Mevrouw Dashwood was slechts een oogenblik verrast, toen zij hem zag; want in haar oogen was zijn komst te Barton de natuurlijkste zaak van de wereld. Haar blijde en hartelijke welkomstbetuigingen duurden langer dan haar verwondering. Hij werd door haar allervriendelijkst ontvangen; zijn verlegenheid, koelheid, en terughouding bleken niet bestand tegen zulk een begroeting. Zij waren reeds aan het wankelen gebracht, eer hij het huis binnentrad, en namen de wijk voor Mevrouw Dashwood's innemende manieren. Werkelijk kon iemand moeilijk verliefd zijn op eene harer dochters, zonder die liefde ook tot háár uit te strekken; en Elinor zag hem tot haar blijdschap spoedig weer de oude worden. Zijn genegenheid voor hen allen scheen weer op te leven, en men kon voelen dat hij belangstelde in hun welvaren. Opgewekt was hij echter niet; hij vond het huis mooi; bewonderde het uitzicht, was voorkomend en vriendelijk; maar de ware vroolijkheid ontbrak. Zij merkten het allen op, en Mevrouw Dashwood, die het toeschreef aan zijn moeder's gemis van vrijgevigheid, ging aan tafel zitten met een gevoel van ergernis over alle zelfzuchtige ouders.
"Welke vooruitzichten heeft Mevrouw Ferrars tegenwoordig voor je op het oog, Edward?" vroeg zij, toen zij na het eten rondom het vuur zaten; "moet je nog steeds een groot redenaar worden, tegen je zin?"
"Neen. Ik hoop dat moeder nu wel overtuigd is, dat ik voor het openbare leven evenmin talent als neiging bezit."
"Maar hoe moet je roem dan worden gevestigd? Want beroemd moet je worden, als je de familie zult tevredenstellen; en zonder neiging tot uiterlijk vertoon, zonder behoefte aan omgang met vreemden, zonder beroep, en zonder zelfvertrouwen, zou je dat wel moeilijk kunnen blijken."
"Ik zal 't maar niet beproeven. Ik koester geen wensch om mij te onderscheiden, en ik heb alle reden te hopen, dat ik dat nooit zal doen. Den hemel zij dank, dat men mij genialiteit en welsprekendheid niet kan afdwingen."
"Ik weet het wel, je hebt geen eerzucht. Je wenschen zijn alle even gematigd."
"Even gematigd als die van andere menschen ook, zou ik denken. Ik wensch, juist als ieder ander, volkomen gelukkig te zijn; maar, precies als die anderen, op mijn eigen manier. In beroemdheid zal ik geen geluk vinden."
"Geen wonder!" riep Marianne. "Wat heeft rijkdom of grootheid met geluk te maken!"
"Grootheid maar weinig," zei Elinor; "rijkdom heel veel."
"O Elinor, schaam je! Geld geeft alleen dáár geluk, waar het in niets anders te vinden is. Buiten zekere bescheiden grenzen, kan het geen werkelijke voldoening schenken, voor zoover het de aanspraken geldt van ons eigen ik."
"Misschien blijken we het ten slotte toch nog eens," zei Elinor glimlachend. "Ik wed dat jouw bescheiden grenzen en mijn rijkdom heel veel op elkaar gelijken, en daarzonder, dat geven we elkaar toe, zouden we, zooals de wereld nu eenmaal is, alles ontberen, wat ons uiterlijk gemak en behagen kan verschaffen. Jij vat de zaak alleen wat breeder op dan ik. Kom er maar mee voor den dag; wat zijn je 'bescheiden grenzen?'"
"Een achttienhonderd of tweeduizend pond in het jaar; meer dan ook niet."
Elinor lachte. "Twee duizend pond in het jaar! Voor mij is een al rijkdom. Dat had ik wel gedacht."
"Maar tweeduizend pond is werkelijk een heel bescheiden inkomen," zei Marianne. "Met minder kan een gezin toch wel haast niet toe. Ik vind niet dat ik buitensporige eischen stel. Een voldoende aantal bedienden; een rijtuig, twee misschien, en jachtpaarden kan men niet houden, als men met minder dan dat moet rondkomen."
