Wij zouden hier ons verhaal gevoeglijk kunnen besluiten, zoo wij den lezer nog niet enkele mededeelingen schuldig meenden te zijn, betreffende het uiteinde van den sinds lang reeds geestelijk gestorven Cambyzes, en de verdere lotgevallen van eenige ondergeschikte personen uit deze geschiedenis.
Kort na het vertrek der koninginnen, werd te Naucratis de tijding aangebracht, dat de satraap van Lydië, Oroetes, zijn ouden vijand Polycrates door list naar Sardes had gelokt, en hem had doen kruisigen. Aldus was de voorspelling van Amasis betreffende het treurig uiteinde van den tyran verwezenlijkt geworden. De satraap had zich vermeten deze daad te volvoeren, zonder medeweten van den koning, omdat in het Medische rijk veranderingen plaats hadden, die de dynastie der Achaemeniden met een volkomen ondergang bedreigden.
Het lange oponthoud van den koning in een ver afgelegen land had het ontzag voor zijn naam, dat voorheen de ontevredenen placht te weerhouden in verzet of tot opstand te komen, zeer verzwakt. De geruchten van den staat van krankzinnigheid, waarin hij verkeerde, deden hem merkelijk dalen in de achting zijner onderdanen, terwijl het bericht, dat hij uit louter overmoed duizenden landskinderen in de Ethiopische en Lybische woestijn aan een onvermijdelijken dood had prijsgegeven, de ontevredene Aziaten met een haat jegens hem bezielde, die door de machtige partij der magiërs gevoed en aangeblazen, zeer spoedig eerst de Mediërs en Assyriërs, doch daarna ook de Perzen tot afval en openlijken opstand aanzette.
De eerzuchtige opperpriester Oropastes, die door Cambyzes tot stadhouder was aangesteld, plaatste zich aan het hoofd der beweging, met oogmerk zichzelven te verheffen en te bevoordeelen. Hij zocht het volk voor zich in te nemen door het afschaffen van belastingen, door groote geschenken en nog grootere beloften, en beproefde ten laatste, ziende hoe erkentelijk men was voor zijne zachtheid, door bedrog de Perzische koningskroon in zijn geslacht over te brengen. Gedachtig aan de zeldzame gelijkenis van zijn broeder Gaumata op Bartja, den zoon van Cyrus, nam hij, zoodra hij bericht ontving van het spoorloos verdwijnen van den, in Perzië algemeen beminden jongeling, het besluit, Gaumata, den man zonder ooren, voor den vermoorde uit te geven, en hem in de plaats van Cambyzes op den troon te zetten. Deze list gelukte te gemakkelijker, daar de liefde van het gansche volk voor Bartja sterker werd, naarmate de waanzinnige koning zich steeds meer gehaat maakte. Toen eindelijk een tal van boden door Oropastes in al de provinciën van het land werden rondgezonden, met de boodschap, dat de jongere zoon van Cyrus, in spijt van het gerucht omtrent zijn dood, nog in leven was, tegen zijn broeder was opgestaan, den troon van zijn vader had beklommen, en alle onderdanen gedurende drie jaren volle vrijheid van den krijgsdienst en van alle belastingen verzekerde, werd de nieuwe heerscher door het gansche rijk met groote vreugde erkend.
De valsche Bartja had zijn broeder, den opperpriester, van wiens verstandelijke meerderheid hij zich volkomen bewust was, in alles gehoorzaamd. Hij had het paleis te Nisaea [482], in de Medische vlakte, betrokken, zich de kroon op het hoofd gezet, den harem des konings voor den zijnen verklaard, en zich uit de verte aan het volk vertoond, dat in zijne trekken die van den vermoorde meende te herkennen. Later hield hij zich echter in het paleis verborgen, om eene mogelijke ontdekking van zijn geheim te voorkomen, en gaf zich, het voorbeeld van andere Aziatische vorsten volgende, geheel aan zijne lusten over, terwijl zijn broeder met vaste hand den schepter voerde, en alle gewichtige ambten en posten onder zijne vrienden en stamgenooten, de magiërs, verdeelde. Toen hij vasten grond onder de voeten meende te hebben, zond hij den eunuch Ixabates naar Egypte, met den last, om aan het leger de verandering in de regeering mede te deelen, en het tot afval van Cambyzes en tot het omhelzen van Bartja's partij over te halen, welke laatste, gelijk wij weten, vooral door de soldaten afgodisch bemind werd.
De voor zijne boodschap uitmuntend berekende gezant kweet zich zeer goed van zijn last, en had reeds een groot aantal soldaten voor den nieuwen koning gewonnen, toen hij door eenige Syriërs, die op eene goede belooning hoopten, gevangengenomen en naar Memphis gebracht werd. In de pyramidenstad aangekomen, voerde men hem oogenblikkelijk voor den koning, die hem, ingeval hij de volle waarheid aan het licht bracht, vrijheid en leven verzekerde. En nu bevestigde de gezant de tijding, die tot dusver als een los gerucht tot Egypte was doorgedrongen, dat Bartja den troon van Cyrus had bestegen, en reeds door het grootste deel van het rijk erkend was geworden.
Cambyzes ontroerde bij dit bericht, als iemand, die een doode uit het graf ziet opstaan. In weerwil dat zijne geestvermogens zeer verzwakt waren, wist hij toch zeer goed, dat Bartja op zijn bevel door Prexaspes vermoord was. Hij vermoedde thans, dat zijn gezant hem bedrogen en den jongeling het leven geschonken had. Deze bliksemsnel in hem oprijzende gedachte onverwijld uitsprekende, verweet hij Prexaspes met bittere woorden het jegens zijn koning gepleegde verraad. De hoveling was nu gedwongen met een duren eed te bezweren, dat hij den ongelukkigen Bartja met zijne eigene hand gedood en begraven had.
