24

Ik wil haar vrijen, zooals de leeuw zijn bruid.

Douglas.

Terwijl de door ons beschreven tooneelen in andere gedeelten van het kasteel voorvielen, wachtte de Jodin Rebekka haar lot af, in een verafgelegen en afgezonderden toren. Derwaarts werd zij gebracht door twee van de vermomde roovers, en nadat zij in een klein vertrekje was geschoven, bevond zij zich in de tegenwoordigheid van een oude vrouw, die een Saksisch liedje neuriede, alsof zij de maat wilde houden bij het draaien van haar spinnewiel. De oude vrouw verhief het hoofd bij het binnenkomen van Rebekka, en gluurde naar de schoone Jodin met dien boosaardigen nijd, waarmede de ouderdom en de leelijkheid, gepaard met het ongeluk, gewoon zijn jeugd en schoonheid te beschouwen.

"Gij moet opstaan en van hier weggaan, oude," zei een der mannen; "onze edele meester beveelt het. Gij moet deze kamer aan een schooner overlaten."

"Ach," bromde de oude, "zoo worden mijne diensten beloond! Ik heb den dag beleefd, dat alleen mijn woord den besten krijgsman onder u uit den zadel en den dienst zou geworpen hebben; en nu moet ik op en weg, op bevel van een stalknecht, zooals gij!"

"Goede vrouw Urfried," zei de andere, "houd u niet met redeneeren op, maar sta op en pak u weg. Aan des meesters bevelen moet men vlug gehoorzamen. Gij hebt uw dag gehad, oude dame, maar uwe zon is reeds lang ondergegaan. Gij zijt nu het ware zinnebeeld van een oud krijgspaard, dat men op de dorre heide jaagt;--gij hebt in uw tijd ook doorgedraafd, maar nu is een langzame sukkelgang al wat voor u is overgebleven. Kom, sukkel weg van hier!"

"Moge de booze u vervolgen!" riep de oude, "en het galgenveld uwe begraafplaats zijn! moge de duivel Zernebock mij verscheuren, als ik mijn kamertje verlaat, voor dat ik het vlas van mijn spinrokken afgesponnen heb."

"Verantwoord dat bij onzen meester, oud spook," zei de man heengaande, en Rebekka in het gezelschap van de oude latende, in wier bijzijn men haar zoo tegen wil en dank gebracht had.

"Welke duivelsche daad hebben zij nu in den zin?" zei de oude heks, in zichzelve brommende, terwijl zij van tijd tot tijd een slinkschen en boosaardigen blik op Rebekka wierp; "maar het is gemakkelijk te raden.--Glinsterende oogen, zwarte lokken, en een vel zoo wit als papier, voordat de priester het met zijn zwarten inkt besmet.--Ach, het is zoo gemakkelijk te raden, waarom zij haar naar dat eenzaam torentje zenden, waaruit men het geschreeuw evenmin kan hooren, alsof het van vijfhonderd vademen onder den grond kwam. Gij zult uilen tot buren hebben, meisje, en hun gekras zal even ver als het uwe gehoord, en even zooveel opgemerkt worden. Ook nog eene buitenlandsche," zei zij, de kleeding en den tulband van Rebekka opmerkend.--"Uit welk land zijt gij?--Een Saraceensche? of een Egyptische?--Waarom antwoordt gij niet?--Gij kunt weenen; kunt gij dan ook niet spreken?"

"Wees niet boos, moeder!" smeekte Rebekka.

"Gij behoeft geen woord meer te zeggen," hernam Urfried: "men kent den vos aan zijn staart, en een Jodin aan hare spraak."

"Om Gods wil," zei Rebekka, "wat moet ik verwachten na het geweld, waarmede men mij hierheen heeft gesleept? Is het mijn leven, dat zij zoeken, om voor mijn godsdienst te boeten? Ik wil het gaarne daarvoor opofferen."

