Johan had zijn tasch met teekengerij over den schouder gehangen, zijn stoeltje tusschen de riemen geschoven en zoo ging hij door de poortgang uit van het Hôtel-Central, waar hij logeerde. 't Was later geworden dan hij had gedacht, hij had eerst goed willen ontbijten,--dan was 't niet noodig geweest, had hij met zich zelven geredeneerd, aan zijn maag te denken vóór 't klokje van half zeven, het uur van de table d'hôte.--Toen was Sarah de meid hem een brief komen brengen, gisteren had hij zijn adres opgegeven bij de Engelsche post.... pour mesjeu.... had ze gelispeld uit haar mond met gebroken tanden; van onder den gelen foulard, dien ze als een muts om haar oud voorhoofd hield gespannen en die om haar nek afhing, had haar verlept moedergezicht eventjes vriendelijk gelachen, of 't haar schelen kon, dat ze wat aangenaams te geven had gehad. En hij was gaan zitten lezen, onderwijl etend en van zijn chocolade drinkend, middenin voor de tafel, die al heelemaal klaar was voor het tweede ontbijt, met wachtende couverten, met voor elk couvert een wachtenden stoel.
Rustigjes was hij nog wat blijven zitten, alleen in het eetzaaltje, dat zoo aardig in de binnenplaats tusschen de vier wanden was gemaakt, nu ja, matten, aangehecht tegen de kolommen welke den bovenbouw droegen. Dat scheen elk oogenblik te kunnen worden opgebroken, je zat er zoo echt op reis.... Zware kapiteelen, zeegroen geverfd en primitief-Moorsch van vorm als in de mooie moskee van Cordoba, stolpten plomp boven de gevlochten wanden uit. Dan was de tafel zoo aangenaam helder met zijn blank laken à l'anglaise gedekt, groene planten prijkten bij gebrek aan bloemen, 't was winter, tusschen de glinsterende tafelstellen en de flikkerende karaffen, waarin het water gelend schommelde, zoodra hij zijn armen maar even verlei. Als verdwaald leek heel die nieuwerwetsche disch wel in het oude Moorsche huis. Achter hem in een hoek was, éénig sieraad van het zaaltje, een groote koperen schotel, Moorsch maaksel, vol metaalglimmers op het buitensporig ornament, te pronk gezet op een ruw houten sokkel, die met roode en groene lint-arabesken op een oker-gelen grond en met dwaze draak-figuren onhandig was beklad. Voor zijn oogen een deurtje in de mat gemaakt. En boven zijn hoofd als het doorhangend dak van een ambulante tent was 't zeil over de ruimte van het patio gespannen, vastgesjord aan ringen in de architraaf, dat 't zaaltje bedonkerde, maar tusschen de spanbochten der touwen door, nog naar den lichten hemel kijken liet.
Ongestoord had hij kunnen lezen wat een goede vriend, een jong schilder als hij zelf, hem schreef. In langen tijd had hij niet zoo'n prettige boodschap van huis gekregen, van uit het Noord. De brief verhaalde van sneeuw en ijs.... koud.... over schaatsenrijden op een buitenplaatsvijver.... van een bekend wit huis, nu kil en stil tusschen zijn zwarte, verkleumde boomen.... en van een hei vol sneeuw.... wijd wit. En daardoor klaagden zachte herinneringen aan vroeger samenzijn, en woorden waren er warm als rood bloed, zonnige verzekering van weêr oplevende vriendschap, want 't was een brief van vertrouwen, na veel lang over en weêr gekijf. Niemand was gekomen; boven zijn hoofd, op het eerste bordes rommelde de meid die de kamers daar deed; overigens was het stil. De Engelschen, die in huis logeerden, kooplui met koude zakenoogen, waren zeker allen al aan het handelen in hun kantoortjes of magazijnen, in de hooge of in de lage stad; zij kwamen niet lunchen dan na den middag. En tevreden, omdat dat vervelende geval met zijn vriend eindelijk uit was, in zijn gedachten al een hartelijk antwoord aan het schrijven, was hij opgestaan, had zijn gereedschap van boven gehaald, maar zoo was 't later geworden dan hij wel gewild had.
Johan was nu reeds twee jaar pensionnaire, gesubsidiëerde door het gouvernement en al dien tijd aan het reizen. Zoo goed hij kon had hij voldaan aan al zijn verplichtingen en ook de zending van geëischte studies was voor het tweede studiejaar op tijd gebeurd. Wanneer daar in Amsterdam de vorderingen voldoende werden bevonden, dan was het jaargeld voor vier jaar lang toegezegd.
In een tijd van gisting, toen om hem heen in zijn naaste omgeving een jong gedachte-leven begon te bewegen, in een tijd van veel plannen en gepraat, had Johan meêgedongen naar den zoogenaamden Prijs van Rome, die, na jaren, van nieuws aan wéér was uitgeloofd door de inrichting, waar hij zijn opleiding had genoten.... O, dat was een heele historie.... daar was heel wat aan vast, alvoor een liefhebber werd toegelaten tot zoo'n wedstrijd.... Daar was eerstens het weken lang zich drillen als een recruut, die de handgrepen en de theorie goed kennen moet vóór hij afgeëxerceerd kan worden, zich 't hoofd volstoppen met moeielijkheden, wel zeker, bestemd om ze weêr te vergeten. Wat niet al? En de examendagen zelve, die den prijskamp voorafgaan.... een warboel van zenuwachtig- en de-kluts-glad-kwijt-zijn; en de eigen verbazing in eens over je zelf hoe je zoo veel weet. En dan het wanhopen en de lust om er-den-boel-bij-neêr-te-smijten.... zonder de aanporring van een vriend, die maar altijd bleef zeggen: er is maar éen weg naar Rome en reizen, en die is dien je gaat nu, was hij er nooit gekomen. Vervolgens de tijd van hard werken en 't verlangen en de eerzucht van den jongen, die eens flink wil laten zien wat hij alleen wel kan.