Hierop werd den bode van Oropastes gevraagd, of hij zelf den nieuwen koning gezien had. Hij antwoordde ontkennend, met bijvoeging, dat de broeder van Cambyzes slechts eene enkele maal zijne woning had verlaten, om zich uit de verte aan het volk te vertoonen. Thans doorzag Prexaspes het geheele weefsel van leugen en bedrog, door den opperpriester gesponnen. Hij herinnerde den koning het onzalige misverstand van vroeger, dat door de treffende gelijkenis van Gaumata op Bartja ontstaan was, en bood zijn hoofd aan tot onderpand voor de waarheid van zijn vermoeden. De geestelijk kranke koning, die met deze uitlegging genoegen nam, dacht sedert dit oogenblik aan niets meer, dan aan de gevangenneming en de terechtstelling der magiërs.
Het leger moest zich marschvaardig maken. Aryandes, een Achaemenide, werd tot satraap over Egypte benoemd, en zonder verwijl braken de troepen naar Perzië op. Voortgezweept door het verlangen om wraak te nemen op den trouwloozen stadhouder, gunde de koning zich geene rust, en maakte den nacht tot dag. Maar plotseling werd hij in zijne dolle vaart gestuit. Zijn paard, waarvan hij in zijne onstuimige drift al te veel gevergd had, zeeg uitgeput neder, en onder het vallen had de ruiter het ongeluk zich met zijn eigen dolk te kwetsen [483]. Nadat hij dagen lang bewusteloos had neêrgelegen, sloeg hij de oogen op, en verlangde eerst Araspes, dan zijne moeder, en eindelijk Atossa te zien, ofschoon deze drie reeds voor maanden waren afgereisd. Uit al zijne woorden bleek, dat hij de laatste vier jaren, sedert het begin dier heftige koortsen, tot op het oogenblik zijner verwonding, als in een diepen slaap had verkeerd. Alles wat men hem uit dien tijd verhaalde, was hem geheel nieuw, en vervulde hem met groote smart. Alleen van den dood zijns broeders bleek hij kennis te dragen. Hij wist, dat Prexaspes dezen, op zijn bevel, vermoord en hem gezegd had, dat Bartja op den oever der Roode Zee begraven lag.--In den nacht die volgde op dit ontwaken, werd het hem zelven duidelijk, dat hij langen tijd volkomen krankzinnig moest geweest zijn. Tegen den morgen viel hij in een gerusten slaap, die hem zoo zeer versterkte, dat hij Cresus bij zich ontbieden kon. Hij gelastte dezen hem uitvoerig mede te deelen, wat hij in de laatste jaren gedaan had.
De grijze raadsman voldeed aan 's konings verlangen, en verzweeg hem geene zijner geweldenarijen, al wanhoopte hij ook, den aan zijne zorg toevertrouwden vorst op den rechten weg te zullen terugbrengen. Zijne blijdschap was daarom dubbel groot, toen hij bemerkte, dat zijne woorden een diepen indruk maakten op het ontwaakte geweten van den koning. Met tranen in de oogen verklaarde deze, dat zijne euveldaden hem berouwden. Beschaamd als een kind, bad hij Cresus om vergiffenis, dankte hem voor zijne trouwe liefde, en droeg hem eindelijk op, uit zijn naam vooral Cassandane en Sappho, maar ook Atossa en allen die hij ten onrechte had gegriefd, om vergeving te vragen.
De eerbiedwaardige Lydiër weende tranen van vreugde, en hield niet op den kranke te verzekeren, dat hij genezen en dan overvloedige gelegenheid hebben zou, om al het misdrevene door edele daden weder goed te maken. Cambyzes schudde evenwel ontkennend het hoofd, en verzocht den grijsaard hem in de open lucht te laten brengen, zijne legerstede op eene hoogte te doen plaatsen, en den Achaemeniden te bevelen, zich om hun koning te verzamelen. Toen aan zijn bevel, niettegenstaande de geneesheeren zich hiertegen verzetten, was voldaan, liet Cambyzes zich overeind zetten, en sprak daarop met een stem, die tot op grooten afstand verstaanbaar was, het volgende:
»Het is thans tijd, Perzen, dat ik u mijn grootste geheim openbaar. Door een droomgezicht misleid, door mijn broeder vertoornd en gekrenkt, heb ik, in een vlaag van waanzinnige drift, last gegeven hem te vermoorden. Prexaspes heeft, op mijn uitdrukkelijk bevel, de schandelijke daad volbracht, die in plaats van mij de verlangde rust te schenken, mijne hersenen geheel heeft gekrenkt en deze stervensure voor mij zoo vreeselijk maakt.--Deze bekentenis moge u overtuigen, dat mijn broeder Bartja niet meer onder de levenden is. De magiërs hebben zich van den troon der Achaemeniden meester gemaakt. Aan hun hoofd staan de, door mij tot stadhouder aangestelde opperpriester Oropastes en zijn broeder Gaumata, die zoo sprekend op den vermoorden Bartja gelijkt, dat Cresus, Intaphernes en mijn oom, de edele Hystaspes, hem eens voor mijn broeder hebben aangezien. Wee mij, dat ik hem gedood heb, die, als mijn naaste bloedverwant, den mij door de magiërs aangedanen hoon had kunnen wreken. Maar ik kan hem niet in het leven terugroepen en daarom benoem ik ulieden tot uitvoerders van mijn laatsten wil. Bij den Feruer van mijn overleden vader, en in den naam van alle goede en reine geesten, bezweer ik u, dat gij de regeering niet in de handen der valsche magiërs laat. Hebben zij zich door list van de kroon meester gemaakt, zoekt die hun dan door list wederom te ontrukken. Hebben zij met geweld den schepter veroverd, ontweldigt hun dien op gelijke wijze. Volgt gij dezen mijn laatsten wil, zoo zal de aarde u rijke vruchten schenken, zoo zult gij in uwe vrouwen en kudden gezegend worden, zoo zal ten allen tijde vrijheid uw deel zijn. Mocht gij daarentegen de heerschappij niet meer in uw geslacht terugbrengen, dan zult gij allen, ja, dan zal ieder Pers even rampzalig aan zijn einde komen als ik!"