Weer glimlachte Elinor, toen zij haar zuster zoo nauwkeurig hun toekomstige uitgaven te Combe Magna hoorde beschrijven.
"Jachtpaarden!" herhaalde Edward.--"Maar waarom moet je jachtpaarden erop nahouden? Iedereen jaagt toch niet."
Marianne kreeg een kleur, en zei "De meeste menschen wèl."
"Ik wou," zei Margaret, een nieuw onderwerp op het tapijt brengend, "dat iemand ons één voor één een groot fortuin present gaf."
"O, als dàt kon gebeuren!" riep Marianne, terwijl haar oogen schitterden van opgewondenheid, en haar wangen gloeiden van blijdschap over dat denkbeeldig geluk.
"Met dien wensch kunnen we ons zeker allen vereenigen," zei Elinor, "ondanks de geringe bevrediging, die rijkdom vermag te schenken."
"Wat zou ik blij zijn," riep Margaret uit. "Ik ben benieuwd wat ik er wel mee zou doen."
Marianne keek, alsof dàt punt voor haar aan geen twijfel onderhevig was.
"Ik zou niet weten, hoe ik een groot fortuin moest besteden," zei Mevrouw Dashwood, "als mijn kinderen alle drie reeds rijk waren zonder mijn hulp."
"U moest dan maar beginnen met de voorgenomen verbeteringen van dit huis," merkte Elinor op; "dan zou die moeilijkheid gauw zijn uit den weg geruimd."
"Wat zouden er dàn uitgebreide bestellingen worden gedaan in Londen," zei Edward, "door alle leden van het gezin! Wat een blijde dag voor boek- en muziekhandelaars en voor kunstkoopers! Elinor zou hun de vrije hand laten, en zich al de fraaiste nieuwste etsen en plaatwerken laten zenden;--en Marianne, ik ken haar royale opvattingen, er zou geen muziek genoeg in Londen zijn om haar te voldoen. En boeken!--Thomson, Cowper, Scott,--ze zou ze allen weer op nieuw aanschaffen, ze zou alle exemplaren opkoopen, wed ik, om te verhinderen, dat ze in onwaardige handen geraakten, en ze zou alle boeken willen hebben, waarin oude, kronkelig vergroeide boomen worden bewonderd. Is het zoo niet, Marianne? Wees niet boos als ik een beetje ondeugend ben. Maar ik wou je eens laten zien, dat ik onze oude twistgesprekken nog niet had vergeten."
"Ik wil graag aan 't verleden herinnerd worden, Edward,--herinneringen, 't zij ze treurig of vroolijk zijn, roep ik gaarne op, en je kunt mij nooit grieven door te spreken over vroegere tijden. Je hebt juist geraden, hoe ik mijn geld besteden zou; een gedeelte ervan, mijn gereed geld tenminste, zou stellig dienen tot aanvulling van mijn verzameling boeken en muziek."
"En 't kapitaal zou worden belegd in lijfrenten voor de schrijvers, of hunne erfgenamen."
"Neen, Edward, daar zou ik iets anders mee hebben te doen."
"Misschien zou je 't uitloven als belooning voor den persoon, die het best in een geschrift je geliefkoosden stelregel wist te verdedigen, dat niemand meer dan eenmaal in zijn leven verliefd kan zijn, want op dat punt is je meening zeker nog onveranderd?"
"Natuurlijk. Als men eenmaal zoo oud is als ik, dan is ons oordeel tamelijk gevestigd. 't Is niet waarschijnlijk, dat ik nu nog iets zou zien of hooren, dat mij van meening veranderen deed."
"Je ziet wel, Marianne staat nog even vast op haar stuk," zei Elinor, "ze is nog steeds dezelfde."
"Ze is alleen wat ernstiger geworden dan vroeger."
"Dat mag jij me niet verwijten, Edward," zei Marianne. "Je bent zelf ook zoo heel vroolijk niet".
"Waarom denk je dat?" antwoordde hij, met een zucht. "Maar vroolijkheid lag nooit in mijn aard."
