Gij hieldt, Herauten, op, met heen en weer te draven,
Terwijl trompet, klaroen het sein tot d' aanval gaven:
't Is nauwlijks nog gehoord, of weerzijds van de baan,
Ziet ge allen vaardig met gevelde lansen staan,
De scherpe spoor gedrukt in 't ros aan beide zijden;
Daar stuiven ze ijlings voorwaarts, rennen, worstlen, strijden;
De spietsen dringen door het dikke en harde schild
Den hartkuil in: de ridder wankelt, trilt;
Zij vliegen door de lucht, de lange, lange lansen;
De ontbloote zwaarden in de zon, als zilver glanzen;
Alom wordt helm bij helm gebeukt, verplet, doorboord,
En 't bloed stroomt langs den grond in roode plassen voort.
Chaucer.
De morgen daagde in onbewolkte helderheid op, en eer de zon ver boven den gezichteinder verscheen, zag men de traagsten, of ijverigsten der toeschouwers op weg naar het strijdperk, om zich eene gunstige plaats te verschaffen, bij de verwachte spelen.
De maarschalken en hunne volgelingen verschenen ook op het veld, tegelijk met de herauten, om de namen van de ridders op te teekenen, die begeerden mede te strijden, zoowel als de partij, welke zij wenschten te kiezen. Dit was een noodzakelijke voorzorg, om eenige gelijkheid te bewaren tusschen de twee afdeelingen, die tegen elkander strijden zouden.
Volgens het gebruik was de Onterfde Ridder aanvoerder van de eene partij, terwijl Brian de Bois-Guilbert, die voor den tweeden op den vorigen dag gerekend werd, tot eersten kampvechter van de andere partij benoemd was. Zij, die deel aan de uitdaging genomen hadden, waren natuurlijk van zijne partij, met uitzondering van Ralph de Vipont, dien zijn val buiten staat gesteld had, om zoo schielijk weder een wapenrusting aan te doen. Het ontbrak niet aan uitstekende en edele kandidaten, om de gelederen aan beide zijden te versterken.
Inderdaad, ofschoon het algemeen toernooi, waarin alle ridders tegelijk vochten, gevaarlijker was dan de tweegevechten, zoo werd het toch meer gezocht en beoefend door de ridderschap van die eeuw. Vele ridders, die geen vertrouwen genoeg op hunne eigene behendigheid stelden, om een enkelen vijand van grooten naam uit te dagen, verlangden echter hunne dapperheid in het algemeen gevecht te toonen, waar zij anderen konden ontmoeten, met wie zij meer gelijk stonden. Bij de tegenwoordige gelegenheid werden omtrent vijftig ridders aan beide kanten ingeschreven, toen de maarschalken verklaarden, dat er geen meer konden aangenomen worden, tot groote teleurstelling van velen, die te laat kwamen, om toegelaten te worden.
Tegen tien uur was de geheele vlakte bedekt met mannen en vrouwen te paard, en te voet, die allen naar het toernooi gingen; en kort daarop kondigde een luid trompetgeschal Prins Jan en zijn gevolg aan, vergezeld van velen der ridders, die deel wilden nemen aan het gevecht, zoowel als van anderen, die dit voornemen niet hadden.
Omtrent denzelfden tijd verscheen Cedric de Sakser met jonkvrouw Rowena, maar zonder Athelstane. Deze edele Sakser had zijn groot en sterk lichaam in eene wapenrusting gestoken, om plaats te nemen onder de strijders, en zeer tot verwondering van Cedric, had hij de partij van den Tempelier gekozen. De Sakser had zijn vriend, wel is waar, sterke vertoogen gedaan over deze onverstandige keus; maar hij had slechts het antwoord gekregen, dat gewoonlijk diegenen geven, welke hardnekkiger zijn in het opvolgen van hun eigen wil, dan zij sterk zijn om dien te rechtvaardigen. Zijn beste, zoo niet zijn eenige reden, om de partij van Brian de Bois-Guilbert te kiezen, was Athelstane voorzichtig genoeg voor zichzelven te houden. Schoon zijne trage inborst hem verhinderde, eenige moeite aan te wenden, om zich in de gunst van Rowena in te dringen, was hij echter geenszins ongevoelig voor haar bekoorlijkheden, en beschouwde hij eene verbintenis met haar, als eene reeds geheel zekere zaak, door de toestemming van Cedric en haar overige vrienden. Dus had de hoogmoedige, hoewel trage Heer van Coningsburgh met heimelijk ongenoegen gezien, dat de overwinnaar van den vorigen dag, Rowena gekozen had, als het voorwerp der eer, welke hij zelf het zijn voorrecht achtte, haar te schenken. Om hem alzoo wegens eene voorkeur te straffen, die zijn eigen aanzoek in den weg scheen te staan, had Athelstane, vol vertrouwen op zijne krachten en groote behendigheid in het gebruik der wapenen, die hem zijn vleiers tenminste toeschreven, besloten, niet alleen den Onterfden Ridder van zijn machtigen bijstand te berooven, maar zelfs, als er zich eene gelegenheid opdeed, hem de zwaarte van zijn strijdbijl te doen gevoelen.
