Ivanhoe · Walter Scott (translated by M. P. Lindo)

Chapter 13: Hoofdstuk 13

En Agamemnon riep met luider stem: treedt voort,
O Helden! uit den kring, dien deze kamp bekoort;
Gij, die door meerdre kunde en kracht u durft verheffen,
Uw mededingers in vermaardheid te overtreffen,
Een maagd, de waarde wel van twintig ossen, wordt
De prijs voor hem, wiens pijl het verst door 't luchtruim
snort.

Ilias.

Nauwelijks was de naam van Ivanhoe uitgesproken, of hij vloog van mond tot mond met al de snelheid, welke belangstelling, door de nieuwsgierigheid geprikkeld, er aan geven kon. Het duurde ook niet lang, eer deze tijding den kring van den Prins bereikte, wiens gelaat bij dit nieuws eene sombere uitdrukking aannam. Hij zag intusschen spotachtig rond, en zeide: "Wel, mijn heeren, en gij vooral, heer Prior, wat denkt gij van de leer der geleerden over de sympathie en antipathie? Mij dunkt ik bespeurde de tegenwoordigheid van den gunsteling mijns broeders, zelfs eer ik nog gissen kon, wie onder die wapenrusting schuilde."

"Front-de-Boeuf moet zich gereed maken, zijn leengoed aan Ivanhoe terug te geven," zei De Bracy, die, na een eervol deel aan het toernooi te hebben genomen, schild en helm afgelegd, en zich weder onder het gevolg van den Prins gemengd had.

"Ja," antwoordde Waldemar Fitzurse, "deze knaap zal waarschijnlijk het kasteel en het leen terug eischen, die Richard hem geschonken heeft, en die uw Hoogheid sedert dien tijd de grootmoedigheid heeft gehad aan Front-de-Boeuf te geven."

"Front-de-Boeuf," hernam de Prins, "zou liever drie leengoederen, zooals dat van Ivanhoe, onder zich behouden, dan één er van teruggeven. Voor het overige, mijne heeren, hoop ik, dat niemand uwer mij het recht zal betwisten, de leengoederen der kroon aan die trouwe dienaren te schenken, welke mij omringen, en gereed zijn den gevergden krijgsdienst te verrichten, in plaats van hen, die naar vreemde landen trekken, en hulde noch dienst kunnen bewijzen, als zij opgeroepen worden."

De toehoorders hadden al te veel belang bij deze vraag, om des Prinsen recht niet voor onbetwistbaar te verklaren. "Een edelmoedige Vorst!--een edele meester, die zich dus belast met de zorg om zijne getrouwe dienaren te beloonen!"

Dit waren de woorden van zijn gevolg, daar zij allen soortgelijke geschenken ten koste van Koning Richard's vrienden en gunstelingen verwachtten;--zoo zij die niet reeds in bezit hadden. Prior Aymer zelf keurde dit over het algemeen goed, en maakte geene andere aanmerking dan: "Het heilige Jeruzalem kan toch geen vreemd land genoemd worden. Het is de communis mater,--de moeder van alle Christenen. Maar ik begrijp niet," voegde hij er bij, "hoe Ivanhoe zich daarop beroepen kan, daar men mij verzekert, dat de kruisvaarders onder Richard nooit veel verder gekomen zijn dan Askalon, dat, zooals ieder weet, een stad der Philistijnen is, en op geen der voorrechten van de Heilige Stad aanspraak kan maken."

Waldemar, wiens nieuwsgierigheid hem naar de plaats gevoerd had, waar Ivanhoe ter aarde was gevallen, keerde nu terug. "De dappere ridder," zeide hij, "zal denkelijk uwe Hoogheid niet veel ongerustheid baren, en Front-de-Boeuf in het ongestoord bezit van zijn leen laten:--hij is zwaar gekwetst."

"Wat er ook van worden moge," zei Prins Jan, "hij is heden overwinnaar; en al is hij tienmaal onze vijand, of de getrouwste vriend van mijn broeder, hetgeen misschien hetzelfde is, zijne wonden moeten toch verbonden worden;--onze eigene heelmeester zal hem bezoeken."