Toen de Achaemeniden den koning na deze woorden zagen weenen en uitgeput nederzijgen, scheurden zij hunne kleederen en hieven een klaaggeschrei aan. Weinige uren later gaf Cambyzes in de armen van Cresus den geest. In zijne laatste oogenblikken dacht hij aan Nitetis, en hij stierf met haar naam op de lippen, en met tranen van berouw in de oogen [484].
Nadat de Perzen het onreine lijk verlaten hadden, knielde Cresus er voor neder, en riep, zijne hand ten hemel heffende: »Groote Cyrus! Ik heb mijn eed gehouden, en dezen ongelukkige tot aan zijn dood als zijn getrouwe raadsman ter zijde gestaan!"
Den volgenden dag trok de oude man, met zijn zoon Gyges, naar de hem in eigendom geschonken stad Barene, alwaar hij nog vele jaren leefde, als een vader zijner onderdanen, door Darius in hooge eere gehouden, door al zijne tijdgenooten geprezen.
Na den dood van Cambyzes hielden de hoofden van de zeven Perzische stammen [485] te zamen raad, en besloten zich vóor alle dingen zekerheid te verschaffen, omtrent den persoon van den overweldiger. Otanes zond heimelijk een getrouwen eunuch tot zijne dochter Phaedime, die, gelijk men wist, met den geheelen te Nisaea achtergebleven harem van Cambyzes, in het bezit van den nieuwen koning was gekomen. Alvorens de bode terugkeerde, was het grootste gedeelte van het leger verloopen, daar de soldaten met vreugde de gunstige gelegenheid aangrepen, om na eene veeljarige afwezigheid tot hunne haardsteden en betrekkingen terug te keeren. Eindelijk kwam de eunuch, die met smart verwacht werd, terug, aan Otanes de volgende boodschap brengende: »Phaedime was slechts een enkele maal door den nieuwen koning bezocht geworden; zij had echter van zijn slaap partij weten te trekken, om zich met groot gevaar te overtuigen, dat hem werkelijk beide ooren ontbraken. Maar ook zonder deze ontdekking had zij de zekerheid, dat de overweldiger, die inderdaad treffend op den vermoorde geleek, niemand anders was dan Gaumata, de broeder van Oropastes. Haar oude vriend Boges was wederom overste der eunuchen, en had haar in het geheim der magiërs ingewijd. De opperpriester had den vrouwendespoot als bedelaar in de straten van Suza ontmoet, en hem zijne oude bediening teruggegeven met de woorden: »Wel hebt gij uw leven verbeurd; maar ik heb behoefte aan menschen van uw slag."--Ten slotte bad Phaedime haar vader alles in het werk te stellen, om den magiër, die haar met de grootste minachting bejegende, van den troon te stooten. Zij was, verzekerde ze, de ongelukkigste aller vrouwen.
Ofschoon geen der Achaemeniden ook slechts een oogenblik geloofd had, dat Bartja nog in leven was, en zich werkelijk van den troon had meester gemaakt, waren zij toch blijde, toen zij door Phaedime's tusschenkomst zulk een afdoende zekerheid betreffende den persoon des overweldigers verkregen. Zij besloten onmiddellijk met het overschot van het leger naar Nisaea te trekken, en den magiërs door list of geweld de kroon te ontrukken.
Nadat zij ongehinderd in de nieuwe residentie waren binnengetrokken, en gezien hadden dat het meerendeel der bevolking tevreden was met de verandering, die er in de regeering had plaats gehad, namen zij den schijn aan als geloofden zij, dat de nieuwe koning waarlijk de jongere zoon van Cyrus was, en als waren zij bereid hem hunne hulde te brengen. De magiërs lieten zich echter zoo gemakkelijk niet om den tuin leiden, hielden zich in hun paleis verborgen, verzamelden in de vlakte van Nisaja een leger, aan hetwelk zij hooge soldij beloofden, en zetten hunne bemoeiingen ijverig voort, om het geloof aan Bartja's bestaan te versterken. Niemand, die hen hierbij meer kon tegenwerken, of misschien van nut zijn, dan Prexaspes. Want deze stond bij alle Perzen hoog aangeschreven, en kon dus door te verzekeren, dat hij Bartja niet had vermoord, het meer en meer veld winnende gerucht betreffende diens dood ineens doen logenstraffen. Derhalve liet Oropastes den gezant, die sedert 's konings mededeeling door zijns gelijken gemeden werd en als een balling leefde, bij zich komen, en bood hem eene ontzaglijke som, indien hij een toren wilde bestijgen, en aan het in het voorhof vergaderde volk verklaren, dat lastertongen hem den moordenaar van Bartja hadden genoemd, terwijl hij zoo even met eigen oogen den nieuwen koning had gezien, en in hem den jongeren zoon van Cyrus, zijn vriend en weldoener, wedergevonden en herkend had. Prexaspes verklaarde zich hiertoe bereid, nam, terwijl zich het volk in het voorhof opeenhoopte, een teeder afscheid van de zijnen, zond bij het heilige vuuraltaar een kort gebed tot de goden op, en begaf zich dan met fieren tred en opgeheven hoofd naar het paleis. Op weg daarheen ontmoette hij de hoofden van de zeven stammen. Toen hij zag, dat zij voor hem uit den weg gingen, riep hij hun toe: »Ik verdien uwe verachting, maar ik zal beproeven uwe vergiffenis te verwerven!"
Toen Darius zich nog eens omkeerde, liep hij naar dezen toe, vatte zijne hand, en zeide: »Ik heb u als een zoon liefgehad. Als ik niet meer zijn zal, zorg gij dan voor mijne kinderen, en gebruik uwe wieken, gevleugelde Darius!"