En daarna.... maar och, hij herinnerde zich dat geval niet graag.... woedend was hij geworden om die officiëele onderscheiding, welke geen onderscheiding geweest was. Verbeeld je.... Boos en beleedigd had hij voor zoo'n lammiteit, als hij 't noemde, willen bedanken. Maar al de kameraden hadden hem dwaas genoemd, hoe hij, die geen cent in de wereld bezat, zou om zoo'n bagatel, om zoo iets, dat alle dagen gebeurde, en dat wel bekeken nog eervoller op den koop toe was, zulk een dommen streek doen.... wees wijzer. En toen was hij het ook dom gaan vinden, blij dat ze het hem allemaal afrieden, belust als hij was op de mooie reis, graag naar 't onbekende. Was 't geen buitenkansje?.... Had hij zich dat vroeger ooit durven voorstellen; hij, die voor zes jaar nog op klompen liep, zou nu naar Italië worden gestuurd, gestuurd door de Regeering, zooals zijn familie zoo graag zei.
En zijn weggaan was dan ook prachtig geweest, al de kameraden hadden hem uitgeleid: hij was 't station ingestapt, opgewonden van geluk, zijn nieuwe reisdeken als een mantel omgeslagen, in schooljongensovermoed de roode binnenvoering naar buiten. Hij herinnerde zich nog alles heel precies: 't soort dag, het vroege uur, het reisbiljet naar Rome, voor tien dagen geldig, de bagageverzorging, zijn angst dat alles in de war loopen zou, de plagerijen, de profetieën dat hij op een ongeluksdag op reis ging. En er was geen einde gekomen aan 't handen-geven, de trein ging al, toen hij nog een hand in zijn hand warm voelde. En wat een vragen van gauw en veel schrijven, wat een beloften dat hij veel brieven terug ontvangen zou. Zoo was hij gegaan op een Februari-Vrijdag 't land uit, de ooren nog vol vriendenwoorden, meênemend de beelden van vrienden aan wie zooveel van zijn leven vastzat.
Maar o, van die vrienden, ze hadden zijn mooi leven die twee jaar lang verpest met hun brieven. Eerst waren ze opgehouden te komen; dat was wel begrijpelijk geweest, ieder had het natuurlijk druk, 't broeide al zoo, toen hij wegging. Hij zelve had ook de handen vol; 't was niet gemakkelijk zoo in eens op zich zelven te moeten rekenen, zoo in eens te worden gezet heelenal voor eigen kunnen. 't Ging in den eersten tijd goed, mooie dingen zien, af en toe een vriendelijken brief, zoo was men ten minste niet alleen in de wereld. Maar 't duurde niet lang, toen was er in eens, na lang zwijgen, een brief gekomen, een brief als een plank, maar geen hartelijkheid meer, en geen van zelven gaan; gepraat van ouwelijke jeugd en wijs geredeneer.... wat.... die brief rook vijandig.... wat was er toch gebeurd?.... een tijdje later wist hij het; wat vroeger bepraat was geworden op kamers of in cafés, dat werd nu openbaar gemeend, er werd gevochten.... dat had mooie brieven gegeven, brieven die als oorlog waren, lustig van den krijg, en wreed als strijd is, brieven, waarin zinnen die als klaroenen klonken; maar daar waren ook andere, bazige brieven, met veel langdradig geleuter over anderen, en weinig mooi vertel van eigen doen.... Hij voelde het wel.... al stond het niet in de regels.... hij was gezet door de vrienden aan den kant van den vijand, zoo in eens maar.... jawel, maar bliksem, dat was toch larie.... och, wat hadden al die meeningen hem een last gegeven.... hij, die daar in dat vreemde en liefelijke land maar niets thuis was, en er toch geen oogen en vingers genoeg had, die alles wel had willen vasthouden in dat land zonder nevel, waar de eeuwige zon hem zoo begon te plagen en ziek maakte, tot hij er als een sjouwerman werkte, planloos, bang in klein-burgerlijk plichtbesef van te kort te komen, van niet genoeg te zullen kunnen laten zien van al wat hij gezien had.... En hoe was hij dikwijls met het beeld van een vriend op reis en aan 't werk geweest, dàt zal ik voor die maken en dàt voor die.... Werken, werken; ontevreden zoekend naar rust; hij domkop die hij was geweest toen, was maar door blijven hunkeren naar die vriendenbrieven, waarvan hij, vóór hij ze las, al wist dat hij er wrevelig over worden zou, wanneer er zijn onrust sarrend in werd beklaagd, wanneer hij voor de zooveelste maal hooren moest, hoe zij allen thuis al wisten wat ze wilden, hij die toch ook wel wilde veel, al wist ie niet wat. Hij was Italië doorgegaan, ongelukkig in redeloos gepruttel, overal naar toe waar zijn principalen hem stuurden, doende naar hun gereglementeerde bepalingen. Hij had zich vaak een officiëelen schooier gevoeld, reizend met een zwarten rok in zijn koffer, maar die bekneld moet leven, vóór de hooge visite stil met kastanjes dineert, alles op een koopje doende, gedwongen elken stuiver om te keeren, driemaal, eer hij 'm uitgaf, om toe te komen in het dure reizen. En zwak en hulpbehoevend meer dan ooit, geslagen door de ontzaggelijke voorbeelden die hij bestudeeren moest en die hem nog meer in de war stuurden door hun vèr afstaan, door hun hooge rust van bewustzijn, zoo vloekend met zijn eigen eenzame en tastende onbewustheid. En hij had zijn weifelende en woedende en grimmige ziel vaak uitgezegd in menigen brief, hartstochtelijk en wild, over niets kon hij spreken dan over zich zelven; en van heel dat vriendental was er maar één geweest en altijd dezelfde, dien hij voelde dat hem zag daar in de verte, en die met groot en medelijdend zien, vermeed te gaan wroeten in de ellende van een vriendenziel. Hoe zou hij er hem altijd om lief hebben.