Een bittere glimlach vergezelde deze woorden. Waldemar Fitzurse haastte zich te antwoorden, dat Ivanhoe reeds uit het strijdperk gebracht, en in handen van zijne vrienden was.

"Ik was eenigszins aangedaan," zeide hij, "over de smart van de Koningin der Schoonheid en der Liefde, wier ééndaagsche heerschappij door dit voorval in rouw gedompeld is. Ik ben er de man niet naar, om door de weeklachten eener vrouw over haar minnaar getroffen te worden: maar deze Jonkvrouw Rowena onderdrukte haar smart met zooveel waardigheid, dat men die alleen aan het beven van haar gevouwen handen kon zien, terwijl haar oog zonder tranen op den bewusteloozen ridder voor haar voeten staarde."

"Wie is die Jonkvrouw Rowena," vroeg Prins Jan, "van wie wij zooveel gehoord hebben?"

"Een Saksische erfdochter, met groote bezittingen," hernam Prior Aymer; "eene roos in beminnelijkheid, en een juweel in rijkdom, de schoonste onder duizenden, kostbaar als de kostbaarste reukwerken van het Oosten."

"Wij zullen hare droefheid verzachten," zei Prins Jan, "en haar bloed veredelen door haar aan een Normandiër uit te huwen. Zij schijnt minderjarig te zijn, en moet dus, wat haar huwelijk aangaat, ter onzer beschikking staan.--Wat zegt gij er van, De Bracy? Zou het u bevallen, door een huwelijk met dit Saksisch meisje schoone landerijen en inkomsten te verkrijgen, volgens de gewoonte der aanhangers van den Veroveraar?"

"Als de landerijen mij bevallen," antwoordde De Bracy, "dan zal de bruid mij niet licht mishagen; en ik zal mij ten hoogste verplicht achten jegens uw Hoogheid voor eene weldaad, welke alle beloften zal vervullen, die gij uw dienaar en leenman gedaan hebt."

"Wij zullen het niet vergeten," zei Prins Jan; "en om dadelijk een begin te maken, bevelen wij onzen seneschal, om Jonkvrouw Rowena en haar gezelschap te weten: den lompen boer, haar voogd, en den Saksischen stier, welken de Zwarte Ridder in het toernooi ter nedervelde, op het feest van dezen avond te noodigen."

"De Bigot," voegde hij er bij, zich tot zijn seneschal wendende, "gij zult deze tweede uitnoodiging zoo beleefd doen, dat gij den hoogmoed van deze Saksers niet kwetst, en het hun onmogelijk wordt nog eens te weigeren; ofschoon, bij Beckets beenderen, hun beleefdheid te bewijzen, hetzelfde is als paarlen voor de zwijnen te werpen!"

Prins Jan had zoo ver gesproken, en was op het punt, om het teeken tot het verlaten van het strijdperk te geven, toen hem een klein briefje in de hand gegeven werd.

"Van waar?" zei Prins Jan, den man aanziende, die het overhandigde.

"Uit vreemde landen, mijn vorst, maar van waar, dat weet ik niet," hernam de dienaar. "Een Franschman heeft het gebracht, zeggende, dat hij dag en nacht doorgereisd had, om het briefje in handen uwer Hoogheid te bezorgen."

De Prins zag nauwkeurig naar het opschrift en toen naar het zegel, hetwelk er op gedrukt was, dat het den zijden draad vasthield, waarmede het papier omwonden was: er stonden drie leliën op. De Prins opende hierop het briefje met blijkbare ontroering, die merkelijk vermeerderde, toen hij den inhoud gelezen had, welke aldus luidde:

"Neem u in acht; want de Duivel zelf is los!"

De Prins werd doodsbleek, zag eerst naar den grond, en toen naar den hemel, als iemand, die zijn doodvonnis gehoord heeft. Van de eerste ontroering herstellende, nam hij Waldemar Fitzurse en De Bracy ter zijde, en stelde hun het briefje beurtelings ter hand.

"Het kan een valsch gerucht zijn,--of een valsche brief!" zei De Bracy.

"Het is hand en zegel van den Franschen Koning!" hernam Prins Jan.