Daarop beklom hij met trotsche houding den hoogen toren. De duizenden burgers uit Nisaea verstonden hem woord voor woord, toen hij, zijn stem zooveel hij kon uitzettende, het volgende sprak: »Gij allen weet, dat de koningen, die tot dusver roem en eer over u hebben gebracht, tot het geslacht der Achaemeniden behoorden. Cyrus regeerde over u als een billijk vader, Cambyzes als een streng gebieder, en Bartja zou u, als een bruidegom zijne bruid, hebben geleid, zoo hij niet door deze mijne eigene hand aan den oever der Roode Zee verslagen was geworden. Deze schandelijke daad, die ik, bij Mithra, met een bloedend hart pleegde, volbracht ik, als een gehoorzaam onderdaan, overeenkomstig het bevel van mijn heer en koning. Toch kon ik bij dag noch nacht rust vinden. Als het opgejaagde wild werd ik, vier jaren lang, door de geesten der duisternis, die den slaap van het leger eens moordenaars verdrijven, vervolgd en gemarteld. Thans echter heb ik het besluit genomen, dat leven vol angst en vertwijfeling met eene goede daad te besluiten. Zal ik ook aan de brug Chinvat [486] geene genade vinden, toch hoop ik mij bij de menschen den naam van een braaf man weder waardig te maken, dien ik eens verbeurde. Weet dan, dat hij, die zich voor den zoon van Cyrus uitgeeft, mij op dezen toren zond, en eene groote belooning toezeide, als ik u bedriegen wilde, en de verzekering voor u afleggen, dat hij Bartja, de Achaemenide, is. Ik lach met zijne beloften, en zweer hier met den duursten eed, dien ik ken, bij Mithra en de Feruers der koningen, dat hij, die thans over u heerscht, niemand anders is, dan de van zijne ooren beroofde Gaumata, de broeder van den opperpriester en stadhouder Oropastes, dien gij allen kent! Wilt gij den roem vergeten, dien gij aan de Achaemeniden te danken hebt, wilt gij niet alleen ondankbaar maar ook laf en laaghartig zijn, welnu, erkent dan die ellendelingen als uwe koningen. Maar verfoeit gij den leugen, en acht gij u zelven te edel, om nietswaardige bedriegers te gehoorzamen, verjaagt dan de magiërs, voordat Mithra den hemel verlaat, en roept den edelste der Achaemeniden, in wien gij een tweeden Cyrus zult wedervinden, roept dan Darius, den verheven zoon van Hystaspes, tot koning uit. Opdat gij echter geloof moogt hechten aan mijne woorden, en niet meenen, dat Darius mij hierheen heeft gezonden, om u voor hem te winnen, wil ik thans eene daad volbrengen, die aan allen twijfel een einde maken en bewijzen zal, dat mij de waarheid en de eer der Achaemeniden liever zijn dan mijn leven. Weest gezegend, als gij mijn raad volgt; weest vervloekt, als gij u niet op de magiërs wreekt, noch den schepter in de handen der Achaemeniden overlevert! Ziet, ik sterf als een waarheidlievend en braaf man!"
Nadat hij dit gezegd had, beklom de spreker den hoogsten top van den toren, stortte zich van boven neder en stierf, de eenige misdaad die hij ooit gepleegd had met een schoonen dood verzoenende.
Het volk, dat geen woord van zijne rede gemist had, en als het ware den adem had ingehouden, om hem goed te verstaan, barstte nu los in een geweldig gehuil van woede en wraak, verbrijzelde de deuren van het paleis, en stond gereed om met den kreet: »De dood aan de magiërs!" naar binnen te stuiven, toen de zeven stamhoofden der Perzen den woedenden hoop in den weg traden.
Zoodra de menigte hen bespeurde, klom hare geestdrift nog hooger, en riep zij nog onstuimiger: »Weg met de magiërs! Leve koning Darius!"
Door den volkshoop als in triomf voortgedragen, plaatste zich de zoon van Hystaspes thans op eene verhevenheid, en deelde van daar het volk mede, dat de magiërs zoo even, als leugenaars en roovers, door de handen der Achaemeniden den dood hadden ontvangen. Met nieuwe vreugdekreten werd dit bericht begroet. Nadat vervolgens de bloedende hoofden van Oropastes en Gaumata den volke vertoond waren, vloog de van woede en wraaklust uitgelaten menigte de straten door, iederen magiër doodende, dien zij meester kon worden. Alleen de nacht vermocht een einde te maken aan dat vreeselijke bloedbad [487]. Vier dagen later werd de zoon van Hystaspes, op grond van zijne geboorte en uitnemende hoedanigheden, door de hoofden der Achaemeniden tot koning gekozen, en als zoodanig door de Perzen met geestdrift begroet.