"Uw leven, zottinnetje?" antwoordde de oude, "wat vermaak zouden zij er in vinden, om u het leven te benemen?--Geloof mij, uw leven is niet in het minste gevaar. U is dezelfde behandeling toegedacht, die men eens goed genoeg rekende voor een edel Saksisch meisje. En zal eene Jodin, zooals gij, morren, dat zij niet beter dan deze behandeld wordt? Zie mij maar aan.--Ik was jong en tweemaal zoo schoon als gij, toen Front-de-Boeuf, de vader van dezen Reginald, en zijn Normandiërs dit kasteel bestormden. Mijn vader en zijne zeven zonen verdedigden hun vaderlijk erf van verdieping tot verdieping, van kamer tot kamer.--Er was geen vertrek, geen trap, die niet glibberig was van hun bloed. Zij stierven:--zij stierven tot den laatsten man; en nog eer hun lichamen koud waren, eer hun bloed opgedroogd was, werd ik de buit en het verachte slachtoffer van den overwinnaar!"

"Is er geene hulp?--Zijn er geene middelen om te ontvluchten?" riep Rebekka. "Rijkelijk, rijkelijk zou ik uw bijstand vergelden!"

"Denk daar niet aan," zei de oude; "uit deze plaats is er geen andere uitweg, dan door de poorten des doods; en het wordt laat, zeer laat," voegde zij er bij, het grijze hoofd schuddende, "eer die zich voor ons openen.--Het is echter een troost te denken, dat wij menschen op aarde teruglaten, die even ellendig zijn als wij. Vaarwel, Jodin!--Jood of Heiden, uw lot zou hetzelfde zijn; want gij hebt met menschen te doen, die medelijden noch vrees kennen. Vaarwel, zeg ik. Mijn draad is afgesponnen;--uwe taak moet eerst beginnen."

"Blijf! blijf! om Gods wil!" riep Rebekka; "Blijf, al is het ook om mij te beschimpen en mij te vervloeken.--Uwe tegenwoordigheid is toch nog eenige bescherming."

"De tegenwoordigheid van de Moeder Gods zou geene bescherming voor u zijn!" antwoordde de oude. "Daar staat ze," op een ruw beeld van de Heilige Maagd wijzende, "zie of zij het lot, dat u te wachten staat, kan afwenden!"

Dit zeggende verliet zij de kamer, terwijl haar gelaat zich tot een honenden lach vertrok, die nog leelijker was, dan haar gewone boosaardige uitdrukking. Zij sloot de deur achter zich, en Rebekka kon haar verwenschingen bij iedere schrede hooren, over de steilheid van de toren-trap, welke zij langzaam en met moeite afklom.

Rebekka had nu een nog verschrikkelijker lot te duchten dan Rowena; want welke waarschijnlijkheid was er, dat men zachtheid of toegevendheid ten opzichte eener vrouw van haren onderdrukten stam zou gebruiken, hoewel men den schijn daarvan ook nog tegenover een Saksische erfdochter bewaarde? De Jodin had evenwel dit voordeel, dat zij beter door de gewoonte van na te denken, en door natuurlijke sterkte van geest was voorbereid, de gevaren tegemoet te zien, waaraan zij blootgesteld was. Daar zij van haar teederste jaren krachtig en opmerkzaam van aard was, hadden de pracht en de rijkdom, welke haar vader binnen zijne muren ten toon spreidde of welke ze in de huizen van andere vermogende Hebreërs zag, haar niet verblind voor de onveiligheid, in welke zij die genoten. Even als Damocles bij zijn beroemd gastmaal, zag Rebekka gedurig, midden onder die pracht, het zwaard, dat aan een enkel haar boven het hoofd van haar volk hing. Deze overwegingen hadden een karakter bezadigd en verstandig gemaakt, dat, onder andere omstandigheden, trotsch, overmoedig en eigenzinnig had kunnen worden.

