Marianne, die nooit veel verdraagzaamheid toonde tegenover iets, dat maar op lompheid, grofheid, gebrek aan geestesgaven, of zelfs op eenige afwijking van haar eigen smaak geleek, was juist nu, in háár gemoedstoestand, bijzonder ongeneigd om in de dames Steele behagen te scheppen, of hun tegemoetkomende houding door de hare aan te moedigen; en aan haar onveranderlijke koelheid jegens hen, die elke poging tot vertrouwelijkheid van hunne zijde terugwees, schreef Elinor hoofdzakelijk de voorkeur voor haarzelve toe, die al spoedig ten duidelijkste bleek uit beider gedrag; het meest nog uit dat van Lucy, die geen gelegenheid liet voorbijgaan om een gesprek met haar aan te knoopen, of pogingen te doen tot toenadering door vrijmoedige en openhartige mededeeling van hare gevoelens.
Lucy was van nature schrander; haar opmerkingen waren dikwijls juist en vermakelijk, en als gezelschap voor een half uurtje vond Elinor haar soms niet onaangenaam; doch haar vermogens waren niet ontwikkeld door opvoeding; zij was onwetend, had niets gelezen, en haar gemis van alle geestelijke vorming, haar onkunde in de meest alledaagsche zaken konden niet voor Elinor verborgen blijven, ondanks Lucy's onvermoeide pogingen om zich van haar beste zijde te laten kennen. Elinor zag, en beklaagde in haar de verwaarloozing van gaven, die onder zorgvuldige leiding achting hadden kunnen verwerven; doch zij zag tevens, met vrij wat minder hartelijk medegevoel, het volslagen gebrek aan kieschheid, aan rechtschapenheid, aan fiere zuiverheid van inborst, dat sprak uit al haar beleefdheden, haar opdringende dienstvaardigheid, haar vleierij te Barton Park, en zij kon geen duurzame voldoening vinden in het samenzijn met iemand, die onoprechtheid paarde aan onkunde, wier gebrek aan ontwikkeling elk onderhoud op een voet van gelijkheid onmogelijk maakte, en wier gedrag jegens anderen ieder vertoon van belangstelling of eerbied tegenover haarzelve volkomen waardeloos deed schijnen.
"U zult het misschien een vreemde vraag vinden," zei Lucy, toen zij op zekeren dag samen van het Park naar Barton Cottage wandelden,--"maar kent u persoonlijk uw schoonzuster's mama, Mevrouw Ferrars?"
Elinor vond die vraag zeer vreemd, en de uitdrukking van haar gelaat gaf dit duidelijk te kennen, terwijl zij antwoordde, dat zij Mevrouw Ferrars nooit had ontmoet.
"Och kom," zei Lucy; "dat verwondert mij; ik dacht, dat u haar te Norland wel eens zoudt hebben gesproken. Dan kunt u mij zeker ook niet zeggen, wat voor een soort van vrouw zij eigenlijk is?"
"Neen," antwoordde Elinor, voorzichtig in het uiten van haar werkelijke meening omtrent Edward's moeder, en niet verlangend te bevredigen wat haar onbescheiden nieuwsgierigheid scheen: "ik weet niets van haar af."
"Ik begrijp wel, dat u het heel raar van mij vindt, zoo naar haar te vragen," zei Lucy, terwijl zij Elinor onder het spreken oplettend aanzag; "maar er zouden redenen kunnen zijn... ik wilde dat ik durfde wagen... In elk geval, hoop ik toch, dat u, mij niet ten onrechte van grove onbescheidenheid zult beschuldigen."
Elinor gaf een beleefd antwoord, en zij wandelden een paar minuten zwijgend verder. Dat zwijgen werd verbroken door Lucy, die het onderwerp hervatte door ietwat aarzelend te zeggen:
"Ik kan niet hebben, dat u mij van ongepaste nieuwsgierigheid verdenkt; ik zou liever ik weet niet wat doen, dan zóó beschouwd te worden door iemand, wier goede meening mij zooveel waard is als de uwe! En ik weet stellig, dat ik in 't minst niet bang zou zijn om u te vertrouwen; ik zou juist heel blij zijn, als u mij kondt raden, hoe te handelen, in mijn moeilijke omstandigheden; maar het is nu niet noodig, om u lastig te vallen. Het spijt mij, dat u Mevrouw Ferrars niet kent."