Darius had met eigen hand den magiër Gaumata gedood, op hetzelfde oogenblik dat Megabyzus, de vader van Zopyrus, den opperpriester doorboorde. Terwijl Prexaspes het volk toesprak, waren de zeven saamgezworene stamhoofden Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius, die zijn hoog bejaarden vader Hystaspes verving, door eene onbewaakte deur in het paleis gedrongen. Spoedig kwamen zij te weten, waar de magiërs zich ophielden, en waren dus, daar zij de inrichting van het slot kenden en de meeste wachters het toezicht moesten houden op het daar buiten naar de rede van Prexaspes luisterende volk, zonder oponthoud tot de vertrekken genaderd, waar de magiërs vertoefden. Hier beproefden eenige eunuchen, onder aanvoering van den ons welbekenden Boges, hun den weg te versperren; doch in weerwil van hun moedigen tegenstand werden zij allen gedood. Boges stierf door de hand van Darius, die hem dadelijk herkend had, en daarom met verdubbelde woede op hem was aangevallen. Verontrust door het gekerm der stervende eunuchen, waren de magiërs toegesneld, en ziende wat er gebeurde, hadden ook zij zich nog willen verweren. Oropastes rukte den nederzijgenden Boges de lans uit de hand, stiet Intaphernes een oog uit, en kwetste Aspatines aan het dijbeen, waarop een dolksteek van Megabyzus een einde aan zijn leven maakte. Gaumata was in een zijvertrek gevlucht, en wilde juist de deur dichtgrendelen, toen Darius en Gobryas naar binnen drongen. De laatste omvatte den magiër met zijne armen, wierp hem neder en belette hem, door zich op hem te werpen, van den grond op te staan. Besluiteloos stond Darius naast die beiden in het halfduistere vertrek, vreezende dat hij door toe te stooten ook Gobryas zou treffen. Deze bemerkte dit en riep: »Stoot toe, al moest gij ook ons beiden doorboren!" Darius gehoorzaamde, doch trof gelukkig alleen den magiër. Dit was het uiteinde van Oropastes, den opperpriester, en van den meer algemeen onder den naam van »pseudo" of »valschen Smerdis" bekenden Gaumata.
Ettelijke weken nadat Darius tot koning was uitgeroepen, waarbij hij, gelijk de Perzen verhaalden, door wonderbare goddelijke teekens en de list van een stalmeester [488] ondersteund was geworden, vierde de zoon van Hystaspes te Pasargadae een prachtig kronings- en een nog luisterrijker huwelijksfeest met de geliefde zijns harten, Atossa [489], de dochter van Cyrus. De door het lijden ontwikkelde en gerijpte jonge vrouw bleef, tot aan het einde van het werkzame en roemrijke leven van haar gemaal, zijne vurig beminde en hooggeachte gemalin. Gelijk Prexaspes had voorspeld, werd Darius een koning, wiens daden en werken hem den naam van »tweeden Cyrus" en van »den groote" ten volle waardig maakten.
Als veldheer even omzichtig als dapper, wist hij zijn onmetelijk rijk zoo uitmuntend in te deelen en te besturen, dat men hem in de kunst van te regeeren onder de grootste vorsten van alle landen en tijden moet rangschikken. Aan hem alleen hadden zijne zwakke opvolgers het te danken, dat zich dat kolossale Aziatische rijk, hetwelk uit zoovele landen bestond, nog twee eeuwen kon staande houden. Mild en vrijgevig met zijne eigene schatten, en hoogst zuinig als het die zijner onderdanen gold, wist hij waarlijk koninklijke geschenken te geven, zonder ooit meer te vorderen dan hem toekwam. In plaats van die willekeurige geldafpersingen, die onder de regeering van Cyrus en Cambyzes telkens wederkeerden, voerde hij een geregeld belastingstelsel in, en liet zich in het doorzetten van wat hij recht en billijk oordeelde door geene zwarigheden afschrikken. De bespotting van de zijde der Achaemeniden, die van niets wisten dan oorlog voeren, en hem dus om zijne zuiver financiëele bemoeiingen »kramer" noemden, deed hem geen haarbreed van den eenmaal ingeslagen weg afwijken. Het is voorwaar niet een zijner geringste verdiensten, dat hij door zijn geheele rijk, en aldus door de halve toen bekende wereld, een gelijk muntstelsel invoerde.
De zeden en godsdiensten der verschillende volken eerbiedigende, veroorloofde hij den Joden, toen het document van Cyrus waarvan Cambyzes niets had geweten, in het archief van Ekbatana was wedergevonden, met het bouwen van hun tempel voort te gaan. Den Ionischen steden vergunde hij hare gemeenten zelfstandig te besturen. En nooit zou hij er toe gekomen zijn, zijne legers tegen Griekenland te doen optrekken, als de Atheners hem niet beleedigd hadden.
In de staathuishoudkunde had hij, als in zoovele andere dingen, veel van de Egyptenaren geleerd. Vandaar dat hij dit volk eene bijzondere achting toedroeg en vele weldaden bewees. Zoo liet hij onder anderen, tot opbeuring van den Egyptischen handel, een kanaal graven, dat den Nijl met de Roode Zee verbond [490]. Gedurende zijne gansche regeering deed hij zijn uiterste best de hardheid, waarmede Cambyzes de Egyptenaren behandeld had, door zachtheid weder goed te maken, en nog op hoogen leeftijd hield hij zich gaarne onledig met het bestudeeren van de werken van dit wijze volk, welks zeden en godsdienst zoolang hij leefde door niemand ooit mocht worden aangerand. De grijze priester Neithotep, die eens zijn leermeester was geweest, mocht zich tot aan den dood in de gunst van dezen vorst verheugen, die zich niet zelden de sterrenkundige kennis van den ouden wijze ten nutte maakte.
De Egyptenaren erkenden ook van hunne zijde de goedheid van den nieuwen vorst, en noemden Darius, evenals hunne vroegere koningen, eene godheid [491]. Desniettemin vergaten zij op het einde zijner regeering de groote verplichtingen, die zij aan hem hadden, en beproefden, toegevende aan hun verlangen naar zelfstandigheid, het zachte juk van de schouders te werpen [492]. Hun edele vorst en beschermer mocht het einde van dezen strijd niet meer beleven. Xerxes, de opvolger en zoon van Darius en Atossa, was bestemd om de bewoners van het Nijldal tot eene meer slaafsche onderwerping terug te brengen, die juist daarom onmogelijk duurzaam kon zijn.
Als een waardig gedenkteeken zijner grootheid, liet Darius op den berg Rachmed bij Persepolis een heerlijk schoon paleis bouwen, welks puinhoopen thans nog de verbazing en bewondering der reizigers wekken. Zesduizend Egyptische bouwlieden, door Cambyzes indertijd naar Azië gevoerd, hielpen dit werk tot stand brengen, en ondersteunden de arbeiders, aan welke was opgedragen een koninklijk graf voor Darius en zijne nakomelingen aan te leggen. De moeilijk toegankelijke rotskamers dier begraafplaats hebben den tand des tijds getrotseerd, en strekken heden nog aan tallooze wilde duiven tot woning.