De Bracy en andere ridders, die aan Prins Jan verkleefd waren, hadden op een wenk van hem de partij der uitdagers genomen, daar de Prins verlangde, zoo mogelijk, de overwinning naar dien kant te doen overhellen. Daarentegen namen vele andere ridders, zoowel Saksers als Normandiërs, inboorlingen en vreemden, des te gereeder partij tegen de uitdagers, daar de andere schaar door een zoo uitstekenden kampvechter aangevoerd zou worden, als de Onterfde Ridder zich betoond had.
Zoodra Prins Jan bespeurde, dat de uitverkoren Koningin van den dag in het strijdperk was aangekomen, reed hij haar tegemoet, met die hoffelijkheid, welke hem zoo goed stond, nam de baret af, en van het paard springende, hielp hij Rowena afstijgen, terwijl zijn gevolg tegelijk de hoofden ontblootten en een der aanzienlijksten daaronder afsteeg, om haar paard te houden.
"Zoo is het," zei Prins Jan, "dat wij het verschuldigde voorbeeld van getrouwheid aan de Koningin der Liefde en Schoonheid geven, en haar zelf naar den troon geleiden, dien zij heden moet beklimmen.--Schoone Dames," zeide hij, "volgt uwe Koningin, zoo gij wenscht op uwe beurt gelijke eer te genieten."
Dit zeggende, geleidde de Prins Rowena naar de eereplaats, tegenover die waar hij zat, terwijl de schoonste en aanzienlijkste vrouwen achter haar aandrongen, om zoo dicht mogelijk bij haar Vorstin te zitten.
Nauwelijks zat Rowena, of de muziek, half verdoofd door het gejuich der menigte, begroette haar in haar nieuwe waardigheid. Intusschen scheen de zon sterk en helder op de schitterende wapens van de ridders der beide partijen, welke de uiteinden van het strijdperk opvulden, en ijverig met elkander de beste wijze overlegden, om hun slagorde te schikken, en den strijd te voeren.
De herauten geboden nu stilzwijgen, totdat de wetten van het toernooi voorgelezen waren. Deze waren eenigermate berekend, om de gevaren van den dag te verminderen; een voorzorg, die des te noodiger was, omdat de strijd met scherpe zwaarden en puntige lansen zou plaats hebben.
Er werd dus aan de kampvechters verboden met het zwaard te steken, en hun werd alleen geoorloofd te houwen. De ridder kon een strijdbijl of knots gebruiken; maar de dolk was een verboden wapen. Een van het paard geworpen ridder mocht het gevecht hernieuwen met een ridder van de tegenpartij, die zich in hetzelfde geval bevond; maar aan de ruiters was het verboden hen aan te vallen. Wanneer een ridder zijn tegenpartij tot aan het einde van het strijdperk kon drijven, zoodat hij de palen met zijn paard of zijn wapenrusting aanraakte, dan moest deze zich overwonnen bekennen, en zijn paard en zijn wapenen stonden ter beschikking van den overwinnaar. Een aldus overwonnen ridder mocht geen verder deel aan den strijd nemen. Wanneer een op den grond geworpen ridder niet in staat was, weder op te staan, mocht zijn schildknaap, of page, in het strijdperk komen, en zijn meester uit het gedrang slepen; maar in dit geval werd de ridder voor overwonnen gehouden, en zijne wapenen en zijn paard werden verbeurd verklaard. Het gevecht moest ophouden, zoodra Prins Jan zijn staf zou neder werpen; eene laatste voorzorg, die gewoonlijk genomen werd, om onnoodig bloedvergieten bij het te lang aanhouden van zulk een gevaarlijk spel te beletten. Ieder ridder, die de toernooiwetten schond, of op andere wijze de wetten der eerzame ridderschap overtrad, zou van zijne wapenen beroofd, met omgekeerd schild op den top der palissaden geplaatst, en aan het algemeen gelach blootgesteld worden, wegens zijn onridderlijk gedrag.