"Dan wordt het tijd," zei Fitzurse, "onze vrienden te verzamelen, hetzij te York of op een andere plaats. Een paar dagen later zou het wezenlijk te laat zijn. Uwe Hoogheid moet aan het tegenwoordig vreugdebedrijf spoedig een einde maken."

"Het volk en de landlieden," zei de Bracy, "moeten niet ontevreden naar huis gezonden worden; zij hebben nog geen deel aan het feest gehad."

"De dag," zeide Waldemar, "is nog niet zeer ver gevorderd—laat de schutters eenige malen naar de schijf schieten, en de prijs uitgedeeld worden. Dat zal toereikend zijn om de beloften van den Prins te vervullen voor zoo verre deze Saksische boeren er mede gemoeid zijn."

"Ik dank u, Waldemar," hervatte de Prins; "gij herinnert mij ook, dat ik een schuld te betalen heb aan den onbeschaamden boer, die mij gisteren persoonlijk beleedigde. Onze maaltijd zal heden avond plaats hebben, zooals wij van plan waren. Al was dit het laatste uur mijner macht, dan zou het gewijd zijn aan wraak en vermaak!--De nieuwe morgen brengt nieuwe zorgen."

Trompetgeschal riep spoedig de toeschouwers terug, die reeds begonnen waren het veld te ontruimen:--er werd afgekondigd, dat Prins Jan, plotseling door gewichtige en dringende zaken geroepen, het feest van den volgenden dag niet vieren kon; dat echter,--daar hij niet wilde, dat zoo vele goede schutters zouden vertrekken, zonder een bewijs van hunne behendigheid te geven,--het hem behaagde, het tegen den volgenden dag bepaalde boogschieten op heden te stellen. Voor den besten schutter werd een prijs uitgeloofd, bestaande uit een jachthoorn, met zilver beslagen, en een zijden rijk versierde sjerp, met een medaillon van St. Hubertus, den beschermheilige der jagers.

Er boden zich eerst meer dan dertig schutters als mededingers aan, waaronder verscheidene houtvesters en onderopzichters in de koninklijke bosschen van Needwood en Charnwood. Toen de boogschutters echter vernamen met wie zij den kampstrijd moesten wagen, zagen ruim twintig er weder van af, om de schande van een bijna zekere nederlaag te ontgaan. Want in die dagen was de behendigheid van iederen beroemden schutter even goed verscheidene mijlen in het rond bekend, als heden ten dage de eigenschappen van een paard, dat te Newmarket gefokt is, bekend zijn aan hen, die deze beroemde renbaan bezoeken.

De verminderde lijst der mededingers om den prijs, bevatte nog acht namen. Prins Jan stapte van zijn koninklijken zetel af, om deze uitgelezen schutters van naderbij te beschouwen, van welke verscheidene de koninklijke livrei droegen. Zijn nieuwsgierigheid door dit onderzoek bevredigd hebbende, zag hij naar het voorwerp van zijn toorn rond, dat hij op dezelfde plaats zag staan en met hetzelfde bedaarde gelaat, dat hij den vorigen dag getoond had.

"Vriend," zei Prins Jan, "ik bespeurde reeds gisteren aan uw onbeschaamd gesnap, dat gij eigenlijk geen echte liefhebber van den boog waart, en ik zie, dat gij het niet durft wagen uwe kunst te toonen tegen de fiksche mannen, die hier staan."

"Met verlof, mijn Vorst!" hernam de schutter. "Ik heb een geheel andere reden om niet te willen schieten, dan vrees voor de schande van overwonnen te worden."

"En welke is die andere reden?" vroeg Prins Jan, die, om de eene of andere oorzaak, welke hij mogelijk zelf niet had kunnen verklaren, een angstige nieuwsgierigheid ten opzichte van dezen man gevoelde.

"Omdat ik niet weet," hernam de jager, "of deze schutters en ik gewoon zijn naar hetzelfde wit te schieten;--en te meer, daar ik niet weet, hoe uw Hoogheid het zou opnemen, wanneer een derde prijs door iemand gewonnen werd, die buiten zijn schuld bij u in ongenade gevallen is."

Prins Jan kleurde, terwijl hij vroeg: "Hoe is uw naam, schutter?"

"Locksley," antwoordde deze.