Het tweede jaar zou Spanje moeten worden bereisd. Maar in Genua was hij toen plotseling ziek geworden, en door de vriendelijke bemoeiing van den consul opgenomen in een hospitaal. Een gezegende rust van drie maanden was er het gevolg van geweest. O, dat weêr beter worden in het hoogliggend hospitaal van Genua. Hij moest dat dikwijls de mooiste herinnering vinden, die hij van Italië had meêgedragen. Zijn ziekenkamer keek uit in den tuin; dat wakker-liggen daar, na lang slapen, bij volle kennis, de dagen door, lekker tusschen de heldere lakens. De kamer kraakzindelijk, 't medicijnfleschje met altijd iets visiteachtigs er naast, vlak bij 't bed op 't nachttafeltje, de wanden langs Engelsche bijbelteksten, opgehangen achter glas, grooten druk, hij kon ze vanuit zijn bed lezen. Maar dan het raam open, de jonge zon blond en licht en veel vallend op 't balkon. En in den tuin het voorjaar met al veel violetten, een geur van bosch en zee binnenluchtend door het raam. En in zijn liggende leden een aangloeiing, iets van gisting als in nieuwen wijn, een aanspoeien weêr van kracht en gezondheid; maar in zijn hoofd nog een teêr suizen, een week nagevoel alsof hij veel vlugzout geroken had, iets ijls of er veel damp in de hersens was. En een sterker proeven en een nieuwer zien en een fijner hooren. O, die lange dagen in Genua's hoog op de rotsen staand hospitaal. Dat dagen stil liggen kijken in de zon, met de stille zorgen der direktrice altijd om zich, die altijd verlangend dat hij slapen zou, op zachte voeten naar binnen kwam, en de deur weêr uit, zwart en goedmoederlijk met haar kuisch-gekapt haar. Maar ook dat toen verwenschte diëet, die strenge, Zwitsersche dokter, die zijn tong kwam zien en dan altijd zei: "Sie haben gestern zu viel gegessen." En later, toen hij de dagen al opzat, dat wakker worden soms midden in den nacht, van zelven, zonder pijn of behoefte, dadelijk helder in den nacht, de nacht hoog om het huis, zoo hoog in de lucht, en zoo heerlijk stil en toch zoo raadselachtig vol met geluid zonder naam, dat hem de gewaarwording gaf alsof hij 't blauw zag, 't onstoffelijke, kleurlooze blauw der door sterrelicht ondoode aardschaduw. Daar kan men stilliggend, lang over denken, en dan plots in zijn dichte oogen een roode drang, en 't mooi opvlottende beeld van een begeerde vrouw.
Heelemaal hersteld was hij de tweede reis begonnen, tuk op nieuwe indrukken, begeerig naar nieuwe beroering. De dokter had hem den raad gegeven zich beter in acht te nemen, zich niet meer zoo over stuur te werken, en dat zou hij in geen geval doen. Neen zeker niet. Bovendien was de beurs gevulder. Door de zorgen van een welmeenend beschermer had een rijk verzamelaar tot aanmoediging veel van zijn studies gekocht, al dat gewurm van verleden jaar was uit de voeten; hij zou 't nu bedaarder aanleggen en wat meer ook voor zijn plezier uit zijn. De behoefte naar land en vrienden bestond bijna niet meer, een enkele maal schreef hij aan zijn familie, om af en toe nog iets van huis te hooren.
Maar onverwacht, hij was toen nog maar een maand in Madrid, op een Aprilmorgen, daar was weêr een brief gekomen van zijn besten studie-kameraad, een brief als een akte geschreven met een zware hand. In ronde vriendenwoorden, kort en zakelijk, was die brief van meening, dat hij een onvrij man was, dat dit aan zijn tentoongesteld werk was te zien, dat het er veel van had, of hij zich verkocht voor een bezoldiging, dat hij laf een goed leven leed, waar al zijn vroegere kameraden krom lagen, ontbeerden voor hun ernstig zich-zelve-willen-wezen. 't Speet den schrijver zoo, 't had hem zeer gedaan, maar op de expositie had hij een kameraad hooren fluisteren tot een ander, en toen meer die zeiën, dat zij zich in Johan hadden vergist, dat hij met massa's werk den boel had willen overdonderen.... neen.... hij mocht niet van zich laten zeggen, dat hij geen artist was, dat was gezegd en er was reden voor geweest.
Dat was als een slag op zijn hoofd gevallen, 't was hem een oogenblik benauwd geweest in de keel en of zijn bloed niet voort wou. Toen was hij met een vloek opgesprongen, de deur uit en de straat op. Hij had dien dag door de straten van Madrid gehold, de natheid niet voelend, en den ijskouden regen niet, met niets in zich dan stomme kwaadheid en in zijn hoofd huilend verdriet. 't Is niet waar, 't is toch niet waar, griende het in hem dien dreinigen dag. Dagen achtereen had hij in 't Museum niet kunnen schilderen, vies van zijn besteld werk; daarna was hij er weêr naar toe gezakt, als een hond in 't gareel, 't moest toch gedaan worden. Maar lang daarna nog hadden die woorden hem bezeten, hij herkauwde die bitterheden den geheelen dag onder 't werken door: zou 't ook waar zijn, zou 't ook waar zijn?
En de eene dag verging na den anderen. Twintig brieven was hij wel begonnen op dien eenen brief; geslingerd als hij werd tusschen zelftwijfel en beleedigden trots, schreef hij telkens wat anders; nu een brief waarin hij kroop als een geslagen hond, excuses vindend, en dan weêr een anderen met een hoog opgezetten toon; onvoldaan had hij ze alle verscheurd, want langzamerhand vocht het zich van zelve uit, voor de eerste maal misschien werd hij zich iets bewust van zelfvoeling. En in dat gevoel slaagde het antwoord in eens, schreef hij even kort en zakelijk, maar als een snauw, als een dadelijken beet van zich af: "ik wil niet langer worden geplaagd, laat me met rust."
Maar een woord was gezaaid en het groeide tot een heel ding in zijn jong leven. Wat hij zich verleden jaar nooit precies had weten te zeggen, 't werd hem nu volmaakt helder, zijn mooi reisbestaan was voor de tweede maal bedorven.