Nadat deze maatregelen waren bekend gemaakt, besloten de herauten met eene vermaning aan iederen goeden ridder, om zijn plicht te doen, en de gunst van de Koningin der Liefde en Schoonheid te verdienen.
Toen deze afkondiging gedaan was, begaven zich de herauten naar hunne standplaats. De ridders, van beide zijden van het strijdperk in een lange rij binnenkomende, schaarden zich in twee gelederen, vlak tegenover elkaar. De aanvoerder van iedere partij bevond zich in het midden van het voorste gelid; eene plaats, die hij niet innam, voordat hij de gelederen zorgvuldig in slagorde gesteld, en aan ieder zijne plaats gewezen had.
Het was een schoon, maar tevens angstverwekkend schouwspel, zoo vele dappere strijders, in het rijden geoefend, en rijk gewapend, gereed te zien staan voor een zoo vreeselijk gevecht,--als ijzeren standbeelden in hun zadels zittende, en het teeken tot den aanval met even groot verlangen afwachtende, als hunne moedige rossen, die door brieschen en stampen hun ongeduld te kennen gaven.
Nog hielden de ridders hun lange lansen omhoog, terwijl de blinkende spitsen in de zon glinsterden, en de vaandeltjes, waarmede zij versierd waren, boven de pluimen der helmen fladderden. Zoo bleven zij staan, terwijl de maarschalken hun gelederen met de uiterste nauwkeurigheid onderzochten, of niet de eene of andere partij meer of minder sterk was, dan het bepaald getal. Dit werd in orde bevonden. Daarop verlieten de maarschalken het strijdperk, en Willem de Wyvil gaf met donderende stem het teeken tot den aanval met de woorden: Laissez aller! De trompetten lieten zich nu hooren,--de speren der kampvechters zakten op eens,--de paarden werden aangespoord, en de voorste gelederen vlogen op elkander aan, en stietten in het midden van het strijdperk met een schok tegen elkander, die men op een mijl afstands kon hooren. Het achterste gelid volgde langzamer, om de overwonnenen te helpen, en de overwinnaars van hun eigene partij te ondersteunen.
Men kon de gevolgen van deze botsing niet dadelijk zien, want het stof, door het stampen van zoo vele paarden veroorzaakt, verduisterde de lucht, en er verliep wel een minuut, eer de ongeduldige toeschouwers den uitslag daarvan konden zien. Toen alles zichtbaar werd, was de helft der ridders van iederen kant van het paard geworpen; eenigen door het behendig gebruik van de lans hunner tegenpartij,--sommigen door het overwicht, dat man en paard had ter neder gestort,--anderen lagen op den grond, alsof zij nooit weder opstaan zouden;--nog anderen waren reeds weder op de been, en handgemeen geworden met die hunner vijanden, welke zich in denzelfden toestand bevonden,--en twee of drie, die wonden gekregen hadden, welke hen verder onbekwaam maakten tot het gevecht, stelpten het bloed met hun sjerpen, en trachtten zich uit het gedrang te redden. De ridders, die in den zadel gebleven waren, en wier lansen bijna alle door de hevigheid van den schok gebroken werden, streden nu man tegen man met het zwaard, onder een luid krijgsgeschreeuw, en deelden elkander slagen toe, alsof eer en leven van den uitslag des gevechts afhingen.
Het gedruisch nam toe, door het aanrukken van het tweede gelid van iederen kant, dat tot hulpbende diende, en nu voorwaarts stoof, om hun vrienden te ondersteunen. De aanhangers van Brian de Bois-Guilbert riepen: "Ha! Beau Séant! Beau Séant [16]--Voor den Tempel! Voor den Tempel!" De tegenpartij riep daarentegen: "Desdichado! Desdichado!"--een krijgsgeschreeuw, dat zij ontleenden aan het devies op het schild van hun aanvoerder.