"Welaan dan, Locksley," zei Prins Jan, "gij zult op uwe beurt schieten, als deze schutters hunne kunst getoond hebben. Als gij den prijs wint, zal ik er twintig Nobles bij doen; maar als gij verliest, dan zal uw groene rok u worden uitgetrokken, en gij zult met boogpezen, als een praatzieke en onbeschaamde pochhans, in het strijdperk gegeeseld worden."

"En als ik nu weigerde zulke voorwaarden aan te nemen?" zei de schutter. "Uwe Hoogheid kan mij gemakkelijk laten uitkleeden en geeselen, daar uwe macht door zoo vele gewapenden wordt ondersteund; maar gij kunt mij niet dwingen mijn boog te spannen."

"Als gij mijn billijk aanbod afslaat," zei de Prins, "dan zal de Provoost van het strijdperk uw boogpees doorsnijden, uw boog en uw pijlen breken, en u zelven als een lafaard wegjagen."

"Dat is een mooie kans, die gij mij overlaat, verhevene Prins," zei de schutter, "mij te dwingen, het tegen de beste schutters van Leicester en Staffordshire op te nemen, onder bedreiging van schimp en schande als zij mij overwinnen. Evenwel, ik zal aan uw bevel gehoorzamen."

"Slaat hem nauwkeurig gade," zei Prins Jan tot de gewapenden, "de moed ontzinkt hem; ik vrees dat hij trachten zal aan de proef te ontsnappen.--En gij, brave jongens, schiet moedig; een reebok en een vat wijn zijn in gindsche tent ter uwer verversching gereed, zoodra de prijs gewonnen is."

Aan het einde van de zuidelijke laan, die naar het strijdperk leidde, werd een schijf opgericht. De mededingende boogschutters namen beurtelings plaats aan den zuidelijken toegang; de afstand tusschen deze plaats en het wit was groot genoeg voor hetgeen men een jagersschot noemde. De schutters, na vooraf door het lot de orde, in welke zij schieten zouden, bepaald te hebben, moesten ieder drie pijlen achtereen afschieten. Dit alles werd geregeld door een officier van minderen rang: de Provoost der Spelen genoemd; want de hooge rang der maarschalken van het strijdperk gedoogde niet, dat zij het opzicht hadden over de spelen der burgers.

De schutters, voorwaarts tredende, schoten hunne pijlen stout en flink, één voor één af. Van vierentwintig pijlen zaten tien in de schijf, en de anderen vielen zoo dicht er bij, dat, naar den afstand te rekenen, het voor goede schoten gelden konden. Van de tien pijlen, die de schijf getroffen hadden, waren twee in den binnensten ring geschoten door Hubert, een houtvester in dienst van Malvoisin, die dus als overwinnaar uitgeroepen werd.

"Wel nu, Locksley," zei Prins Jan met een bitteren glimlach tot den gehaten schutter, "wilt gij het met Hubert opnemen, of boog, sjerp en pijlkoker aan den Provoost der Spelen overgeven?"

"Daar het niet anders kan," hernam Locksley, "wil ik mijn geluk wel beproeven, onder voorwaarde, dat wanneer ik twee pijlen op dezelfde schijf als Hubert geschoten heb, hij gehouden zal zijn er één te schieten op een wit, dat ik zal aanwijzen."

"Dat is niet meer dan billijk," antwoordde Prins Jan, "en het zal u niet geweigerd worden.--Als gij dien snoever overwint, Hubert, zal ik den horen met zilveren penningen voor u vullen."

"Een man kan niet meer dan zijn best doen," hernam Hubert; "maar mijn grootvader voerde een goeden boog bij Hastings, en ik vertrouw, dat ik zijne nagedachtenis niet zal onteeren."

De vorige schijf werd weggenomen, en een andere van dezelfde grootte opgezet. Hubert, die als overwinnaar in den eersten strijd, het recht had, het eerst te schieten, mikte met groote bedaardheid, den afstand lang met de oogen metende; terwijl hij zijn gespannen boog in de hand hield, met den pijl op het koord geplaatst. Eindelijk deed hij een schrede voorwaarts, en den boog met den uitgestrekten linkerarm oplichtende, tot het middelpunt er van bijna op gelijke hoogte met zijn gezicht kwam, trok hij de pees van den boog tot aan het oor. De pijl snorde door de lucht, en trof den binnensten ring op de schijf, maar niet juist in het midden.