Uit haars vaders voorbeeld en voorschriften had Rebekka geleerd zich beleefd te gedragen jegens allen, die in hare nabijheid kwamen. Zij kon, wel is waar, zijne overdrevene onderdanigheid niet navolgen, omdat de laagheid van ziel en de aanhoudende vrees, door welke die veroorzaakt werd, haar vreemd waren; maar zij gedroeg zich met eene trotsche nederigheid, alsof ze zich onderwierp aan de ongelukkige omstandigheden, waarin zij geplaatst was, als de dochter van een verachten stam, terwijl zij in haar hart de bewustheid gevoelde, dat zij door haar verdiensten het recht had, een hoogeren rang te bekleeden, dan die naar welke de willekeurige dwinglandij van het godsdienstig vooroordeel haar vergunde te streven.

Aldus voorbereid om rampen tegemoet te zien, had zij de noodige standvastigheid verkregen, om te handelen. Haar toestand vorderde al hare tegenwoordigheid van geest, en zij bereidde zich derhalve voor.

Haar eerste zorg was het vertrek te onderzoeken; maar dit leverde weinig hoop op redding of bescherming. Het bevatte noch verborgen uitgang, noch valdeur, en scheen, op de deur na, waardoor zij binnen gekomen was, en welke het met het hoofdgebouw vereenigde, door den ronden buitenmuur van het torentje omgeven te zijn. De deur had van binnen slot noch grendel. Het eenige venster zag uit op een kleine ruimte met eene borstwering, die Rebekka, op het eerste gezicht, eenige hoop op redding gaf; maar zij bevond weldra, dat die in geene verbinding stond met eenig ander gedeelte der vestingwerken, daar het een soort van balkon was, door een muurtje met schietgaten versterkt, waarop eenige boogschutters konden geplaatst worden, om het torentje te verdedigen, en den muur aan dien kant van het kasteel te bestrijken.

Er was dus geen andere hoop, dan in lijdzamen moed, en in dat sterke vertrouwen op den Hemel, hetwelk aan groote en edelmoedige karakters eigen is. Hoe zonderling Rebekka de beloften der Heilige Schrift aan het uitverkoren volk des Hemels ook had leeren uitleggen, zoo dwaalde ze toch hierin niet, dat het tegenwoordige uur, het uur der beproeving was, en dat zij vast geloofde, dat de kinderen van Sion eens met de Heidenen tot het heil zouden geroepen worden. Intusschen bleek uit alles, wat haar omgaf, dat hun tegenwoordige staat die van straf en beproeving was, en dat het hun bijzondere plicht was te lijden, zonder te zondigen. Aldus, gereed om zich te beschouwen als het slachtoffer van het ongeluk, had Rebekka vroeg over haar toestand leeren nadenken, en de gevaren tegemoet gezien, die haar waarschijnlijk te wachten stonden.

De gevangene beefde evenwel, en verbleekte, toen zij een voetstap op de trap hoorde, de deur van het torentje langzaam geopend werd, en een groot man, gekleed als een dier bandieten, aan wie zij hun ongeluk te wijten hadden, zachtjes binnentrad, en de deur achter zich toe deed. Zijne muts, welke hij over het voorhoofd getrokken had, verborg het bovenste gedeelte van zijn gelaat, en het overige er van was in zijn mantel gehuld. In deze vermomming stond hij voor de verschrikte gevangene, alsof hij bereid was tot de uitvoering eener daad, waarover hij zich schaamde; maar hoezeer hem zijne kleeding ook als een schurk kenmerkte, scheen hij toch verlegen te zijn, om te verklaren welk oogmerk hem derwaarts gevoerd had; zoodat Rebekka, zich zelve geweld aandoende, tijd had zijne verklaring te voorkomen. Zij had reeds twee kostelijke armbanden en een halssnoer losgemaakt, die ze zich haastte den gewaanden roover aan te bieden, natuurlijk besluitende, dat, om zijne gunst te winnen, ze zijne hebzucht bevredigen moest.

"Neem dit, goede vriend," zei ze, "en wees om Gods wil barmhartig jegens mij en mijn ouden vader! Deze sieraden zijn van groote waarde, en toch zijn zij slechts eene kleinigheid bij wat wij u zouden schenken, als gij ons vrij en ongeschonden uit dit kasteel ontslaan wildet."