De kampvechters dus met de grootste woede en met afwisselend geluk tegen elkander strijdende, scheen de overwinning dan eens naar het zuidelijk, dan weder naar het noordelijk einde van het strijdperk over te hellen, naarmate de een of andere partij voor het oogenblik zegevierde. Intusschen vermengde zich het gekletter der zwaarden en het geschreeuw der vechtenden op een verschrikkelijke wijze met het geschal der trompetten, en verdoofde het gekerm der vallenden, die hulpeloos onder de hoeven der paarden lagen. De schitterende wapenrustingen der strijders waren nu bezoedeld met stof en bloed, en bezweken voor iederen slag van het zwaard en de strijdbijl. De bonte pluimen, van de helmen afgemaaid, dreven als sneeuwvlokken voor den wind af. Alles, wat schoon en bevallig in de krijgshaftige vertooning geweest was, verdween, en hetgeen nu nog te zien was, diende slechts om schrik of medelijden te verwekken.
Zoo sterk is echter de kracht der gewoonte, dat niet alleen de gemeene toeschouwers, die natuurlijk door schrikwekkende tooneelen worden vermaakt, maar zelfs de dames, die de galerijen vulden, den kamp beschouwden, wel is waar met angstige belangstelling, maar zonder begeerte, om de oogen van een zoo schrikkelijk schouwspel af te wenden. Hier en daar verbleekte wel een schoone wang, of liet zich een gil hooren, wanneer een minnaar, broeder of echtgenoot van het paard geworpen werd. Maar, over het algemeen, moedigden de dames de strijders aan niet alleen door handgeklap, en door wuiven met doeken en sluiers, maar ook door het geroep: "Dappere lans! Goed zwaard!" als zij een gelukkigen slag of stoot opmerkten.
Daar het schoone geslacht zooveel belang stelde in dit bloedige gevecht, kan men zich dat der mannen licht verbeelden. Het openbaarde zich in luide juichtonen bij iedere verandering van de kansen, terwijl aller oogen zoo op het strijdperk gericht waren, dat de toeschouwers zelven de slagen schenen uit te deelen en te ontvangen, welke zoo ruimschoots vielen. Bij iedere stilte hoorde men de stem der herauten uitroepen: "Vecht, dappere ridders! De mensch sterft, maar de roem leeft!--Strijdt,--de dood is beter dan de nederlaag!--Kampt, dappere ridders! schoone oogen aanschouwen uw heldendaden!"
Onder al de gebeurtenissen van den strijd, trachtten aller oogen de aanvoerders van iedere partij te ontdekken, die, zich in het heetste van het gevecht mengende, hun makkers door stem en voorbeeld aanmoedigden. Beiden verrichtten groote en dappere daden, en noch Bois-Guilbert, noch de Onterfde Ridder vonden in de vijandelijke gelederen een kampvechter, die volkomen tegen hen bestand was. Zij trachtten wederzijds elkander te ontmoeten, aangespoord door wederkeerigen haat, en overtuigd, dat de val van een der aanvoerders beschouwd kon worden, als beslissend voor de overwinning. Zoo groot echter was het gedrang en de verwarring, dat in het begin van het gevecht hun pogingen om elkander te ontmoeten, vruchteloos waren, en zij herhaalde malen gescheiden werden door den ijver hunner aanhangers, waarvan ieder begeerig was eer in te oogsten, door zijne kracht te beproeven tegen den aanvoerder der tegenpartij.
Maar toen de rijen aan beide zijden dunner begonnen te worden, door het getal van hen, die zich overwonnen verklaard hadden, of naar de uiteinden van het strijdperk waren gedreven, of anders onbekwaam gemaakt waren om den strijd voort te zetten, werden de Tempelier en de Onterfde ridder handgemeen, met al die woede, dien doodelijken haat, welke de strijd om de eer hun konden inboezemen. Zoo groot was beider behendigheid in den aanval en in de verdediging, dat de toeschouwers in een eenstemmig en onwillekeurig gejuich uitbarstten, waardoor zij hunne vreugde en bewondering uitdrukten.