Hij was dat tweede jaar weêr net even ongelukkig, wetend en zich bekennend: gij zijt laf, gij zijt laag, maar koppiger nog dan ooit, volgend de voorschriften van zijn principalen, punctueel in alles wat hem was voorgeschreven.... dat heele gedoe, hij was het te haten begonnen. Hij had dagen van rondgeboemel, laksch voor de dingen om hem heen, afkeerig als iemand die met bedorven maag walgt voor een lekker maal. Doch lang hield hij dat niet uit, werkman als hij altijd geweest was, begon hij op nieuw, maar met geweld zich verzettend tegen de stortbuien van emoties en van de zich telkens nieuwe en opdringende gezichten; om er een vast te houden maakte hij zich overal een thuis, klampte hij zich vast aan eenmaal begonnen werk. Langzaam begon hij zoo te zien wat zijn leven zou zetten; hier of ginder, dat zou overal op 't zelfde neêrkomen. Soms midden in ploeterend gewerk kreeg hij als in den weêrschijn van een opslaande vlam een bruut inzicht in zijn toekomstig leven. Zijn altijd alleen zijn, het zich altijd aanwrijven tegen dingen, die zoo hoog onverschillig naast hem waren, joeg hem meer en meer terug in zich zelf, hij begon zich te betrappen dat hij als met een vriend hardop met zich zelven sprak.
.... Wat had hij vaak zitten soezen zoo in een klein landstadje, een hoop verdwaalde huizen in een woestenij van zand, moê van den langen zomerdag, met gesloten oogen, als de avond komend was met loome schemering. Dan was de vlaktewind langs zijn hoofd en handen waaiend gegaan, de straat inwalmend, zwoel als heete lucht weggewolkt van veel vèr en groot vuur, zwaar van een opkomend onweêr maar niet te zien, broeiend en somber als vooruitgeadem van een naderende katastrofe; terwijl het treurde almaar binnen in hem, dat niemand, ook geen vriend, ooit 't leed van een ziel proeven zal als die ziel zelve; terwijl het duister snel viel, tot de slaap in den zwarten nacht zijn hoofd kwam omhuiven, en hij als een moegeweend kind, beweldadigd tegen den muur ingedruild was. Met een tik op den schouder was de waard hem komen wekken, die vroeg sloot om het angstige weêr, en kreunend was hij ontwaakt, nààr in den nacht en hij had wel gewenscht eeuwig zoo te kunnen blijven rusten, en niet meer zoo te worden voortgejaagd.
Maar de reis was verderop gegaan, zoo zijn route hem aanwees. Brieven kwamen er bijna niet meer, zijn vrienden lieten hem met vrede. Eerst maanden daarna ontving hij in Granada weêr een tijding van zijn oudsten en besten kameraad, een brief, waarin hij plots het worstelen van een hevig begeerend mensch zag, als hij zelve was. De brief klaagde ook over misverstand en och, dat sprak van zelf, over weinig vriendschap. Dat had een nieuwe correspondentie gegeven, en toen was het bij hem tot klaarheid gekomen, dat hij voor zijn eigen rust aan dien tweeslachtigen en schijnheiligen toestand een einde maken moest. Dàar, in een anderen brief aan zijn principalen, beredeneerde hij, dat hij voor 't verder genot der subsidie bedanken wilde. Wel bekroop hem de vrees, hoe dan zoo in eens te leven, maar kom, dat zou wel gaan; nu of over twee jaar, men bleef toch altijd staan voor het eenmaal moeten beginnen, en dan was het verstandiger nu dan over twee jaar. Hij had wat geld, en eens weêr in Holland zou hij er wat bij zien te doen.... lessen geven.... ook misschien wel eens wat verkoopen, eindelijk was die zaak dus uit de wereld. Dit alles had hij aan zijn vriend geschreven, ook dat hij toch zoo dichtbij, nog even naar Afrika's noordkust wenschte over te steken en het antwoord op dien brief was hem van morgen door Sarah de meid gebracht.
't Was de vierde dag dat Johan in Tanger was en hij geloofde wel nu den weg alleen te zullen kunnen vinden, zonder den gids Mohammed Ben Jachjemed. Prettig eindelijk alleen uit te gaan. Men zag met zoo'n jongen eigenlijk niets. De moskee nu ja, ook maar van buiten, en de gevangenis; een Arabisch café van binnen, een tentoonstellingsding klaargemaakt voor de toeristen, en een bazar voor de toeristen met goedkoope nagemaakte mooiigheden voor de toeristen, alles wat een reiziger zien moet of hij wil of niet. Nu zou hij alleen slenteren kunnen, stilstaan als hij er lust in had, zonder zoo'n uitlegger naast zich te hebben, zonder dat kitteloorigmakende klep-klep van diens muiltjes almaar naast zich te hooren, medegenomen te worden door dien slimmen Arabier, die altijd wou rooken en dronk voor drie. Hij wou nu maar op goed geluk gaan dwalen, in dat warnest van smerige buurtjes, door dat doolhof van steegjes, met trapjes stijgend naar steegjes en paadjes en slopjes zonder naam. 't Was gisteren een vuile boel geweest, het had den geheelen dag geregend; nu was 't droog en mooi weêr. Van morgen bij het opstaan had hij uit het raam van zijn slaapkamertje de buien nog gezien, vèr, wolken met vage koppen nog, boven het rose, licht-lila en 't blond schaduwblauw der heuvels om de baai, vèr weg uitgespreid, als een rook uitpluimend naar de Spaansche kusten henen, naar Gibraltar, en naar Tarifa, dat nog laag en onzichtbaar als in een mist gevangen lag. Maar naar boven was de hemel nu weêr klaar, blauw toch achter het wittige waas der hoogvlottende dampen; alom en overal vervloeide het bleekgouden ochtendlicht er onder en door het ruim vol vochten, als een noorsche voorjaarszon alles doordringend, zeeg 't breed neêr. En 't had de baai doen parelen, zilverig schuimspatte en spikkelde het licht op 't kalme golfgekabbel, op 't blauwe, ebbende water der Middellandsche Zee.
Alles beloofde een mooien dag.
Het steegje, toen hij 't hôtel uitging, lag voor hem als de moddergrond van een sloot. Hij moest, wilde hij niet door den grooten plas voor den ingang waden, langs de muurkanten strompelen, houvast zoeken aan den muur, of zijn voeten probeeren te zetten op de stukken puin, die in de sopperige brij als droge eilandjes waren. Zijn tasch hinderde hem geweldig. 't Ding was toch al vervelend genoeg.... zoo'n heelen dag dat gebengel tegen je beenen.... en dat omslachtige reisboek kon hij den dag door voelen. Kom, met den ballast weêr naar boven, al genoeg gewerkt.... maar je kon toch nooit weten.... Beter meê verlegen dan om verlegen.