"Gij hebt aan den wind niet gedacht, Hubert," zei zijn tegenpartij, den boog spannende, "anders zou het een beter schot geweest zijn."

Dit zeggende, en zonder zich de minste moeite te geven om vooraf op het wit te staren, ging Locksley naar de aangewezen standplaats, en schoot zijn pijl even zorgeloos af, alsof hij niet eens naar het wit gezien had. Hij sprak nog bijna op het oogenblik, dat de pijl wegvloog, en toch trof die twee duim dichter bij de witte plek op het middelpunt, dan die van Hubert.

"Bij het licht des hemels!" riep Prins Jan tegen Hubert, "zoo gij duldt, dat deze landlooper u de loef afsteekt, dan verdient gij de galg!"

Hubert had maar ééne vaste spreekwijze bij alle gelegenheden. "En al liet uw Hoogheid mij ophangen, een man kan niet meer dan zijn best doen. Echter was mijn grootvader met den boog--"

"De duivel hale uw grootvader en zijn geheele geslacht!" viel de Prins hem in de rede. "Schiet, ongelukkige, en schiet goed, of het zal u kwalijk bekomen!"

Zoo aangespoord, trad Hubert weder voor, en den raad niet verzuimende, dien zijne tegenpartij hem had gegeven, maakte hij het noodige gebruik van een zeer licht opkomend windje, en schoot zoo gelukkig, dat zijn pijl juist in het middelpunt van het wit trof.

"Hubert leve! Leve Hubert!" riep het volk, dat meer belang stelde in een bekende dan in een vreemdeling. "In het midden!--in het midden! Leve Hubert!"

"Gij kunt dat schot niet overtreffen, Locksley," zei de Prins met een spotachtigen glimlach.

"Ik zal echter zijn pijl raken," hervatte Locksley. En zijn pijl met meer voorzichtigheid dan te voren afschietende, trof hij juist dien van zijn mededinger, die in splinters vloog. Het volk in het rond was zoo verbaasd over zijne verwonderlijke behendigheid, dat het zijne verrassing zelfs niet op de gewone luidruchtige wijze kon uitdrukken.

"Dit moet de duivel zijn en geen mensch van vleesch en bloed," fluisterden de schutters elkander toe. "Zulk schieten is nog nooit gezien, zoo lang men een boog in Groot-Brittanje gespannen heeft."

"En nu," zei Locksley, "vraag ik uwe Hoogheid verlof om een wit op te richten, dat in de noordelijke gewesten gebruikt wordt,--en welkom ieder brave schutter, die er een schot op wagen wil, om een glimlach te verdienen van het meisje dat hij lief heeft!"

Hij draaide zich om, ten einde het strijdperk te verlaten. "Laten uw wachters mij vergezellen," zei hij, "zoo gij verkiest.--Ik wil maar even een tak van gindschen wilgenboom afsnijden."

Prins Jan gaf een teeken, dat eenige wachters hem volgen zouden, ingeval hij ontsnappen wilde; maar het geschreeuw van: "Schande! Schande!" dat de menigte verhief, deed hem van zijn onedelmoedig voornemen afzien.

Locksley kwam dadelijk terug met een wilgentak omtrent zes voet lang, volkomen recht en van de dikte van eens menschen duim. Hij schilde dien met veel bedaardheid af, tegelijk aanmerkende, dat het schande voor een goeden schutter was, naar een wit te schieten zoo breed als dat, hetwelk men tot hiertoe gebruikt had. "Wat hem betrof," voegde hij er bij, "en in het land, waar hij was opgevoed, zou men even gaarne Koning Arthurs ronde tafel, waaraan zestig ridders konden zitten, tot schijf nemen. Een kind van zeven jaren kon zoo iets met een pijl zonder kop treffen; maar," ging hij voort, bedaard naar het andere einde van het strijdperk gaande, en het wilgenstokje recht in den grond zettende, "hem, die deze roede op honderd ellen afstands treft, noem ik een schutter, waardig om boog en pijlkoker te dragen voor een Koning, al ware het ook de dappere Koning Richard zelf!"