Maar op dit oogenblik was het met de partij van den Onterfden Ridder slecht gesteld; de reuzenarm van Front-de-Boeuf op den eenen vleugel, en de reuzenkracht van Athelstane op den anderen, hadden degenen, die onmiddellijk tegenover hen stonden, ter neer geslagen en verstrooid. Zich bevrijd ziende van hun tegenstanders, scheen het beiden ridders op hetzelfde oogenblik in te vallen, dat zij hun partij het beslissendste voordeel zouden bezorgen, door den Tempelier in zijn strijd met zijn mededinger bij te staan. Hun paarden dus tegelijk wendende, joeg de Normandiër van de eene zijde op hem los, en de Sakser van de andere. Het ware volstrekt onmogelijk geweest, dat het voorwerp van dezen ongelijken en onverwachten aanval dien had kunnen weerstaan, zoo hij niet door het algemeen geroep der toeschouwers gewaarschuwd was, die niet nalaten konden belang te stellen in een ridder, die aan zulk een ongelijken strijd blootgesteld was.
"Wees op uw hoede! wees op uw hoede! Heer Onterfde!" werd zoo algemeen geroepen, dat de ridder zijn gevaar bespeurde, en een geweldigen slag naar den Tempelier doende, haalde hij zijn paard tegelijkertijd achteruit, zoodat hij aan den schok van Athelstane en Front-de-Boeuf ontging; dezen dus, hun doel verijdeld ziende, renden van beide zijden tusschen het voorwerp van hun aanval en den Tempelier door, terwijl zij met de paarden tegen elkander stootten, voordat zij hun loop konden tegenhouden. Hun rossen echter nog intoomende en ronddraaiende, vervolgden alle drie hun voornemen, om den Onterfden Ridder ter neder te vellen.
Niets kon hem gered hebben, dan de bijzondere sterkte en vlugheid van het edele paard, dat hij den vorigen dag gewonnen had. Dit kwam hem te meer te pas, dat het paard van Bois-Guilbert gewond was, en die van Athelstane en Front-de-Boeuf beiden vermoeid waren, door het gewicht hunner reusachtige meesters in volle wapenrusting, en door de vroegere inspanning van den strijd. De verwonderlijke rijkunst van den Onterfden Ridder en de vlugheid van het edele dier, dat hij bereed, stelden hem, gedurende eenige oogenblikken, in staat, om zijn drie aanvallers van zich af te houden, terwijl hij, zich draaiende en keerende evenals een valk in de lucht, zijn vijanden zoo ver mogelijk van elkander hield, en nu den een, dan den andere zelf aanvallende, met zijn zwaard slagen uitdeelde, zonder die af te wachten, welke men op hem muntte.
Maar schoon het strijdperk van toejuichingen over zijn behendigheid weergalmde, was het duidelijk, dat hij ten laatste voor de overmacht zou moeten zwichten; en zij, die Prins Jan omgaven, smeekten hem eenstemmig zijn staf neder te werpen, en een zoo dapperen ridder den smaad eener onverdiende nederlaag te besparen.
"Ik niet, bij het licht des Hemels!", antwoordde Prins Jan; "deze bastaard, die zijn naam verbergt, en onze aangeboden gastvrijheid versmaadt, heeft reeds één prijs weggedragen, en kan nu aan anderen een beurt laten." Terwijl hij zoo sprak, veranderde een onvoorzien toeval den uitslag van den kamp.
Er was onder de gelederen van den Onterfden Ridder één kampvechter op een zwart paard, in zwarte wapenrusting, breed van schouders, groot, en naar allen schijn krachtig en sterk. Deze ridder, die in 't geheel geen devies op zijn schild voerde, had tot nu toe zeer weinig belangstelling in den uitslag van het gevecht getoond, met groot gemak, zooals het scheen, de ridders die hem aanvielen, afwerende, maar zonder van zijn voordeel gebruik te maken, of iemand aan te tasten. Kortom, hij speelde eerder de rol van een toeschouwer dan van een deelnemer in het toernooi,--een omstandigheid, welke hem bij de aanwezigen den naam van "Le Noir Fainéant," of "de zwarte luiaard," verschafte.