Besluiteloos bleef Johan staan, een eindje ver al het straatje in, op een hoop droog, grauw puin, waar middenin een paar witgeworden steigerpalen als stammen uit opschoten.... Daar werd een huis gemaakt.... nette lui, die Mooren.... 't was goed om je beenen hier te breken.... Zal 'k 't doen, zal 'k 't niet doen.... dat de fataliteit beslisse.... we zijn nu toch eenmaal in Marokko.
Om zich zelven lachend in het stille straatje, haalde Johan een muntstukje uit zijn zak.... kruis niet, munt wel.... en kantelend vloog de cent langs de palen op, het streepje zonhemel boven de steeg te gemoet.... Kijk.... daar boven den muur daar staat je waarachtig de metselaar; de slimmerd buigt over de straatgeul, nu 't koper klankspringend valt op 't puin. Wat een mijnheer. Hij staat daar met zijn troffel in zijn hand, als iemand die op visite is, propertjes in zijn burnous, met een rood zijden tulband om zijn kalen knikker.... een mooi lapje.... wijnrood met gele strepen, oud goudgeel.... Eerst dien cent zoeken.... dáar.... hij ligt op zijn kant.... neen.... eerlijk zijn, munt ligt boven.... vooruit dus, 't noodlot heeft gesproken, er is maar éen god en Mohammed is zijn profeet....
Lacherig nog stapte Johan door, het straatje af, in eens gedwongen schoor te loopen tegen den afzakkenden weg, de hakken telkens geplant in de modder, schrap met den rug achteruit, want almaar daalde de straatgeul tusschen de smerige, vensterlooze muren door. Tusschen steile wanden, die benauwd dichtbij waren, ging hij, tusschen gevangenisachtige, leêgstaande stijgingen. Een heel enkele maal puilde er een uitbouw uit den muur, geschraagd op schuine ijzers in den steen gestut, of hij ging een klein diefachtig deurtje voorbij dat stomdicht was. Van uit de verte, als 't gegons in een zeehoorn, een gedruisch als van een brekenden zeevloed of uitgeluiding van menigteleven. Overigens was 't straatje doodstil in den looden, on-dagachtigen schemer, die zijn oogenkijken telkens naar boven joeg, naar 't schijnen van den vriendelijken daghemel. Het getroffel van den metselaar hoorde hij hoog achter zich, metaal-lachen uit de lucht vallend. Zooals de geul, die het regenwater in het zand sappelt, met kronkels en onverwachte ellebooghoeken daalt naar een plas, zoo daalde het naamlooze straatje naar het kleine Zocco toe. Wat verder weêr ging hij een steegje langs.... daalde het naar de haven? Veel licht scheen achter in.... 't ging hem voorbij als een poortje naar 't licht. Bij een onverwachten ellebooghoek was de muur links in eens open, een groot portiek kwam en een inzicht in een ruim gepleisterd portaal, koelig onder het gewelf. Laag op steenen banken hurkten er een paar Mooren, de beenen gekruist onder zich gehaald, de handen in de witte schootplooien, roerloos als pagoden zittend. Zij rookten uit pijpjes van roode leem, vaasjes, waar kostbre specerij in verbrand schijnt te worden, en keken heet-droomerig den voorbijganger na, tot ze weêr doken in hun gewichtig zwijgen. Johan herinnerde zich onder 't loopen, hoe Jachjemed gisteren gezegd had, dat daar een ambassade was, de Engelsche, indien hij goed verstaan had. Maar het straatje begon snel te dalen. Het marktrumoer steeg gelijk wasem in de tuit van een ketel de monding der straatgeul in. Daar zette het lijf aan van een mageren kerel in een blauwige jas, zijn kop met roode fez boorde de steeg in. Voorover, als een man, die tegen wind opgaat, klom hij met heftige buigingen in de knieën. Hij kwam hooger, slijkspatten waren verdroogd tegen den beenigen kant van zijn schenen, zijn schilferige voeten trapten paarschig en ruig in muilen van okergeel leêr; die hadden toonstukken als de kop van een stompen visch. Hij sjokte aan door de dras van het glibberige paadje en week voor den ander uit als voor een onreine. Met een paar sprongen was Johan toen het steegje uit, neêrgevallen in de volle zon van het kleine Zocco.
En zooals voor iemand, die uit een stille kamer na lang thuis zitten, plots komt te midden van een straat waar het karnaval is, zoo was het voor zijn grage oogen dadelijk feest van bewegend en van kleurig leven.
Tusschen de huizen-ophooping, kubieke blokken zon met schriel hier en daar een zwart gat, als een wantrouwend oog in de van-buiten-nietszeggende oostersche woning; tusschen vensterlooze witte muurvlakken—er was maar een enkele muur met vensters achter groene jalouzieën dicht—onder een breed-wit opgestapel van bordessen, als hoopen doozen op elkaâr gekanteld, als groote dompers over veel leven gezet, krioelde laag in een moeras van modder en afval, een bont, veelrassig volk in druk-dagelijksch marktbedrijf. Tusschen opstellinkjes van hout en zeildoek, opgezet tegen beroeste en glibberig bemoste muurwanden; tusschen ambulante winkeltjes waarin getulbande kooplui schemerden achter hun rare waar; in een gekaleidoskoop van veel lappen en toevalligheên, schoven, draafden en klutsten door een gespat van drek, ruwe donkere kerels, kaalkoppig volk en verweerde jongens. Als mieren, op den tast af, zochten ze hun weg door de volte. En ze schreeuwden en kreten luid uit, tegen elkaâr op, alsof ze woedend waren; maar joegen de pakezels door 't gedrang, aanscheldend malkander in hun keeltaal en met stokken dreigend onder het loopen door; maar voortslovend pakken op rug of kop; maar ranselend hun ruige beestjes.... hui.... hu. i.... hu. i, zonder stilstaan, rusteloos, rusteloos.