"Mijn grootvader," zei Hubert, "spande een goeden boog bij den slag van Hastings, en heeft nooit van zijn leven naar zulk wit geschoten, en dat doe ik ook niet. Als deze schutter dien stok kan klieven, dan beken ik mij door hem, of liever door den duivel, die in zijn wambuis zit, en niet door menschelijke behendigheid, overwonnen; een mensch kan niet meer dan zijn best doen, en ik wil niet schieten, waar ik zeker ben te missen. Ik kon even goed schieten naar de snede van het lange mes van den Pastoor, of naar een stroohalm, of naar een zonnestraal, als naar een dunne witte streep, die ik nauwelijks zien kan."

"Lafhartige hond!" riep Prins Jan uit. "Locksley, schiet gij maar; en als gij zulk een wit raakt, dan zal ik zeggen, dat gij de eerste schutter zijt, die het ooit gedaan heeft. Maar hoe het ook zij, gij zult geen koning kraaien door slechts te pochen op behendigheid."

"Ik zal mijn best doen, zooals Hubert zegt," antwoordde Locksley; "niemand kan meer."

Dit zeggende, spande hij weder den boog, maar bij deze gelegenheid zag hij aandachtig naar zijn wapen en veranderde de pees, die niet meer zuiver rond was, daar zij door de twee vorige schoten een weinig gescheurd was. Hij mikte toen met eenig overleg, en de menigte wachtte de uitkomst in doodelijke stilte af. De schutter beantwoordde aan hun verwachting van zijn behendigheid: zijn pijl spleet de wilgenroede, tegen welke hij gericht was. Een luid vreugdegejuich volgde, en zelfs Prins Jan verloor uit bewondering voor Locksley's behendigheid zijn afkeer tegen zijn persoon.

"Deze twintig Nobles," zei hij, "welke gij met den hoorn eerlijk gewonnen hebt, behooren u toe; wij zullen er vijftig van maken, zoo gij onze livrei wilt dragen, en dienst nemen als schutter bij de lijfwacht, die steeds in mijne onmiddellijke nabijheid is. Want nooit heeft een zoo sterke hand een boog gespannen, of een zoo vast oog een pijl gericht."

"Vergeef mij, edele Prins," zei Locksley; "maar ik heb een gelofte gedaan, dat, zoo ik ooit dienst nam, het bij uw koninklijken broeder Richard zou zijn. Deze twintig Nobles laat ik aan Hubert over, die heden een even goeden boog gespannen heeft, als zijn grootvader bij Hastings. Zoo zijne zedigheid de proef niet geweigerd had, zou hij het stokje even goed geraakt hebben, als ik."

Hubert schudde het hoofd, terwijl hij de milde gave van den vreemdeling aarzelend aannam; en Locksley, begeerig om verdere nasporing te ontgaan, begaf zich onder de menigte, en liet zich niet meer zien.

De zegepralende boogschutter zou misschien niet zoo gemakkelijk aan des Prinsen opmerkzaamheid ontsnapt zijn, indien niet vele angstige en gewichtige overdenkingen op dit oogenblik zijn gemoed verontrust hadden. Hij riep zijn kamerheer, terwijl hij het teeken tot het verlaten van het strijdperk gaf, en beval hem oogenblikkelijk naar Ashby te jagen en den Jood Izaäk op te zoeken. "Zeg den hond," zei hij, "mij morgen vóór zonsondergang twee duizend kronen te zenden. Hij kent het onderpand; maar gij kunt hem dezen ring tot teeken toonen. Het overige geld moet binnen zes dagen te York betaald worden. Indien hij het verzuimt, zal ik den ongeloovigen hond het hoofd laten afslaan. Pas op, dat gij hem onderweg niet voorbijrijdt; want de ellendige slaaf was hier, om zijn gestolen rijkdommen zelfs onder mijn oogen te vertoonen."

Met deze woorden steeg de Prins weder te paard, en keerde naar Ashby terug, terwijl de geheele menigte bij zijn vertrek uiteen ging en zich overal verspreidde.