Gevoel en verstand · Jane Austen (translated by Gonne Loman-van Uildriks)

Chapter 18: Hoofdstuk 18

Elinor maakte zich over de neerslachtigheid van haar vriend ernstig ongerust. Zijn bezoek verschafte haar slechts een zeer beperkt genoegen, nu hij zelf er blijkbaar slechts ten halve van genieten kon. Het was duidelijk merkbaar dat hij zich ongelukkig voelde; zij wenschte wel, dat hij haar even duidelijk de genegenheid liet blijken, die zij eenmaal vast vertrouwde hem te hebben ingeboezemd; doch tot nog toe scheen het zeer onzeker, dat die voorkeur was blijven bestaan, en zijn teruggetrokken houding tegenover haar sprak het ééne oogenblik tegen, wat een bezielde blik in het vorige verried.

Hij kwam den volgenden morgen bij haar en Marianne in de eetkamer, eer de anderen beneden waren; en Marianne, die altijd gaarne bereid was, waar zij kon, hun geluk te bevorderen, liet hen spoedig alleen. Doch eer zij halverwege de trap was opgegaan, hoorde zij dat de kamerdeur werd geopend, en zag tot haar verbazing Edward zelf op den drempel staan.

"Ik ga naar het dorp om naar mijn paarden te zien," zei hij, "nu je toch nog niet gaat ontbijten; ik kom dadelijk terug."

Toen Edward zich weer bij hen voegde, sprak hij opnieuw zijn bewondering over de omgeving uit; hij had op zijn wandeling naar het dorp vele punten in de vallei op hun mooist gezien; en van uit het dorp zelf, dat veel hooger gelegen was dan hun huisje, had men een ruim uitzicht over de geheele streek, dat hem buitengemeen had getroffen. Dit was een onderwerp, waaraan Marianne gaarne haar aandacht schonk, en reeds begon zij te vertellen van haar eigen bewondering voor het landschap, en hem meer in bijzonderheden te vragen naar 't geen hem het meest was opgevallen, toen Edward haar in de rede viel door te zeggen: "Vraag nu niet te veel dóór, Marianne; je weet, ik heb van schilderachtigheid geen verstand, en ik zal je stellig ergeren door mijn onkunde en gebrek aan smaak, als we tot bijzonderheden afdalen. Ik noem bergen steil, die jij grootsch zoudt noemen, ik vind vormen vreemd en wanstaltig, die mij moesten verrukken door hun grillige woestheid, en ik zeg, dat ik voorwerpen op een afstand niet kan onderscheiden, terwijl ze volgens jou slechts vaag zouden schemeren door de wazige zachtheid van een nevelige atmosfeer. Je moet maar tevreden zijn met de soort van bewondering, die ik eerlijk aan den dag kan leggen. Ik vind dit een mooie streek,--de bergen zijn steil; in de bosschen groeit zwaar geboomte, en het dal ziet er gezellig en welvarend uit, met sappige weilanden, waartusschen goed onderhouden boerderijen verspreid liggen. Het is juist, wat ik versta onder een mooie streek, omdat hier schoonheid en nut vereenigd zijn te vinden—en ik geloof graag, dat het ook wel schilderachtig zal zijn, omdat jij het bewondert; ik kan mij gemakkelijk voorstellen, dat er heel wat rotsen en uitstekende punten in te vinden zijn, begroeid met grauw mos en verwilderd struikgewas, maar die maken op mij geen indruk. Schilderachtigheid is aan mij niet besteed."

"Ik vrees, dat het maar al te waar is," zei Marianne; "maar waarom vind je 't noodig, je daarop te beroemen?"

"Ik zou haast denken," zei Elinor, "dat Edward in de ééne affectatie vervalt, om de andere te vermijden. Omdat hij meent, dat veel menschen méér bewondering beweren te gevoelen voor de schoonheden der natuur dan ze werkelijk doen, en een afkeer heeft van die aanstellerij, stelt hij zich zelf aan, alsof hij onverschilliger was en minder bevoegd tot oordeelen in dezen, dan feitelijk het geval is. Hij is kieskeurig, en verkiest zich aan te stellen op zijn eigen manier."

"'t Is wèl waar," zei Marianne, "dat bewondering van natuurschoon tot een goedkoope napraterij is geworden. Iedereen beweert nu even fijn te voelen en poogt even sierlijk dat gevoel uit te drukken als degene, die het eerst de schoonheid van het schilderachtige onder woorden bracht. Ik verfoei iedere soort van jargon, en het is wel gebeurd, dat ik mijn gevoelens maar vóór mij hield, omdat ik geen woorden kon vinden om ze in uit te drukken, dan door 't gebruik van versleten phrasen, die zin en beteekenis hadden verloren door hun banaliteit."

"Ik ben overtuigd," zei Edward, "dat jij werkelijk de verrukking gevoelt over een mooi vergezicht, die je beweert te voelen. Maar van den anderen kant moet je zuster mij nu weer niet méér laten voelen dan ik beweer. Ik houd óók van mooie vergezichten, maar niet op grond van hun schilderachtigheid. Ik houd niet van kromme, verdraaide, half vergane boomen; ik vind ze veel mooier als ze recht en hoog zijn en door en door gezond. Ik houd óók niet van havelooze, vervallen hutjes. En ik heb géén pleizier in brandnetels, of distels, of heide en brem. Ik zie vrij wat liever een genoegelijk boerderijtje dan een uitkijk-toren, en een groepje netgekleede, tevreden dorpsbewoners behaagt mij meer dan de schilderachtige bandieten van de wereld konden doen."

Marianne keek Edward verbaasd, en haar zuster medelijdend aan.--Elinor lachte maar eens.