De twee ochtenden dat Johan het kleine Zocco met den gids was overgeloopen, had hij het niet zoo rumoerig nog gezien. Nu kreeg hij stompen en duwen overal tegelijk; en toen hij, lacherig en uitermate in zijn schik om die onverwachte kleurdrukte in de mooie zon, stil was blijven staan in een leêg plekje, en zag hoe de drukte aankwam, 't gescharrel samenkluwde en een oogenblik opstopte, alsof er een ruzie was in den hoek van het lange straatplein, daar onder den hoefijzerboog van een poort, ingang naar een straat; en zag hoe boven gindsche huisblokken uit, de minaret der moskee frisch-zeewatergroen, nat-glimmerig alsof hij pas beregend was, opstak in de zonlucht, werd hij ruw opzij geplompt en stoven er ruwe woorden van kwaadgestoorde drukte zijn ooren in. Voor zich uit keek hij in den woedenden kop van een kerel, rugs-òm kijkend naar hem toe, op den loggen kop van een half-naakten neger, die voortsjokte achter een ezel met vaten aan weêrskanten van zijn bast; een loopenden zwarten vent, die telkens omkeek, uitscheldend uit zijn lippensnoet een bui van schorre geluiden, de gebalde vuist schuddend voor zijn raaskallend schonkengezicht. Maar Johan lachte den glimmenden vent om zijn boosheid wat uit, en ging verder. Hij wilde naar de kroeg van Antonio Sivory, die verkocht toch van alles, die zou hem misschien ook wel aan papier om op te krabbelen kunnen helpen;.... vervelend dat hij om de goedkoopte zijn grooten koffer in Sevilla gelaten had.... 't schetsboek in de tasch was zulk onaangenaam papier, zoo erg jufferachtig.... dat kwam er van, van die beroerde vrees te veel geld te zullen moeten uitgeven.... briefpapier zou Antonio wel hebben.... het teekende heel mooi met een zacht stuk krijt;.... dat verhaal in dien brief van Frits was goed.... god.... als ie me eens hier kon zien loopen.... hoe grappig.
Johan liep of stond zonder 't besef te hebben van gaan of staan, levend met zijn oogen alleen, soms met kleine, wakkermakende bewustwordinkjes over den te nemen weg, soms een oogenblik verstrooid door invallende gedachtetjes, aangeblazen als tochtjes, als scheutjes koude lucht om een warm hoofd. Hij liep de kraampjes langs; daar pluisde de drukte uit, den stiller gekleurden rand gelijk om een bont-tafreelig kleed. Tusschen stilstaand volk ging hij troepjes van schunnige leêgloopers langs, die in de zon schurkten onder hun vuile jassen, bruingroen en vet als oude olijven; langs bijeenscholingen van stinkende parasietmenschen met onverschillig strakke inboorlingengezichten, verdroogd en vlooirood in de mantelkapschaduw.... Daar was 't straatje waar hij in moest.... ja, 't was 't wel.... Een bejaarde Jood kwam er hem uit te gemoet, gaande naar de stroomende drukte. Hij dribbelde hard aan, een beetje tuimelend op zijn oude mannenbeenen, 't magere lijf krom en afgewerkt tusschen zijn laag en leêg schommelende handen. Van den hals af tot boven de enkels, waar de pijpen van een sintelkleurige pantalon dichtom knepen, was hij in zijn smerige kaftan sluik en tranig en rood als wijnmoer; om het middel gegordeld en voor het lijf was de jas dicht met een rij van veel kleine knoopjes. Hij had een vaalzwart kalotje op 't gebukte hoofd, 't grijs haar spritste er onder uit en piekte naar de uitgezakte schouders.... een verschooierde bijbelsche Jood.... Hij strompelde haastig aan zonder opkijken uit zijn droefgelijnde facie, waarin de lip zorgvol hing, waar, langs den mageren uitstekenden neus, twee diepe lijnen groeven naar de verscheefde mondspleet.... den driehoek dien de smart donker snijdt in het gelaat der menschen.... En hij ging zijn voorovervallenden gang, den blik naar den grond alsof hij daar wat zocht, een haastige, zwervende gestalte.... Johan bleef den ouden man na staan kijken, en toen kwansuis; want daar liepen tegen de zon een paar vrouwen de drukte uit en 't reisboek leerde, dat het niet goed was van een vreemdeling nieuwsgierigheid voor vrouwen te laten merken.... 't Was je toch een vertooning.... leken het niet net spoken die twee aanwandelende witte lappenpoppen.... hoopjes lijnwaad, vrouwenlichamen, weggemoffeld in plooien.... Zouen ze mooi zijn?.... Ze gingen hem langs en hij kon het teêre bewegen van een hand raden onder de gelaat-slip van het weeke kleed. Zij sloten zich geheel, ook het streepje voor de oogen, om heelemaal niet gezien te worden door een ongewijde. Log van gang traden zij met de vleezige bloote enkelvoeten, sleepend door de modder hare mooie muiltjes, gouddraad-geel met een roode hak onder het neêrgeslofte hielstuk, terwijl het kleed stil en zwaar hun om de beenen hing. Het tweetal ging het straatje in. Johan zag ze verdwijnen tusschen hun stomme, alles verbergende huizen, zij zelve als dingen van even onbegrijpelijk geheim.
Het straatje, waar ook hij in moest, ging gelijkvloers uit een hoek van het kleine Zocco; rechthoekig er meê was daar een ander straatje, opschuivend weêr naar de hooge stad.... Zoo kwam je op de fortificaties.... gisteren er geweest met den gids.... bij dat monsterkanon van Krupp; een geschenk van Koningin Victoria aan haren hoogen cousin den Sultan van Marocco; stapels kogels er bij.... het kon de geheele straat van Gibraltar bestrijken.... Wat had die Ben Jachjemed gelachen, toen hij vertelde dat geen een Moor wist hoe het te hanteeren, veel minder nog het af te schieten. Hij zelve had 't vreemd aangezien, dien zwarten reus daar zoo stevig staande, ijzerzwart, een massa somber Noordsch intellekt, tusschen een rijk gegroei van veel aardige struiken, rood en verweerd op den in puin vallenden rotswal. Kinderen met fezjes op en zwarte staartjes midden op 't kruintje, in oranje en groene en in bloemkleurige hemdjasjes speelden er onder den loop, die als een omgevallen fabriekspijp in de beestachtig zware tappen hing.... Maar in het eerste steegje en dan het tweede dwars en dan weêr even rechtuit, daar was Antonio's kroeg.