Op een gepolijsten wand van de rots van Bisitoen of Behistân, nabij welke plaats Darius eens het leven zijner Atossa had gered, liet hij de geschiedenis zijner daden uitbeitelen met zoogenaamd spijkerschrift in de Perzische, Medische en Assyrische taal. Het Assyrisch en Perzisch gedeelte dezer opschriften is thans met juistheid te lezen. Aldaar vindt men ook eene mededeeling van de in de laatste hoofdstukken geschetste gebeurtenissen, die vrij nauwkeurig overeenstemt met ons verhaal en met de berichten van Herodotus. Onder anderen wordt er gezegd: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik deed, geschiedde in allen deele door de genade van Aoeramazda. Nadat de koningen afvallig waren geworden, leverde ik negentien veldslagen. Door de genade van Aoeramazda versloeg ik hen. Negen koningen nam ik gevangen. Een van hen, Gaumata, een Mediër, loog, toen hij dus sprak: 'Ik ben Bardiya (Bartja), de zoon van Cyrus.' Deze maakte Perzië afvallig."
Verder vermeldt hij ook de namen der stamhoofden, die hem geholpen hadden bij het ten onder brengen der magiërs, en op eene andere plaats leest men: »Darius, de koning, spreekt: Dat, wat ik gedaan heb, dat heb ik in allen deele door de genade van Aoeramazda gedaan. Aoeramazda en de overige bestaande goden schonken mij hun bijstand, daarom, dat ik niet twistgierig, geen leugenaar, geen gewelddadig heerscher was, ik noch mijn geslacht. Wie mijne stamgenooten geholpen heeft, dien heb ik begunstigd; wie vijandig jegens ons was, dien heb ik streng gestraft. Gij, die na mij koning zult zijn, wees niet vriendschappelijk gezind jegens den man, die een leugenaar of een oproerling is, maar straf hem streng. Darius, de koning, spreekt: Gij, die later deze tafel zult zien, die ik geschreven heb, of deze teekens, vernietigt ze niet, maar bewaart ze zoolang gij leeft, enz."
Ten slotte blijft ons nog over te verhalen, dat Zopyrus, de zoon van Megabyzus, tot aan zijn dood de trouwste vriend van Darius bleef. Toen een hoveling den koning eens een granaatappel toonde en hem vroeg: »Welk geluk zoudt gij gaarne zoo veelvuldig bezitten als deze appel pitten bevat?" antwoordde Darius, zonder zich te bedenken: »Mijn Zopyrus!"
Deze wist de goedheid van zijn koninklijken vriend weerkeerig met vriendschap te vergelden. Toen Darius negen maanden lang vruchteloos Babylon had belegerd, dat zich na den dood van Cambyzes aan de Perzische heerschappij had ontworsteld, en reeds half en half besloten was het beleg op te breken, verscheen Zopyrus bloedende, zonder neus en ooren, voor den koning, en zeide, dat hij zichzelven dus verminkt had, om den Babyloniërs, die hem even goed kenden als hij hunne dochteren, wie hij zoo dikwerf het hof had gemaakt, eene poets te spelen. Hij zou de overmoedige bevolking diets maken, dat Darius hem alzoo had doen mishandelen, en hunne hulp inroepen om wraak te nemen op den koning. Zij zouden hem dan troepen verschaffen, waarmede hij, om zich het vertrouwen der burgers te verwerven, eenige gelukkige uitvallen zou doen. Dan zou hij de sleutels der stad in handen zien te krijgen, en voor zijne vrienden de Semiramis-poort openen. Deze op schertsenden toon uitgesproken woorden, en het verminkte gelaat van zijn vroeger zoo schoonen vriend, deden den koning zoozeer aan, dat hij tranen stortte. Maar toen de door geweld onneembare vesting voor de list van Zopyrus inderdaad bezweken was, riep hij: »Honderd Babels zou ik willen geven, als mijn Zopyrus zich niet zoo verminkt had!"--Daarop benoemde hij zijn vriend tot heer en meester van de reuzenstad, schonk hem al de inkomsten er van en vereerde hem jaarlijks de kostbaarste geschenken. In later tijd zeide hij meermalen, dat buiten Cyrus, met wien geen sterveling vergeleken kon worden, niemand ooit zulk eene edele daad had volbracht als Zopyrus.
Weinige vorsten hebben op zulke edele vrienden kunnen wijzen als Darius, daar weinigen als hij den plicht der dankbaarheid in beoefening wisten te brengen. Toen Syloson, de broeder van den vermoorden Polycrates, op zekeren dag te Susa kwam, en den koning er aan herinnerde, wat hij eens voor hem gedaan had, ontving Darius hem als zijn vriend, stelde schepen en soldaten te zijner beschikking, en hielp hem de Samiërs onder zijne heerschappij terug te brengen. De eilanders verweerden zich met den moed der wanhoop tegen de vreemde krijgsbenden van den nieuwen tyran, en erkenden, toen zij zich ten laatste overwonnen moesten verklaren, dat zij hunne onderwerping aan de vriendschap van Darius voor Syloson hadden te wijten.