"Schoone bloem van Palestina," hernam de roover, "deze paarlen zijn Oostersche; maar ze moeten in witheid voor uw tanden onderdoen, de diamanten zijn schitterend, maar zij kunnen niet met uw oogen wedijveren; en toen ik dit woeste beroep opvatte, heb ik eene gelofte gedaan, aan de schoonheid den voorrang boven den rijkdom te geven."

"Doe u zelven dit ongelijk niet aan," zei Rebekka; "neem het losgeld, en heb medelijden!--Voor goud kunt gij alles koopen;--ons te mishandelen zou u alleen wroeging verschaffen. Mijn vader zal gaarne uw overdrevenste wenschen bevredigen; en zoo ge verstandig wilt handelen, kunt gij u met ons geld weder toegang tot de maatschappij koopen, vergiffenis voor vorige misdaden verkrijgen, en buiten de noodzakelijkheid geraken, om er nieuwe te begaan."

"Gij hebt goed gesproken," hervatte de roover in het Fransch, daar hij het waarschijnlijk moeielijk vond, een gesprek in het Saksisch vol te houden, dat Rebekka in die taal begonnen was; "maar weet, schoone lelie van het dal Baca, dat uw vader reeds in handen is van een machtigen alchymist, die het geheim kent, om zelfs de verroeste staven van een gevangenis-haard in goud en zilver te veranderen. De eerwaardige Izaäk is in handen van iemand, die hem alles afpersen zal, wat hem dierbaar is, zonder mijn bijstand of uw smeeken er bij noodig te hebben. Uw losgeld moet betaald worden door liefde en schoonheid, en ik zal geene andere munt aannemen."

"Gij zijt geen roover," hernam Rebekka, in dezelfde taal, waarin hij haar aansprak; "geen roover zou zulke aanbiedingen van de hand gewezen hebben! Geen roover in dit land kent den tongval, in welken gij gesproken hebt. Gij zijt geen roover, maar een Normandiër; misschien edel van geboorte;--o, wees dat ook in uwe daden, en werp dit schrikkelijke masker van misdaad en geweld af!"

"En gij, die zoo waar kunt gissen," zei Brian de Bois-Guilbert, den mantel voor zijn gezicht weg doende, "zijt geene ware dochter van Israël, maar in alles, behalve in jeugd en schoonheid, een echte tooveres van Endor. Ik ben geen roover, schoone roos van Saron. Ik ben een man, die uwe armen en hals eerder met paarlen en diamanten behangen, dan u van deze sieraden berooven zal."

"Wat wilt gij dan van mij," vroeg Rebekka, "zoo het mijn rijkdom niet is?--Wij kunnen niets met elkander gemeen hebben; gij zijt een Christen, ik een Jodin. Onze vereeniging zou strijdig zijn met de wetten van de Kerk zoowel als met die van de Synagoge."

"Dat zou ze wezenlijk zijn," hernam de Tempelier lachende; "eene Jodin trouwen? Despardieux!--Neen, al was zij ook de Koningin van Scheba. En verneem buitendien, schoone dochter van Sion, dat, al bood de Allerchristelijkste Koning mij zijne allerchristelijkste dochter, met Languedoc tot bruidschat aan, ik haar niet trouwen kon. Het is tegen mijne gelofte, eenig meisje anders te beminnen, dan par amours, zooals ik u bemin. Ik ben een Tempelier. Ziedaar het kruis van mijn heilige orde."

"Durft gij u daarop beroepen," zei Rebekka, "bij eene gelegenheid als deze?"

"En indien ik het doe," zei de Tempelier, "raakt het u niet; daar gij niet gelooft aan het heilige teeken onzer verlossing."

"Ik geloof, hetgeen mijne vaders leerden," zei Rebekka, "en God moge mij mijn geloof vergeven, zoo ik dwaal. Maar gij, heer ridder, wat is uw geloof, als gij zonder schromen u beroept op hetgeen gij voor het heiligste houdt, terwijl gij voornemens zijt, de plechtigste uwer geloften als ridder en als geestelijke, te schenden?"