"Mij spijt het ook, dat dit het geval is," zei Elinor zeer verbaasd, "temeer als het voor u van eenig belang kon zijn, mijn meening over haar te vernemen. Maar om u de waarheid te zeggen, ik had nooit begrepen, dat u, hoe dan ook, in aanraking waart geweest met de familie, en daarom moet ik bekennen dat ik wel eenigszins verwonderd ben over uw ernstige navraag omtrent haar karakter."
"Dat wil ik graag gelooven, en mij verwondert dat volstrekt niet. Maar als ik u alles mocht vertellen, dan zoudt u het niet meer zoo vreemd vinden. Op het oogenblik is Mevrouw Ferrars voor mij een totaal onbekende; maar er kàn een tijd komen—hoe spoedig dat zal zijn, hangt van haarzelve af—dat wij in zeer nauwe betrekking tot elkaar komen te staan."
Zij sloeg terwijl ze sprak de oogen neer, met beminnelijke verlegenheid, doch niet zonder één zijdelingschen blik naar haar gezellin, om de uitwerking van het gezegde bij deze waar te nemen.
"Maar wat bedoelt u toch?" riep Elinor. "Kent u Mijnheer Robert Ferrars dan? Is het mogelijk dat u met hèm...?" En zij verheugde zich allesbehalve bij het denkbeeld zulk een schoonzuster te krijgen.
"Neen," zei Lucy, "niet met mijnheer Robert Ferrars,--hèm heb ik nooit in mijn leven gezien, maar,"--en zij zag Elinor strak aan,--"met zijn ouderen broeder."
Wat gevoelde Elinor op dat oogenblik? Een verbazing, die even pijnlijk zou zijn geweest, als zij sterk was, zo zij niet onmiddellijk ware vergezeld gegaan van een volslagen ongeloof in die verzekering. Zij wendde zich tot Lucy, zwijgend en verwonderd, niet bij machte de reden of het doel van die verklaring te gissen; en hoewel zij eerst bloosde en daarna bleek werd, schonk haar ongeloovigheid haar kracht, en zij was niet bang, dat haar zenuwen haar parten zouden spelen, of dat zij flauw zou vallen.
"Geen wonder dat u verbaasd staat," ging Lucy voort; "want natuurlijk hadt u er niet het flauwste vermoeden van; hij zal er wel geen woord over hebben losgelaten tegen u of uw familie; want het moest altijd een diep geheim blijven en ik weet wel, dat ik het tot nu toe ook trouw heb bewaard. Niemand van mijn familie weet het, behalve Anne, en ik zou het u nooit hebben verteld, als ik niet zóó zeker was geweest, dat ik mij op uw stilzwijgen kon verlaten; ik vond alleen, dat mijn vele vragen naar Mevrouw Ferrars zulk een vreemden indruk op u moesten maken, en het was noodig dat ik u mijn gedrag verklaarde. Ik geloof niet, dat Mijnheer Ferrars boos zal kunnen zijn, als hij hoort, dat ik u in vertrouwen heb genomen; want ik weet, dat hij uw geheele familie bijzonder hoog stelt, en u en de beide andere dames Dashwood beschouwt als zijn eigen zusters."--
Hierna zweeg zij, en ook Elinor bleef een oogenblik stil. Haar verbazing over hetgeen zij hoorde was eerst te groot om zich in woorden te uiten; maar ten slotte zeide zij, zich dwingend tot spreken, en voorzichtig spreken, met een kalmte, die tamelijk wel haar verrassing en angst verborg: "Mag ik vragen of uwe verloving reeds lang geleden heeft plaats gehad?"
"We zijn al vier jaar geëngageerd."
"Vier jaar?"
"Ja."
Hoe ontdaan zij zich ook voelde, Elinor kon het nòg niet gelooven.
"Ik wist niet eens," zei ze, "dat u hem kende, eer ik het onlangs gewaar werd."
"En toch kennen we elkaar al sedert jaren. Hij is een tijdlang bij mijn oom in huis geweest, weet u."