"In Marianne's aard evenmin, dunkt mij," zei Elinor. "Zij is niet wat ik een levendig, opgewekt meisje zou noemen; ze is heel ernstig en vol vuur bij al wat ze doet;--ze spreekt soms veel, en altoos met overtuiging;--maar eigenlijk vroolijk is ze bijna nooit."
"Ik geloof dat je gelijk hebt," antwoordde hij, "en toch heb ik haar altoos als een druk, levendig meisje beschouwd."
"Op dergelijke vergissingen heb ik mijzelve dikwijls betrapt," zei Elinor, "op een volkomen verkeerd begrijpen van iemands karakter in een of ander opzicht; door mij te verbeelden dat de menschen vroolijker of ernstiger, of verstandiger of dommer waren, dan ze feitelijk zijn, en ik kan zelf niet zeggen waarom, of waaruit die vergissing voortsproot. Soms laat men zich beïnvloeden door wat ze zeggen omtrent zichzelf, en heel dikwijls door wat anderen van hen vertellen, zonder zich den tijd te gunnen tot wikken en wegen eer men oordeelt."
"Maar ik dacht dat het juist goed was, Elinor," zei Marianne, "zich geheel en al te laten leiden door het oordeel van anderen. Ik dacht dat wij alleen meeningen mochten vormen, om ze te onderwerpen aan die van onze buren. Dat is altijd je leer geweest."
"Neen, nooit, Marianne. Mijn bedoeling is nooit geweest dat het begrip zich onderwerpen zou. Al wat ik ooit heb willen gewijzigd zien, was het gedrag. Je moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik beken, dat ik dikwijls heb gewenscht, je onze kennissen over 't algemeen met meer voorkomendheid te zien behandelen, maar heb ik je ooit aangeraden hun gevoelens over te nemen, of je in gewichtige dingen te laten leiden door hun oordeel?"
"Het is je dus niet gelukt, je zuster over te halen tot je zienswijze op 't punt van de burgerlijke beleefdheid," zei Edward tot Elinor. "Heb je niets gewonnen?"
"Integendeel," antwoordde Elinor, terwijl ze Marianne veelbeteekenend aanzag.
"In theorie," zei Edward, "sta ik geheel aan jouw kant, maar ik vrees dat ik in de praktijk op je zuster gelijk. Ik wensch nooit aanstoot te geven; maar ik ben zoo belachelijk verlegen, dat ik dikwijls lomp lijk, terwijl ik alleen word belemmerd door mijn aangeboren onhandigheid. Ik heb mij wel eens verbeeld dat ik zeker door de natuur voorbestemd was om bij voorkeur in onbeschaafd gezelschap te verkeeren, zoo weinig voel ik mij op mijn gemak onder lieden uit hoogeren stand, wanneer ze mij vreemd zijn."
"Marianne kan voor haar nalatigheid in dat opzicht niet bepaald verlegenheid als verontschuldiging aanvoeren," zei Elinor.
"Zij kent haar eigen waarde te goed, om valsche schaamte te gevoelen," antwoordde Edward. "Verlegenheid is alleen het gevolg van een zeker minderheidsbesef in een of ander opzicht. Als ik mijzelf kon wijsmaken, dat ik mij gemakkelijk en luchtig bewoog, dan zou ik niet verlegen zijn."
"Maar terughoudend zou je altijd blijven," zei Marianne, "en dat is nog erger."
Edward zette groote oogen op--"Terughoudend? Ben ik terughoudend, Marianne?"
"Ja, heel erg."
"Ik begrijp je niet," antwoordde hij, met een hoogen blos.--"Terughoudend!--hoe dan? in welk opzicht? Wat had ik je dan moeten vertellen? Wat vermoedde je dan?"
Elinor keek vreemd op, toen zij hem zoo ontroerd zag; maar zei, om het gesprek een schertsende wending te geven: "Je kent mijn zuster toch genoeg om te begrijpen wat ze bedoelt? Je weet immers wel dat zij ieder terughoudend noemt, die niet even snel spreekt, en al wat zij mooi vindt niet even verrukt bewondert als zij zelf?"
Edward gaf geen antwoord. Hij werd weer juist zoo ernstig en nadenkend als in het begin, en bleef langen tijd stil en afgetrokken.