"Dat is stichtelijk en goed gepreekt, dochter van Sirach!" antwoordde de Tempelier; "maar, schoone predikster, uwe bekrompen Joodsche begrippen verblinden u voor onze hooge voorrechten. Het huwelijk ware eene onvergeeflijke misdaad in een Tempelier: maar voor elke mindere dwaling, die ik bega, zal ik gemakkelijk aflaat krijgen bij de eerste vergadering van onze orde. Noch de wijste der koningen noch zijn vader, wier voorbeelden gij natuurlijk bekennen moet ook voor u waarde te hebben, eischten grootere voorrechten, dan wij arme soldaten van den Tempel van Sion gewonnen hebben, door onzen ijver in diens bescherming. De verdedigers van Salomo's Tempel kunnen vrijheden vergen op voorbeeld van Salomo."

"Zoo gij de Schrift en het leven der heiligen alleen leest, om uwe eigene losbandigheid en ongebondenheid te rechtvaardigen," zei de Jodin, "dan evenaart uwe misdaad die van hem, die vergif haalt uit de gezondste en meest onmisbare planten."

De oogen van den Tempelier vonkelden bij dit verwijt.--"Luister," zei hij, "Rebekka! ik heb tot dusver zacht met u gesproken; maar nu zal ik de taal des overwinnaars gebruiken: Gij zijt mijne gevangene door mijn boog en speer,--onderworpen aan mijn wil volgens het recht van alle volken, en ik zal geen haar breedte van mijn recht afstaan, noch mij ontzien, om met geweld dat te nemen, hetwelk gij aan mijn verzoek, of aan de noodzakelijkheid weigert."

"Terug," riep Rebekka, "terug!--en hoor mij, voor dat gij eene zoo doodelijke zonde begaat! Gij kunt, wel is waar, over mijne krachten zegevieren, want God heeft de vrouw zwak gemaakt, en hare bescherming aan de edelmoedigheid des mans toevertrouwd. Maar Tempelier, ik zal uwe schanddaad van het eene einde van Europa tot het andere uitbazuinen. Ik wil aan het bijgeloof uwer broederen te danken hebben, wat hun medelijden mij zou weigeren. Iedere vergadering, ieder kapittel van uw orde zal vernemen, dat gij, als ketter, met eene Jodin gezondigd hebt. Zij, die niet voor uwe misdaad sidderen, zullen u voor vervloekt houden, omdat gij het kruis, dat gij draagt, onteerd hebt, door een dochter van mijn volk te volgen."

"Gij zijt sluw, Jodin," hernam de Tempelier, die de waarheid van hetgeen zij zeide zeer goed gevoelde, en tevens wist, dat de regels van zijne orde op de stelligste wijze, en onder zware straffen, soortgelijke minnarijen verboden, en dat, in sommige gevallen, er zelfs de verdrijving uit de orde op gevolgd was,--"ge zijt sluw; maar uwe klachten moeten zeer luid zijn, zoo men ze buiten de dikke muren van dit kasteel zal hooren; daar binnen verstommen klachten, zuchten, het inroepen der gerechtigheid en hulpgeschreeuw. Slechts één ding kan u redden, Rebekka! onderwerp u aan uw lot, omhels onzen godsdienst, en gij zult in zulke pracht te voorschijn treden, dat menige Normandische vrouw zoowel in weelde als in schoonheid zal moeten onderdoen voor de begunstigde beminde van den dappersten ridder onder de verdedigers van den Tempel."

"Mij aan mijn lot onderwerpen!" riep Rebekka,--"Heilige Hemel! aan welk lot? uw godsdienst omhelzen!.... en welke godsdienst kan het zijn, dien zulk een booswicht in zijn hart koestert?--Gij, de dapperste der Tempeliers!--Valsche ridder!--Meineedige Priester! Ik veracht u,--ik trotseer u!--De God van Abraham heeft één uitweg voor Zijn dochter geopend,--zelfs uit dezen doolhof van schande!"