"Uw oom?"
"Ja, Mijnheer Pratt. Hebt u hem nooit hooren spreken van Mijnheer Pratt?"
"O ja, nu herinner ik het mij," zei Elinor, met een inspanning van haar geheugen, die haar zwaarder viel, naarmate haar ontroering toenam.
"Hij is vier jaar onder de leiding geweest van mijn oom, die te Longstaple woont, dicht bij Plymouth. Dáár is onze kennismaking begonnen; want mijn zuster en ik logeerden dikwijls bij mijn oom, en daar zijn we geëngageerd geraakt; een jaar nadat hij van school was gegaan; maar hij kwam daarna nog geregeld bij ons. Ik was er niets op gesteld de verloving aan te gaan, buiten weten van zijn moeder en zonder haar goedkeuring; dat kunt u wel denken; maar ik was te jong en ik hield te veel van hem, om zoo voorzichtig te zijn als ik eigenlijk moest. Al kent u hem niet zóó goed als ik, Juffrouw Dashwood, u hebt lang genoeg met hem omgegaan om te begrijpen, dat hij juist de man is, om de oprechte genegenheid eener vrouw te winnen."
"Zeker," antwoordde Elinor, zonder te weten wat zij zeide; doch na een oogenblik nadenken liet zij erop volgen, stelliger dan ooit overtuigd van Edward's waarheidsliefde en zijn genegenheid, tegenover de valschheid van dit meisje: "Geëngageerd met mijnheer Edward Ferrars,--ik moet bekennen, wat u mij daar vertelt verrast zij zóózeer, dat... werkelijk, neemt u 't me niet kwalijk, maar er is stellig een vergissing in 't spel, een naams- of persoonsverwisseling. Wij kunnen niet denzelfden heer Ferrars bedoelen."
"We bedoelen geen ander dan hem," riep Lucy glimlachend. "Mijnheer Edward Ferrars, de oudste zoon van den Heer Ferrars van Park Street; en de broer van uw schoonzuster, Mevrouw John Dashwood, is de persoon, dien ik op het oog heb; u zult wel willen toegeven, dat ik mij wel niet zal kunnen vergissen in den naam van den man, van wien mijn geheele geluk afhankelijk is."
"'t Is wel vreemd," zei Elinor, met een gevoel van pijnlijke verwarring, "dat ik hem nooit zelfs uw naam heb hooren noemen."
"Neen; als men de omstandigheden in aanmerking neemt, was dat volstrekt zoo vreemd niet. Vóór alles moesten we zorgen de zaak geheim te houden. U wist van mij of mijn familie niets af; daarom was er nooit eenige aanleiding om mijn naam te noemen, en daar hij altijd erg bang was, dat zijn zuster er iets van zou vermoeden, was dat op zich zelf al reden genoeg om dat niet te doen." Weer zweeg zij.--Elinor's zekerheid begon haar te begeven maar haar zelfbeheersching begaf haar niet.
"U bent dus vier jaar al verloofd geweest," zei ze met vaste stem.
"Ja, en de hemel weet, hoeveel langer we nog zullen moeten wachten. Arme Edward; hij wordt er moedeloos onder." Terwijl ze een klein miniatuurportret uit haar zak haalde, voegde zij erbij: "Als u zoo goed wilt zijn, dit portret eens te bekijken, dan zult u zien dat van een vergissing geen sprake kan zijn. Hij ziet er werkelijk knapper uit dan hier, vind ik; maar u kunt duidelijk genoeg zien, wien het moet voorstellen. Ik heb het al drie jaar in mijn bezit."
Terwijl ze sprak, gaf ze Elinor het portretje in handen, en toen deze het had bekeken, kon zij, hoezeer ook haar vrees voor een overhaaste gevolgtrekking en haar wensch om bedrog te ontdekken haar noopten tot het laatste toe in haar geest een plaats voor twijfel in te ruimen, niet langer betwijfelen, dat zij Edward's gezicht voor zich zag. Zij gaf het oogenblikkelijk terug, terwijl zij de gelijkenis erkende.