Op eens scheen de ridder zijn onverschilligheid te vergeten, toen hij den aanvoerder van zijn partij zoo hard bestookt zag; want zijn paard, dat nog geheel frisch was, de sporen gevende, vloog hij pijlsnel ter zijner hulp, terwijl hij met een stem, luid als het trompetgeschal, riep: "Desdichado, ter hulp!" Het was hoog tijd; want, terwijl de Onterfde Ridder op den Tempelier indrong, was Front-de-Boeuf met opgeheven zwaard tot dicht bij hem genaderd; maar eer de slag viel, bracht de Zwarte Ridder hem een houw op het hoofd toe, die, van den gepolijsten helm afglijdende, met weinig verminderde kracht op het chamfron van het paard nederkwam, en deed Front-de-Boeuf met zijn ros op den grond rollen, waar zij beiden bewegingloos bleven liggen. Hierop wendde Le Noir Fainéant zijn paard tegen Athelstane van Coningsburgh; en daar zijn eigen zwaard in den strijd met Front-de-Boeuf gebroken was, rukte hij den forschen Sakser de strijdbijl uit de hand, en het wapen als een geoefend krijgsman zwaaiende, gaf hij Athelstane daarmede zulk een geweldigen slag op den helm, dat ook deze bewusteloos ter aarde zonk. Na deze daad verricht te hebben, die des te luider toegejuicht werd, daar ze van zijn kant geheel onverwacht kwam, scheen de ridder weder door zijn natuurlijke traagheid overvallen te worden; want bedaard naar het noordelijke uiteinde van het strijdperk terugkeerende, liet hij het aan zijn aanvoerder over, om den strijd met Brian de Bois-Guilbert, zoo goed hij kon, te eindigen. Dit was op verre na zoo moeielijk niet meer als te voren. Het paard van den Tempelier had veel bloed verloren, en zeeg bij den aanval van den Onterfden Ridder ter neder. Brian de Bois-Guilbert rolde op den grond, terwijl zijn voet in den stijgbeugel hangen bleef, waaruit hij zich niet los kon maken. Zijn vijand sprong van het paard, zwaaide zijn overwinnend zwaard over zijn hoofd, en beval hem zich over te geven, toen Prins Jan, meer bewogen door den gevaarlijken toestand van den Tempelier, dan hij door dien van zijn tegenpartij geweest was, hem den schimp bespaarde van zich overwonnen te bekennen, door zijn staf naar beneden te werpen, en dus een einde aan het gevecht te maken. Het waren inderdaad ook slechts de laatste vonken en spranken van het vuur die nog brandden; want het grootste gedeelte der ridders, die nog in het strijdperk waren, hadden het gevecht voor een poos geschorst, om de beslissing er van aan hun aanvoerders over te laten.
De schildknapen, die het gevaarlijk en moeilijk gevonden hadden, hun meesters gedurende het gevecht bij te staan, drongen nu bij menigte in het strijdperk, om den gekwetsten de noodige hulp toe te brengen, welke met de uiterste zorg en oplettendheid naar de naburige tenten, of naar de verblijven gebracht werden, die in het naaste dorp voor hen bereid waren.
Zoo eindigde het gedenkwaardige toernooi te Ashby-de-la-Zouche, een der geduchtste wapenfeesten van dien tijd; want, ofschoon er maar vier ridders, waaronder een, die door de zwaarte van zijne wapenrusting gesmoord werd, op het slagveld sneuvelden, zoo waren er toch meer dan dertig gevaarlijk gekwetst, waarvan vier of vijf nooit herstelden. Verscheidene anderen werden voor hun leven verlamd; en zij, die er het best afkwamen, droegen de lidteekenen van den strijd tot aan het graf. Daarom spreekt men steeds in de oude jaarboeken van: "De edele en schoone wapenstrijd te Ashby."
Daar het nu de plicht van Prins Jan was den ridder te noemen, die het best gestreden had, besliste hij, dat de eer van den dag toekwam aan hem, dien men Le Noir Fainéant genoemd had. Men gaf den Prins daartegen te kennen, dat de overwinning inderdaad behaald was door den Onterfden Ridder, die in den loop van den strijd met eigene hand zes kampvechters overwonnen, en ten laatste den aanvoerder der tegenpartij bedwongen had. Maar Prins Jan volhardde bij zijn uitspraak, op grond, dat de Onterfde Ridder en zijne partij de overwinning zouden verbeurd hebben, zonder den krachtigen bijstand van den Zwarten Ridder, aan wien hij derhalve volstrekt den prijs toekennen wilde.