Rhodopis beleefde nog, dat Hipparchus door Harmodius en Aristogiton vermoord werd en den val van zijn broeder Hippias, de tyrannen van Athene, en stierf eindelijk met vast vertrouwen op de hooge bestemming der Hellenen, in de armen van hare beste vrienden, Theopompus den Milesiër en Kallias den Athener. Geheel Naucratis beweende den dood dezer edele vrouw. Kallias zond een bode naar Susa, om den koning en Sappho bericht te geven van het afsterven zijner vriendin. Weinige maanden later ontving de satraap van Egypte den volgenden brief van de hand van Darius:
»Overmits wij de, onlangs te Naucratis gestorvene Helleensche
vrouw Rhodopis gekend en gehoogacht hebben,--overmits hare
kleindochter, als weduwe van een rechtmatigen kroonprins van
het Perzische rijk, op den huidigen dag nog de eere eener
koningin geniet,--overmits ik eindelijk de achterkleindochter
der overledene, Parmys, de dochter van Bartja en Sappho,
kortelings tot mijne derde echte gemalin heb verheven, schijnt
het mij recht en billijk toe, dat wij het stoffelijke overschot
van de grootmoeder van twee aanzienlijke vorstinnen koninklijke
eere doen genieten. Daarom beveel ik u de assche van Rhodopis,
die wij altijd voor de grootste en voortreffelijkste aller
vrouwen hebben gehouden, in de grootste en prachtigste
aller begraafplaatsen, namelijk in eene der pyramiden, met
vorstelijken luister te doen bijzetten. In nevensgaande
kostbare urn, die Sappho zelve zendt, moet de assche der
overledene worden verzameld.
Gedaan in het
nieuwe rijkspaleis te Persepolis,
Darius, zoon van Hystaspes,
koning.
AANTEEKENINGEN
[1] Naar de stad Canobus, niet ver van het tegenwoordige Rosette gelegen.
[2] Van welke schepen de Egyptenaars zich bedienden, kan men o.a. zien bij Dümichen, Die Flotte einer Egyptischen Königin. De oude gedenkteekenen doen ons duidelijk opmerken, welke vorderingen zij langzamerhand in den scheepsbouw hebben gemaakt. Reeds op monumenten uit den pyramidentijd vinden wij afbeeldingen van scheepstimmerwerven, en in het museum te Leiden scheepsmodellen. Vgl. verder: Ebers, Cicerone durch das alte und neue Aegypten en A. Erman, Aegypten und ägyptisches Leben im Altertum.
[3] Een lichte zomermantel van zeer fijne stof, die elegante Atheners gewoon waren te dragen. De Dorische Grieken, met name de Spartanen, droegen een eenvoudigen mantel (himation).
[4] Deze stad lag in de zoogenaamde Delta, in de Saïtische provincie, aan den linkeroever van den Canobischen Nijlarm. Zij werd omstreeks 749 v. Chr. door Milesiërs gesticht. Door de zorg van de Egypt. Exploration Fund werden in den jongsten tijd hare grondslagen teruggevonden. In de nabijheid van deze bloeiende handelstad koos Alexander de Groote later de plek tot stichting van Alexandrië.
[5] Wij zijn in October, wanneer de rivier reeds begint te dalen. Vgl. Ebers' Warda (vert.) Dl. I, blz. 169.
[6] Spartanen droegen geen knevels.
[7] Gelijk de Grieken hunne gastmalen door muziek opluisterden, zoo vinden wij ook op de oud-Egyptische afbeeldingen bij de maaltijden vrouwen, blazende op dubbele fluiten, blinde harpspelers, enz.
[8] Alkman (Alkmaeon) leefde in Sparta omstreeks 650. Om de vele door hem vervaardigde maagdenkoren (Partheniën), om zijne lofliederen op de vrouwen, en om de vriendschappelijke betrekkingen, waarin hij tot vele Spartaansche vrouwen stond, zou hij den Lacedaemonischen "vrouwenvereerder" genoemd kunnen worden. Zijne liederen waren ook in Egypte bekend, blijkens enkele die men op een papyrus heeft gevonden.
[9] Meer bekend onder hare Romeinsche naam Gratiën (Aglaja, Thalia, Euphrosyne).
[10] De beste afbeeldingen zijn in de graven van Tel el Amarna (18e dynastie) gevonden. Ze worden ook aangetroffen in de graven van de doodenstad van Thebe, bijv. in het door Ebers ontdekte graf van Amen em heb, die een groot liefhebber van bloemen was. Vgl. Lepsius. Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien.
[11] Aan den ingang van Egyptische landhuizen stonden gewoonlijk obelisken, waarop de namen van de eigenaars te lezen waren. Vanen of wimpels komen bijna uitsluitend bij tempelpoorten voor, en men kan nog de sporen der krammen zien, waar eens de vlaggestok werd ingestoken. Uit opschriften blijkt, dat men had opgemerkt, hoe de masten, die bij de pylonen (poorten) voor het hijschen van wimpels soms werden opgericht, ook als bliksemafleiders dienst deden. De vanen waren ook aan de Grieken niet onbekend.
[12] Schikgodinnen.
[13] De hoofdmaaltijd, het "deipnon," werd door de Atheners eerst laat in den avond gebruikt.
[14] Men kan de Grieksche hetaeren niet met onze lichte vrouwen vergelijken. De beste onder hen hebben door vernuft en beschaving uitgemunt. Men denke aan Aspasia. In de publieke opinie stonden zij geenszins laag aangeschreven. Vgl. Becker, Charikles II, 51-69.
[15] Volgens Xenophanes, zijn tijdgenoot, werd hij 154, volgens Plinius 299 jaren oud. In 576 was hij te Sparta.
[16] Zoo werd de Nijl oudtijds, bijv. in de gedichten van Homerus, door de Grieken genoemd.
[17] Een geboren Samiër van adellijke familie.
[18] De bekende fabeldichter vertoefde werkelijk voor zijne vrijlating tegelijk met Rhodopis bij Jadmon.
[19] Een slaaf, die met de opvoeding der kinderen was belast, en zich in den regel door fijnere beschaving onderscheidde. Hij vergezelde de knapen overal, ook als ze naar de scholen gingen.
[20] Volgens Herodotus was Rhodopis zoo schoon, dat iedere Helleen haar naam kende.