"Ik heb hem nooit mijn portret ervoor in ruil kunnen geven," ging Lucy voort, "en dat spijt mij geducht; want hij was er altijd zoo op gesteld het te hebben. Maar ik ben van plan het te laten maken, zoodra de gelegenheid zich voordoet."
"Daar hebt u gelijk in," antwoordde Elinor bedaard. Zij liepen een poosje zwijgend verder. Lucy was de eerste die sprak.
"Ik twijfel er hoegenaamd niet aan," zei ze, "of u zult dit geheim trouw bewaren; omdat u wel zult begrijpen van hoeveel belang het voor ons is, dat het zijn moeder niet ter oore komt; want zij zou het stellig wel niet goedkeuren. Ik heb geen geld te wachten, en ik geloof dat zij verschrikkelijk trotsch is."
"Het is zeker waar, dat ik uw vertrouwen niet gezocht heb," zeide Elinor; "maar u verwacht niet te veel van mij, wanneer u meent u op mij te kunnen verlaten. Uw geheim is bij mij veilig; maar vergeef mij, zoo ik eenige verwondering waag te uiten over de onnoodigheid van deze mededeeling. U moet toch althans gevoeld hebben, dat mijne bekendheid ermede niet kon bijdragen tot de veiligheid van dat geheim."
Zij zag Lucy ernstig aan, terwijl zij dit zeide, in de hoop nog iets te ontdekken in de uitdrukking van haar gelaat,--misschien de onwaarheid van het meeste dat zij tot nu toe gezegd had; maar op Lucy's gezicht vertoonde zich geen verandering.
"Ik was al bang," zei ze, "dat u het nogal vrijpostig van mij zou vinden, dat ik u dit alles vertelde. 't Is waar, ik ken u nog niet lang, persoonlijk ten minste, maar uit beschrijvingen heb ik u en uw familie al héél lang gekend, en zoodra ik u zag, kreeg ik bijna 't gevoel alsof wij oude vrienden waren. En bovendien, in dit geval vond ik werkelijk, dat ik verplicht was, u eenige uitlegging te geven, nadat ik u zoo had uitgevraagd over Edward's moeder, en het is zoo ellendig, dat ik niemand heb, wie ik om raad kan vragen. Anne is de eenige, die er van afweet, en die weet niet wat ze zeggen of zwijgen moet; ze doet mij meer kwaad dan goed trouwens, want ik ben altijd bang dat ze alles verraden zal. Ze kàn haar tong niet in bedwang houden; dat hebt u wel gemerkt, en verleden was ik doodsbang, toen ze Sir John Edward's naam noemde, dat ze alles in eens zou uitflappen. U kunt u niet voorstellen wat ik er al niet door moet uitstaan, op allerlei manieren. Soms begrijp ik niet dat ik nog leef, na al wat ik in de laatste vier jaar om Edward's wil heb moeten lijden. Altijd hangen en verlangen, en die onzekerheid, en dat we elkaar zoo zelden zien,--niet meer dan een paar maal in 't jaar kunnen we elkaar ontmoeten. 't Verwondert mij soms werkelijk, dat mijn hart niet gebroken is." Zij haalde haar zakdoek voor den dag; maar Elinor voelde zich niet juist bewogen tot medelijden, "Soms," ging Lucy voort, nadat ze haar oogen had afgedroogd, "soms denk ik wel eens, of 't niet beter zou zijn voor ons allebei, als we de verloving maar verbraken." Terwijl ze dit zeide, zag ze Elinor recht in de oogen. "Maar dàn weer heb ik geen moed, ertoe te besluiten. Ik kan de gedachte niet verdragen, hem zoo ongelukkig te maken als ik weet dat hij zijn zou, wanneer ik daarover begon. En ook voor mijzelf—terwijl ik hem zoo liefheb—ik geloof niet dat ik er den moed toe zou hebben. Wat zoudt u mij raden te doen in dit geval, Juffrouw Dashwood? Wat zoudt u zelf doen?"
"Neemt u mij niet kwalijk," zei Elinor, verschrikt door die vraag, "maar ik kan u in deze omstandigheden geen raad geven. Dat moet overgelaten blijven aan uw eigen inzicht."