Tot verbazing van alle toeschouwers echter, was de dus bevoorrechte ridder nergens te vinden. Hij had het strijdperk dadelijk na het einde van het gevecht verlaten, en eenige der aanwezigen hadden hem langs een van de boschlanen zien rijden, met denzelfden langzamen stap en met dezelfde onverschillige houding, aan welke hij den bijnaam van "den zwarten luiaard" te danken had. Nadat hij tweemaal door trompetgeschal en door de stem der herauten was opgeroepen, werd het noodzakelijk een anderen te benoemen, om de hem toegedachte eer te ontvangen. Prins Jan had nu geen verontschuldiging meer, om het recht van den Onterfden Ridder te betwisten, dien hij dus als overwinnaar uitriep. Over een veld, dat door het vergoten bloed glibberig geworden, en met gebroken wapens en lichamen van gedoode en gewonde paarden bedekt was, geleidden de maarschalken den overwinnaar ten tweeden maal voor den troon van Prins Jan.
"Heer Onterfde Ridder," zei Prins Jan, "daar gij alleen onder dezen naam bij ons verkiest bekend te zijn, wij geven u voor de tweede maal de eer van dit toernooi, en kennen u het recht toe, uit de handen der Koningin der Liefde en Schoonheid den eerekrans te eischen en te ontvangen, welke uw dapperheid waardiglijk verdiend heeft." De ridder boog diep en bevallig, maar antwoordde niet.
Terwijl de trompetten weergalmden, de herauten de stem verhieven, om den dapperen eer en den overwinnaar roem toe te zwaaien,--terwijl de dames met zijden doeken en geborduurde sluiers wuifden, en alle toeschouwers een luidruchtig vreugdegejuich verhieven, geleidden de maarschalken den Onterfden Ridder dwars door het strijdperk naar den eeretroon, dien Rowena bezette. Op de laagste trappen daarvan deed men den kampvechter nederknielen. Zijn geheel gedrag, sedert het einde van het gevecht, scheen inderdaad eerder bestuurd te wezen door hen, die bij hem waren, dan door zijn eigen vrijen wil; en men zag zelfs, dat hij struikelde, toen men hem voor de tweede maal door het strijdperk voerde. Rowena, zich met een aanvallige en deftige houding van haar zetel verheffende, was op het punt den krans, welken zij in de hand hield, op den helm des overwinnaars te zetten, toen de maarschalken eenstemmig uitriepen: "Dat mag zoo niet; zijn hoofd moet ontbloot zijn." De ridder sprak flauw eenige woorden, welke in de holte van den helm verloren gingen, maar de inhoud scheen een verlangen aan te duiden, dat zijn helm niet mocht worden afgenomen. Het zij uit verkleefdheid aan het gebruik, of uit nieuwsgierigheid, de maarschalken sloegen geen acht op zijn wenschen, maar ontblootten zijn hoofd, door de helmbanden en halsriemen los te maken. Daar ontwaarde men de schoone, door de zon verbrande gelaatstrekken, en het dik, kort blond haar van een jongeling van vijf en twintig jaren. Zijn gelaat was doodsbleek en op eenige plaatsen met bloed bevlekt.
Nauwelijks had Rowena hem gezien, of zij gaf een luiden gil; maar in eens alle krachten inspannende, en zich, als het ware, dwingende om voort te gaan, terwijl haar geheele lichaam nog sidderde door de hevigheid eener plotselinge aandoening, zette zij op het nedergebogen hoofd van den overwinnaar den kostbaren krans, de bepaalde belooning van dien dag, en sprak met heldere, duidelijke stem deze woorden: "Heer ridder, ik schenk u dezen krans, als den prijs der dapperheid, heden toegewezen aan den overwinnaar." Hier hield zij een oogenblik stil, en voegde er toen met vaste stem bij: "En nooit heeft de ridderkrans een waardiger hoofd versierd!"
De ridder boog het hoofd en kuste de hand der schoone Koningin, door welke zijn dapperheid beloond was; en toen voorover zakkende, viel hij voor haar voeten neder.
Dit veroorzaakte een algemeenen schrik. Cedric, die verstomd gestaan had bij de onverwachte verschijning van zijn verbannen zoon, kwam in haast toeschieten, alsof hij hem van Rowena wilde scheiden. Maar dit was reeds door de maarschalken geschied, die, de reden van Ivanhoe's bezwijming gissende, zich gehaast hadden hem te ontwapenen, en ontdekten, dat een lans door zijn borstharnas gedrongen was, en hem een wonde in de zijde toegebracht had.