Dit zeggende, smeet zij het tralievenster open, dat naar de borstwering leidde, en een oogenblik daarna stond zij op den rand van de borstwering, zonder iets tusschen haar en de verschrikkelijke diepte beneden te hebben. Onvoorbereid op zulk eene wanhopige poging, daar zij tot hiertoe volkomen onbeweeglijk gestaan had, vond Bois-Guilbert den tijd niet om haar te voorkomen, of haar tegen te houden. Zoodra hij voorwaarts wilde treden, riep zij: "Blijf waar gij zijt, trotsche Tempelier,--of nader, zoo gij verkiest!--één stap slechts, en ik stort mij in den afgrond; mijn lichaam zal verpletterd en onkenbaar worden, eer het aan uwe misdadige begeerten opgeofferd wordt!"

Dit zeggende, vouwde zij de handen, en hief ze ten hemel, als om genade voor hare ziel te smeeken, eer zij den laatsten sprong deed. De Tempelier aarzelde, en zijne standvastigheid, die nooit voor medelijden of ellende geweken was, bezweek nu onder de bewondering van haar moed. "Kom naar beneden," riep hij, "vermetele!--Ik zweer bij aarde, zee en hemel, u niet het minste geweld aan te doen!"

"Ik vertrouw u niet, Tempelier," antwoordde Rebekka; "gij hebt mij reeds geleerd, hoe ik de deugden uwer orde moet eerbiedigen. Het eerste kapittel zou u aflaat schenken van een eed, die slechts de eer of schande van een ellendig Jodenmeisje betrof."

"Gij zijt onrechtvaardig," hernam de Tempelier; "ik zweer u bij den naam, welken ik draag,--bij het kruis op mijn borst,--bij het zwaard aan mijn zijde, bij het aloude wapen mijner voorvaderen, u niet het minste leed aan te doen. Zoo niet om uwentwille, dan ter liefde van uw vader, wees bedaard! Ik wil zijn vriend zijn, en in dit kasteel heeft hij zeker een machtigen vriend noodig."

"Helaas!" zei Rebekka, "dat weet ik maar al te goed;--maar kan ik u vertrouwen?"

"Moge mijn wapen geschandvlekt, en mijn naam onteerd worden," zei Brian de Bois-Guilbert, "zoo gij reden hebt, over mij te klagen. Menige wet, menig gebod heb ik overtreden, maar mijn woord heb ik nog nooit geschonden."

"Ik zal u dan vertrouwen," hervatte Rebekka, "tot zoo verre;" en zij trad van den rand der borstwering af, maar bleef dicht bij een der schietgaten of machicolles, zooals ze toen genoemd werden, staan.--"Hier," zei ze, "zal ik blijven. Blijf ook waar gij zijt, en zoo gij tracht, den afstand tusschen ons één stap te verminderen, zult gij zien, dat het Jodenmeisje eerder haar ziel aan God, dan haar eer aan den Tempelier zal toevertrouwen."

Terwijl Rebekka aldus sprak, gaf haar stout en vast besluit, dat zoo goed strookte met de gebiedende schoonheid van haar gelaat, aan haar blikken, houding en gebaren eene waardigheid, die bovenmenschelijk scheen. Haar blik verflauwde niet, haar wang verbleekte niet door vrees voor het ijselijk lot, hetwelk haar boven het hoofd hing; integendeel, verleende de gedachte, dat zij haar lot in handen had, en de schande door den dood ontgaan kon, een nog hooger rood aan haar wangen, en een nog schitterender vuur aan hare oogen. Bois-Guilbert, die zelf trotsch en hooghartig was, meende nooit een zoo levendige en gebiedende schoonheid gezien te hebben.

"Laten wij vrede met elkander sluiten, Rebekka!" zei hij.

"Vrede, zoo gij wilt," antwoordde ze, "vrede, maar met dezen afstand tusschen ons."

"Gij behoeft mij niet meer te vreezen!" zei Bois-Guilbert.