Ze gingen niet verder door op dat onderwerp, en Marianne bleef nadenkend zwijgen, tot een nieuw voorwerp plotseling haar aandacht trok. Zij zat naast Edward, en toen hij zijn theekopje van Mevrouw Dashwood aannam, bewoog hij zijn hand zoo vlak voor haar oogen, dat haar een ring opviel, met een haarvlechtje in het midden, die hij aan den vinger droeg.

"Vroeger heb ik je nooit een ring zien dragen, Edward", riep zij. "Is dat Fanny's haar? Ik herinner mij, dat zij beloofde 't je te geven. Maar ik dacht, dat zij een donkerder tint van haar had."

Marianne zei, zonder na te denken, wat in haar opkwam,--maar toen ze zag, hoe pijnlijk Edward was getroffen, gevoelde zij een ergernis over haar onbedachtzaamheid, die de zijne nog ver overtrof. Hij kleurde tot over de ooren, en zei, met een vluchtigen blik naar Elinor: "Ja, het is mijn zuster's haar. De kleur verandert altijd een beetje, als het in goud gevat is."

Elinor ving zijn blik op, en keek ook niet onbevangen. Evengoed als Marianne, geloofde zij onmiddellijk, dat het haar eigen haar moest zijn; het eenige verschil tusschen beider gevolgtrekkingen was dit: dat Marianne het beschouwde als een vrijwillig geschenk van haar zuster; terwijl Elinor overtuigd was, dat hij het had bemachtigd door diefstal of langs een anderen weg, zonder hare voorkennis. Zij was echter niet gezind, dit als een beleediging te beschouwen, en hield zich alsof het voorgevallene haar aandacht was ontgaan, door dadelijk over iets anders te spreken; terwijl ze zich in stilte voornam van nu af elke gelegenheid aan te grijpen om het haar van nabij te bezien, en zich de onomstootelijke zekerheid te verschaffen, dat het precies de kleur van haar eigen was.

Edward bleef nog geruimen tijd niet op zijn gemak, en verviel later weer in een van zijn langdurige vlagen van afgetrokkenheid. Hij was den geheelen morgen bijzonder ernstig gestemd. Marianne verweet zichzelve heftig wat ze had gezegd; maar ze zou eerder bereid zijn geweest, zich haar misslag te vergeven, als ze geweten had, hoe weinig ergernis die in haar zuster had gewekt.

Reeds voor den middag kregen zij bezoek van Sir John en Mevrouw Jennings, die hadden gehoord dat er een heer op Barton Cottage logeerde, en den gast eens kwamen opnemen. Met de hulp van zijn schoonmoeder kwam Sir John er al spoedig achter, dat de naam Ferrars met een F begon, en die ontdekking was voldoende, om een toekomstige mijn van geestigheden ten koste van de verliefde Elinor te doen leggen, waarvan de losbarsting alleen door hun kortstondige bekendheid met Edward vooralsnog kon worden verhinderd. Nu echter reeds werd haar door enkele uiterst veelzeggende blikken te kennen gegeven tot hoever hun doorzicht, gegrond op Margaret's inlichtingen, wel reikte.

Sir John kwam nooit bij de Dashwoods, zonder hen òf ten eten te vragen voor den volgenden dag, òf op de thee, nog den zelfden avond. Bij deze gelegenheid en tot meerder genoegen van den gast, tot wiens vermaak hij zich verplicht voelde het zijne bij te dragen, inviteerde hij hen voor beiden tegelijk.

"Jelui moet van avond bij ons theedrinken," zei hij, "want we zijn heelemaal onder ons;--en morgen mag je niet weigeren bij ons te dineeren, want het is een groote partij". Mevrouw Jennings vond dit ook volstrekt noodzakelijk. "En wie weet, of het dan niet tot een dansje komt," zei ze. "Dat zal jou aanstaan, Marianne."

"Dansen?" riep Marianne. "Hoe kan dat nu! Wie danst er dan?"

"Wie? Nu, jelui zelf, en de Careys, en Whitakers dan toch? O, je dacht, dat niemand meer dansen kon, nu zeker iemand is heengegaan?"

"Ik wou om een lief ding," riep Sir John, "dat Willoughby weer kon meedoen."

Toen hij Marianne hierop zag blozen, kreeg Edward achterdocht. "Wie is die Willoughby?" vroeg hij zachtjes aan Elinor, die naast hem zat.

Zij antwoordde vluchtig. Marianne's gezicht gaf veel meer te kennen. Edward zag genoeg, om niet alleen de bedoeling der anderen te vatten, maar ook uitdrukkingen van Marianne, waarover hij zich verwonderd had, verklaard te zien, en toen het bezoek vertrokken was, ging hij aanstonds naar haar toe en zei fluisterend: "Ik ben aan 't raden geweest. Zal ik je eens vertellen, wat ik denk?"

"Wat bedoel je?"

"Zal ik 't maar zeggen?"

"Ja zeker."

"Ik denk... dat Mijnheer Willoughby wel eens op de jacht gaat."

Marianne was verrast en verlegen; maar zij kon toch niet nalaten te glimlachen om zijn stille guitigheid, en zei, na een oogenblik zwijgens: "O Edward! Hoe kon je... Maar er zal, hoop ik, eens een tijd komen... Ik weet zeker, dat je van hem houden zult."

"Daar twijfel ik niet aan," antwoordde hij, wel eenigszins verwonderd over haar ernst, en de warmte waarmee ze sprak; want als hij niet had gedacht, dat het maar een grap was, waarmee haar kennissen haar plaagden, naar aanleiding van een vluchtige gecharmeerdheid tusschen haar en dien Mijnheer Willoughby, dan zou hij niet hebben gewaagd, erop te zinspelen.