"'t Spreekt van zelf," ging Lucy voort, na een paar minuten waarin beiden hadden gezwegen, "dat zijn moeder op den langen duur toch voor hem zal moeten zorgen op de eene of andere manier; maar die arme Edward ziet alles zoo somber in! Vondt u hem niet vreeselijk neerslachtig toen hij te Barton was? Hij voelde zich zoo ellendig toen hij uit Longstaple wegging, om naar u toe te gaan, ik was bang dat u meenen zou, dat hij bepaald ziek was."
"Kwam hij dan van uw oom, toen hij ons een bezoek bracht?"
"Ja, hij had veertien dagen bij ons gelogeerd. Dacht u dan, dat hij rechtstreeks uit Londen kwam?"
"Neen" antwoordde Elinor, pijnlijk gevoelig voor elke nieuwe bijzonderheid, die sprak ten gunste van Lucy's waarheidsliefde. "Ik herinner mij nu, hoe hij ons vertelde, dat hij veertien dagen bij kennissen te Plymouth had doorgebracht." Zij herinnerde zich tevens, hoe vreemd zij het toen gevonden had, dat hij zich niets meer omtrent die kennissen had laten ontvallen, dat hij zelfs omtrent hun naam een volstrekt stilzwijgen had bewaard.
"Vondt u hem niet treurig terneergeslagen?" herhaalde Lucy.
"O ja, zeker; vooral toen hij pas bij ons was."
"Ik drong erop aan, dat hij zich ertegen zou verzetten, uit vrees dat u zoudt vermoeden hoe de zaak stond; maar het maakte hem zoo melancholiek, dat hij niet meer dan veertien dagen bij ons kon blijven, en dat hij mijn verdriet ook moest aanzien. Arme jongen!--ik vrees dat het nog altijd hetzelfde met hem is; want hij schrijft zoo gedrukt. Even voor ik uit Exeter vertrok, kreeg ik nog een brief van hem;" hierbij haalde zij een brief uit haar zak en liet Elinor vluchtig het adres zien. "U kent natuurlijk zijn handschrift; 't is een mooie hand; maar dit is niet zoo goed geschreven als gewoonlijk. Hij was stellig moe, want hij had juist een groot vel aan mij zoo dicht mogelijk volgeschreven."
Elinor zag, dat het zijn hand was, en zij kon niet langer twijfelen. Het portret, zoo had zij zichzelve nog vergund te gelooven, kon door toeval in Lucy's bezit zijn geraakt; het behoefde haar niet door Edward te zijn geschonken; maar een briefwisseling tusschen hen kon alleen plaats hebben, wanneer zij feitelijk verloofd waren, kon door niets anders worden gewettigd;--bijna begaf haar een oogenblik alle kracht; haar hart ontzonk haar, en zij kon ternauwernood staande blijven; doch het was dringend noodig dat zij zich vermande, en zóó vastberaden verzette zij zich tegen den beklemmenden druk van haar gevoelens, dat zij spoedig, en voorloopig volkomen, zichzelve meester bleef.
"Dat we elkaar kunnen schrijven," zei Lucy, den brief weer in haar zak stekend, "is onze eenige troost, wanneer we zoo lang gescheiden moeten zijn. Ja, ik vind dan nog bovendien troost in zijn portret; maar die arme Edward bezit dàt zelfs niet. Als hij mijn portret maar had, zegt hij, dan zou hij zich beter kunnen schikken. Toen hij laatst te Longstaple was, heb ik hem een lok van mijn haar gegeven, in een ring gevat, en dat troostte hem wel een weinig, zei hij; maar het stond toch niet gelijk met een portret. Misschien hebt u wel op dien ring gelet, toen hij bij u was?"
"Ja, die is mij opgevallen," zei Elinor; en de bedaarde klank van haar stem verborg een gemoedsbeweging, een radelooze smart, heviger dan zij ooit te voren gevoeld had. Zij was verpletterd; ontdaan; zij begreep niets meer. Gelukkig voor haar waren zij nu aan hun huis gekomen, en het gesprek kon niet verder worden voortgezet. Nadat de dames Steele nog een poosje bij hen gebleven waren, keerden zij naar het Park terug, en nu eerst stond het Elinor vrij, na te denken en zich diep bedroefd te gevoelen.