"Ik vrees u niet," hervatte zij; "dank zij hem, die dezen trotschen toren zoo hoog heeft gebouwd, dat er niemand af kan vallen, en in het leven blijven;--dank zij hem en den God van Israël,--ik vrees u niet!"

"Gij doet mij onrecht," zei de Tempelier; "bij aarde, zee en hemel, gij doet mij onrecht! Ik ben niet zooals gij mij gezien hebt; hard, baatzuchtig en onmeêdoogend. Eene vrouw was het, die mij wreedheid leerde, en tegen de vrouwen heb ik die ook uitgeoefend; maar niet tegen zulke vrouwen als gij zijt. Hoor mij aan, Rebekka.--Nooit heeft een ridder de lans in de hand genomen, met een hart meer toegedaan aan de dame zijner liefde, dan Bois-Guilbert. Zij,--dochter van een geringen edelman, die op geen andere goederen kon roemen, dan op een vervallen toren, een slechten wijngaard, en eenige bunders van de woeste landen om Bordeaux,--zij was bekend overal, waar wapenfeiten verricht werden, verder bekend, dan menige dame, die een graafschap tot bruidschat medebracht.--Ja," ging hij voort, op de kleine opene ruimte op- en neergaande, met een drift, in welke hij alle bewustheid van Rebekka's tegenwoordigheid scheen te verliezen.--"Ja, mijne daden, mijne gevaren, mijn bloed maakten den naam van Adelaïde De Montemare bekend, van het hof van Castilië tot aan dat van Byzantium. En hoe werd ik beloond?--Toen ik met mijne duur verkregen eer, met moeite en bloed gekocht, terugkeerde, vond ik haar gehuwd met een Gasconjer, wiens naam nooit gehoord was buiten de grenzen van zijn eigen armzalig gebied! Ik beminde haar oprecht, en bitter wreekte ik mij wegens hare geschondene trouw! Maar mijne wraak is op mij zelven teruggevallen. Sedert dien dag heb ik mij losgescheurd van het leven en zijne banden.--Mijn mannelijke leeftijd mag geen eigen haard kennen,--mag door geene liefderijke vrouw gelukkig gemaakt worden.--Mijn ouderdom zal geene koesterende schuilplaats vinden.--Mijn graf moet eenzaam zijn, en mij mogen geene nakomelingen overleven, om den alouden naam van Bois-Guilbert te dragen. Aan de voeten van mijn bevelhebber heb ik het recht, om zelf te handelen,--het voorrecht der onafhankelijkheid,--neêrgelegd. De Tempelier, een lijfeigene in alles, behalve den naam, kan land noch goed bezitten, en leeft, beweegt zich, en ademt alleen volgens den wil en het goedvinden van een ander."

"Helaas," zei Rebekka, "welke voordeelen konden tegen zulk een opoffering opwegen?"

"De macht tot wraak, Rebekka!" hernam de Tempelier, "en de vooruitzichten der eerzucht."

"Eene slechte vergoeding," hervatte Rebekka, "voor het afstaan van al die rechten, welke der menschheid het dierbaarste zijn."