Onwillig om het zon-violet van het donkere slop te moeten ingaan, bleef hij nog wat kijkend staan. Onder het muurvlak daar zaten een rist in doeken en plooien verscholen vrouwen, hel met den witten wand in de vlakke zon. Donker streepte het open voor de oogen, donker lag een kort blauw schaduwtje achter hun breed zitten aan. Op doffe matten gehurkt zaten zij, achter stapels van plat-rond en grof-grauw haverbrood, verschanst achter hun eetwaar, veilig aan den rand der drukte. Die had hij daar gisteren ook even onbewegelijk zien zitten, die zaten daar misschien wel altijd, 't leken wel dooien in witte lijkwaden.
Achter zijn ooren gromde het marktleven, vol en gedragen tusschen de wijduitstaande huisblokken, en de bewegelijke kreten en schreeuwen vlogen er als pijlen doorheen.
Vóór hem hurkte een aangekomen vrouw bij de mat in het licht neêr.... Sapperloot, die was niet mager, wat een breed bekken.... Over de brooden heên begon ze met een koopvrouw een praatje, de beide vrouwen, stille gestalte over gestalte, babbelden door den kier voor 't gezicht, naar elkander.
En een olieachtige kerel, duister bruin en blauw in de zon, kwam als aanrollen uit het klimmende straatje en bukte nog in de loopvaart der helling, nam een brood en ging er meê vort, terwijl hij achter zich het geld onverschillig op de mat smeet. Even kwam toen een hand uit een lappenvrouw, de hoofddoek week open, de kin dook bloot, versierd met drie streepjes als van uitgebleekten inkt, als merkjes in een kerfstok. Johan zag de vingers, waaraan de nagels tabakssapkleurig geverfd, verdwijnen met het geld, muntjes geheimvol gestempeld, tusschen de wollen gaping van het kleed. En het praten ging voort, lispelend met neusachtig geneurie.... wonderlijk toch zoo'n gesloten leven....
Johan liep weêr door, de broodenverkoopsters langs, waarvan hij het oogengegluur achter zijn weggaan voelde, hij zelve kijkend naar links en naar rechts, als een speurhond met den neus in den wind.
Hij keek over de markt in de druischende drukte. Het scheen hem dat er onder die sjouwende en ploeterende beweging maar weinig menschen waren uit het land zelve; veel geslaaf van zwarten, veel gehandel van Hebreërs, veel mannen en jongens, geleek wel, uit Europa's Zuid; maar allen onordelijk, inboorlingachtig, maar allen bekleurd met de dracht van het land: het gemakkelijke Moorsche hemd, of jassen verflenst, verwelkt en verscheiden als oude vruchten, of den eenzelfden goor-witten mantel met kap, plattend op den rug tot een driehoek, bollend om den kop met de punt omhoog; en door dat al, het schitteren der barbaarsche sieraden, snellend door 't gekrioel als vonk-vliegende insekten: het rinkelen van een hanger in een oorlel, het spiegelen van een glas-juweel aan een rauwen knuist, armbanden, een raar snoer, een oud zij koord, gestreept, getrest van kleurtjes, bindend de vrije kleêren om de rappe leden, te pas gebracht overal.
Terwijl hij drentelde, op zijn plek blijvend bijna, de vrouwen langs tot aan de kraampjes en dan terug, keek hij soms onverwacht in het suffe kijken der leêgloopers. Hij zag ze plotseling aan 't zinnen gaan, en loeren met de hand vooruit om een aalmoes te bedelen. Maar, rein van uit de smerige volte, waren het een paar deftige heeren die kwamen aanschommelen: rijken van Tanger, luie vette lijven, breedbuikig, uitgedijd, gewikkeld in flanel, mollig, smetteloos gewaad, waaronder het purper bloosde. Hun hoofden waren bekoepeld met een grooten tulband, wit en wijd om de slapen gewonden en om het roode middenstuk, een samengesteld ding moeielijk om uit te pluizen. Ze gingen hun pauwengang, haanachtig voortstappend hun gewichtig leven, stil met zwijgend aangezicht, bleek, ongenaakbaar en bizonder, veel gewasschen en schoon geschoren, ieder met een schralen knevel onder den neus, den baard kort langs de lekker uitziende wangen, de eene zwart, maar de andere al grijs, vrouwmannen. Ze gingen als plechtige lieden ieder met een slaaf achter zich, die den inkoop droeg, schrijdend als gebieders tusschen veel geknecht, den sleutel van 't huis in de hand. Ze wiegelden pralend voort als komedianten doen kunnen, hun onverstoorbare wijsheid ging tusschen de scrofuleuze schooiers door, die uitweken om hun aalmoezen te rapen. Kleine kleuters schoten in eens tusschen uit de beenen der mannen, ze kwamen de mantelmouw kussen van den bejaarden heer, ze ontvingen zijn handlegging op hun geschoren hoofdjes.
De volle markt krioelde voort. Instinktmatig als insekten-arbeid scheen het werk wel te worden gedaan. En tusschen al dat drukbezige gingen stijf de donkere lichamen van Europeërs, rechtop als opzichters tusschen slaven; een Engelsche zaken-man die als een ledepop zijn strakken eenzelfden gang liep, of een andere zinnende handelaar in zijn kokerachtig konfectiekostuum; stukken donkere orde, bewuste, moderne menschen in hun beknopte kleeding, tusschen al die uitbundigheid van het kwistige en Orientalische gedoe. En 't was àl feest; waar Johan ook keek, 't was overal een uiterlijkheid, om er zich nooit met de oogen zat aan te kunnen drinken, onder een zon zoo welig en zoo goud, die al het smerige verguldde en de melaatschheden, die hij met de oogen niet ontwijken kon, meêschitteren deed, als de parelmoerglansen van verrotting zwevend en kleurkringelend op bewogen water, onder dien éenen breeden en grooten val van het koninklijke licht.