"Zeg dat niet, meisje!" antwoordde de Tempelier; "de wraak is een feest voor de Goden! En als zij, zooals de priesters ons zeggen, zich die voorbehouden hebben, dan is het, omdat zij ze voor een te kostbaar genot voor bloote stervelingen houden. En de eerzucht? Zij is een verzoeking, welke de zaligheid des hemels zelve kon doen vergeten."--Hij hield een oogenblik op, en daarop voegde hij er bij: "Rebekka! zij die den dood boven de schande kon verkiezen, moet eene trotsche en krachtige ziel bezitten. De mijne moet gij worden!--Neen, schrik niet," vervolgde hij: "het moet met uwe eigene toestemming, en op uwe eigene voorwaarden zijn. Gij moet er in bewilligen, een vooruitzicht met mij te deelen, uitgebreider dan men het op den troon van een vorst kan hebben. Hoor mij, eer gij antwoordt, oordeel, eer gij weigert! De Tempelier verliest, zooals gij gezegd hebt, zijne maatschappelijke rechten, de macht om vrij te handelen; maar hij wordt lid en onderdeel van een machtig lichaam, voor hetwelk de tronen reeds sidderen;--evenals de enkele regendroppel, welke met de zee vermengd wordt, een deel wordt van dien onweêrstaanbaren oceaan, welke rotsen ondermijnt, en koninklijke vloten vernietigt. Zulk een wassende vloed is ons sterk verbond. Van deze machtige orde ben ik geen gering lid, maar reeds een der hoofdaanvoerders, en kan er wel naar dingen, om eens den staf van Grootmeester te voeren. De arme krijgslieden des Tempels zullen niet alleen hun voet op de nekken der Koningen zetten,--een ellendige monnik vermag dat ook. Maar onze geharnaste voet zal hunnen troon beklimmen, onze ijzeren handschoen zal den schepter uit hunne handen rukken. De regeering van uw te vergeefs verwachten Messias biedt uw verstrooide stammen geen zoodanige macht aan, als die, naar welke mijn eerzucht streven kan. Ik had slechts een met mij verwanten geest gezocht, om ze met mij te deelen, en ik heb u gevonden!"

"Zegt gij dit aan iemand van mijn volk?" antwoordde Rebekka. "Bedenk--"

"Antwoord mij niet," hernam de Tempelier, "met het verschil van ons geloof aan te halen; in onze geheime conciliën spotten wij met deze kinderverhalen. Denk niet, dat wij lang blind gebleven zijn voor de dolzinnige dwaasheid van onze stichters, die alle genoegens van het leven afzwoeren voor het genot, om als martelaars van honger of dorst, door de pest, of de zwaarden der wilden te sterven, terwijl zij te vergeefs trachtten, een dorre woestijn te verdedigen, die alleen waarde heeft in het oog van het bijgeloof. Onze orde smeedde spoedig stoutere en grootere ontwerpen, en vond eene betere schadeloosstelling voor onze opofferingen. Onze onmetelijke bezittingen in ieder rijk van Europa, onze groote krijgsroem, welke de bloem der ridderschap uit alle christelijke landen in onzen kring brengt,--deze zijn tot doeleinden bestemd, waarvan onze vrome stichters niet droomden, en welke evenzeer verborgen gehouden worden voor die zwakke geesten, welke onze orde wegens hare oude beginselen omhelzen, en wier bijgeloof hen tot onze geduldige werktuigen maakt. Maar ik mag den sluier van onze geheimen niet verder oplichten. Dat horengeschal verkondigt iets, hetwelk misschien mijne tegenwoordigheid vereischt. Denk aan hetgeen ik u gezegd heb. Vaarwel!--Ik zeg niet, vergeef mij het geweld, waarmede ik u bedreigd heb, want dat was noodzakelijk, om uw karakter te doen kennen. Men kan het goud alleen erkennen, door het op den toetssteen te leggen. Ik zal spoedig terugkomen en verder met u spreken."

Hij ging terug in het torenkamertje, en de trap af, Rebekka verlatende, die nauwelijks meer verschrikt was door het vooruitzicht van den dood, waaraan zij zoo kort te voren was blootgesteld geweest, dan door de woedende eerzucht van den stouten en slechten man, in wiens macht ze zich zoo ongelukkig bevond. Toen ze in de torenkamer trad, was haar eerste werk, den God van Jakob te danken voor de bescherming, welke Hij haar verleend had, en om die bij voortduring voor haar en haar vader af te smeeken. Een andere naam sloop in haar gebed;--het was die van den gewonden Christen, dien het lot in de handen van bloeddorstige menschen, zijne doodvijanden, geleverd had. Haar hart verweet haar wel is waar, dat zij zelfs in het gebed tot den Almachtige de herinnering aan een man mengde, met wiens lot het hare in geene gemeenschap kon komen;--van een Nazarener en een vijand van haar geloof; maar de bede was reeds gedaan, en zelfs alle bekrompen vooroordeelen van haar godsdienst konden Rebekka niet overhalen, om te wenschen, dat het niet gebeurd ware.