Maar vlak voor het straatje naar Sivory's kroeg was Johan als met een schok een andermaal blijven staan. Hij keek in de gapende steeg, die naar boven zich voortschoof. Tusschen de opstijging der huizen verdonkerde de geul naar achteren in 't blauw van haar eigen schaduw; maar in de diepte was weêr een blok zon, een vierkant stuk licht. Ook voor den ingang viel de zon, vol boven de Zoccoruimte, doch dadelijk onderschept door het huisblok van den steeghoek waar Johan stond; een zware maar al korte vlaag schaduw lag neêrgesmeten over het steenen pad vol gleuven en vuilnis, met een grooten scheven rechthoek steeg het donker daar tegen het bezonde muurstuk op. Daar, met zijn voeten in den rouw der schaduw, maar met hoofd en bovenlijf tegen den ouden wand in het bloeiende en blozende licht, beeldde als een statue, een jonge man en die verschijning had hem zoo hevig in de oogen getroffen.
De jonge Arabier stond op zijn eenen voet, met krommende teenen in het dikke slijk der schuine straat, want den anderen had hij als voor de vloerkou opgetrokken en met de zool tegen den muur geplant. Zooals een hagedis, die de zonnige en warme plekken zoekt op zijn gescheurden muur, zoo was hij zich daar aan het koesteren op zijn warm plaatsje, buiten het gedrang, wars van het gewoel.
Hij was bijna ongekleed. Een groote vod te kort om hem van onder tot boven te dekken, een vervaalden lap gelijk een oude Moskovische rietmat, van het bruin als dood loof, hield hij om zich vast, met zijn hand bij elkaâr, om het afglijden te beletten. Hij stond daar stil voor zich uit te droomen, in een vertooning van zijn jong en onversleten spiernaakt, den kop recht op de zuil van den hals, zoo een koningsfiguur op een Aziatisch basrelief loom onder de oogleên uitstaart. Boven de rafels van zijn voddenmantel was een stuk van de platte borstplaat bloot, glanzend vleesch, zonrood geroosterd. Hij was ongeschoren, zijn haar geleek een pruik, 't kroesde rechtop en om het kleine voorhoofd tot een dicht in elkaâr gegroei van korte, sterke krulletjes; 't bracht Johan den schoolkop van Caracalla in eens in 't geheugen terug. Doch zijn neus was lang, met een teêren rug en zijn mond dun met stille lippen, verdonkerd onder een jongen knevel en om de jongensachtige wangen het gepluis van een beginnenden baard.
Hij bleef maar stil, vergenoegelijk voor zich uit glimlachend; wanneer zijn mantel wat afzakte, sjorde hij dien wat op, als zijn eene voet moe of koud werd, verwisselde hij ze zoetjes; zijn gelaat bleef stil met zijn heiligen lach,--als in een Assyrischen muur de figuur van een koningszoon statig staat.
Schaduwen van mannen vlotten Johans ooren langs, terwijl hij te kijken stond naar dien mooien droomer daar vóór hem in het vochte goud der zon.... zou hij niet eens omzien.... zal 'k hem eens voorbij loopen....
Maar met een klein rukje had de gestalte zich losgemaakt van den muur, en kwam.
Hij ging bezorgd en òplettend waar hij zijn voeten zou zetten, angstig als liep hij op glazen beenen; hij schouderschurkte onder zijn lapmantel, dien hij nu met beide handen gesloten hield, één onder de borst en de andere onder den buik; gelijk een kranke in zijn deken gewikkeld daalde hij aan.... Wat was zijn hoofd forsch nu voorover.... zijn borst sterk en breed.... en welk een macht in die armen.... de spieren lagen met gleuven naast elkaâr.... daar zou hij wel een man meê kunnen neêrslaan.... Op den vlakken grond bleef hij een oogenblik dwalerig, toevend; toen ging hij Johan voorbij, steeds met zijn genotlach om de lippen, een wonderlijk inzichzelven gelach, met de wimpers nu op.
En het blikken van een paar ernstige oogen, donkere oogen, klaar verwonderd kinderkijken, vaag van een diep naarbinnen leven, de blik van een bezetene maar zachtgezind, was onverschillig over het kijken van den ander heengegleden, onbewogen, niets hebbend gezien.
De zonderling ging het steegje in, Johan hem achterna. Het Zoccorumoer verdoofde, 't werd weêr 't geroezem in een grooten zeehoorn gelijk.
Achter den teêrloopenden man met zijn jonge reuzenschouders liep hij in het donkere slop.... 't Leek wel of die voorlooper dansen zou gaan.... Maar 't was om te schrikken geweest, daar hurkte hij in eens neêr, en ging op zijn hielen in de nis zitten van een insnijdende poortdeur. En uit een groen aarden schotel, die daar voor hem scheen klaar gezet, begon hij te eten. Hij greep er de witte rijst met zijn vingers uit, en stopte die in zijn mond, zonder gulzigheid, zonder zijn lach te breken, werktuigelijk etend, door niemand gemoeid, uit den weg zittend, niemand moeiend.
Want 't straatje werd druk een oogenblik door de markt-uitloozing. 't Was niet mogelijk lang er in stil te blijven staan, Johan ging dus zijn gang. Hij zag nog juist den man een mageren hond met de hand van zijn schotel weren, die hard aangehold meêvreten kwam. Het gedraaf van een paar kerels achter zwaar-belaste ezels aan, die de steegbreedte vulden, dreef ook hem voort. Ze gilden en hitsten hun "hu hu-i hu-i hu-i," als op de pooten getrapte uitjankende honden.
.... Daar was 't straatje, in 't midden zonnig, het leî zich tot een binnenplaatsje uit, daar was Sivory's kroeg.
Eer hij 't zelf goed wist, beziggehouden door 't weêr terug turen in zich naar het visioen van dien verdwaasde, stond hij in 't schemerdonker der kroeg, en dadelijk kwam hem het praten van een mannenstem tegen, een roepen bijna, een ironiek uit de mondhoeken uitgestooten luid spreken.--O, daar hadt je den kolonel.... den grooten man met zijn windbuil-manieren.... met zijn lange, bibberende snorpunten à la Napoleon III.... Gisteren kennis gemaakt.... jawel....
"Voilà monsieur le peintre avec son sac à malices."
"C'est ça, monsieur Badaud."