[21] Een der voortreffelijkste lierdichters der oudheid. Zijne liederen getuigen van een vurigen geest en zijn onberispelijk van vorm. Het lijdt geen twijfel of hij heeft zich met Charaxus ook te Naucratis opgehouden. Vgl. over hem en andere hier genoemde Grieksche dichters: enz. J. C. Spakler en J. Heemskerk. Handl. tot de studie der oudheid, en W. Wägner, Hellas, vert. door J. C. van Deventer.
[22] Dichteres, bekend door hare ongelukkige liefde voor Phaon. J. van Lennep koos deze legende tot onderwerp voor een zangspel. Grillparzer, voor een drama. Van haar zijn maar twee volledige oden en eenige fragmenten bewaard gebleven.
[23] Aldus genoemd in het O. Test. Bij de Grieken heet hij Apriës en Uaphris; op zijn naamschild in hiëroglyphen Uah-ph-ra-het. Hij behoorde tot de 26e dynastie en regeerde van 588-569.
[24] Hij heet op de naamschilden (cartouches) Aahmes, d.i. jonge maan. Zijn bijnaam was Se-Net, d. i. zoon van Neith. Zijn naam vindt men o. a. op een monoliet-tempeltje van rood graniet in het museum te Leiden.
[25] Een bekend spreekwoord der oudheid, ontleend aan de gevaarlijke rots en draaikolk in de zeeëngte tusschen Italië en Sicilië.
[26] Ongerijmd voor zooverre men oordeelde naar de uiterlijke vormen. De wijsheid der Egyptische priesters werd echter door de Grieken zeer gewaardeerd. De Nieuw-Platonische wijsgeeren hebben daaraan veel ontleend.
[27] Het tegenwoordige Marseille, omstreeks 600 v. Chr. door Phocaeërs gesticht.
[28] In Egypte bestond een strenge politie. Amasis zou zich ten opzichte van hare organisatie zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Men nam in dit corps bij voorkeur vreemdelingen op, gelijk uit talrijke opschriften en papyrussen blijkt.
[29] Kort vóor het tijdperk, waarin deze geschiedenis aanvangt, hadden Pisistratus van Athene, Polycrates van Samos en Lygdamis van Naxos de heerschappij van den adel doen vallen, en zich meester gemaakt van het bestuur.
[30] Vgl. Becker, Charikles, I, Pl. 1, bl. 166-205.
[31] Over de beroemde plastische kunst der Aegineten kan men oordeelen naar de groepen uit den gevel van den Athene-tempel op Aegina, door Thorwaldsen gerestaureerd en naar de glyptotheek te Munchen overgebracht. Afgietsels vindt men op het museum te Leiden.
[32] Eene houtsoort afkomstig uit de oase van Jupiter-Amon in de Libysche woestijn. Het was zoo kostbaar, dat Cicero ongeveer 96,000 gulden betaalde voor eene tafel van dit hout. Egyptische stoelen vindt men in de musea te Leiden.
[33] Eene soort van cither.
[34] Olie geperst uit de vruchten van den wonderboom (ricinus communis). De Egyptenaars noemden de olie, die zij gebruikten om te branden, en zich te zalven, en misschien ook den boom "kiki."
[35] Reeds Salomo liet wagens en paarden in Egypte koopen. (1 Kon. X, 28 v.); een paard kostte ongeveer 135, een wagen 540 gulden. Paarden en wagens komen op Egyptische monumenten veelvuldig voor.
[36] Naam der priesteres te Delphi, die het orakel uitsprak.
[37] beroemde Grieksche wijsgeeren. Vgl. Spakler en Heemskerk, en Wägner.
[38] Men herinnere zich Schillers lied. "Die Kraniche des Ibycus."
[39] Stad in Beneden-Italië, berucht wegens hare weelderige levenswijze. Een zwelger, een lekkerbek werd daarom een Sybariet genoemd.
[40] Het onderkleed, een soort van hemd.
[41] Een bijnaam, dien men Apollo gaf, om zijne dubbelzinnige duistere orakelspreuken.
[42] In den regel had iedere gast zijn eigen tafeltje. Xenophanes die ongeveer in dezen tijd leefde, geeft eene beschrijving van een gastmaal, waarin eene tafel voorkomt, die hier tot model heeft gediend.
[43] Sicilië. Deze kaas werd voor een bijzondere lekkernij gehouden.
[44] De Grieken dronken altijd wijn met water, gewoonlijk in de verhouding van 2/5 tot 3/5. Het drinken van onvermengden wijn, behalve als geneesmiddel, was door Solon en Zaleucus streng verboden.
[45] De Egyptenaars wisten evenals de Grieken keurige bekers en drinkschalen te vervaardigen, hetzij van metaal, hetzij van fijne kleiaarde met glazuur, zelden van glas. Zij komen in verschillende vormen voor, bijv. van bloemen, van zoogdier- of vogelkoppen. In de musea van Londen, Parijs, Berlijn, Turijn, alsmede te Leiden worden er vele bewaard.
[46] De vrouwen zaten aan tafel, meestal op een stoel met eene hooge steile rug en armleuningen. In den regel koos men door het lot iemand, die het gastmaal leidde (symposiarch). Hier was Rhodopis zelve de aangewezen persoon. Een slaaf des huizes had het toezicht over de andere bedienden, voor een deel door de gasten medegebracht.
[47] Het drama was nog in zijne kindsheid. Thespis zou het eerst aan de reizangers bij de Bacchus-feesten den vorm van een drama hebben gegeven, door een gemaskerd persoon daarbij ten tooneele te voeren.
[48] Naam der Spartaansche slaven.
[49] Het symposium begon na den eigenlijken maaltijd. Gewoonlijk werden ook nu eerst de hoofden bekransd, en wiesch men de handen met een soort van zeep (smegma).
[50] Een Egyptenaar, die in schulden zat, kon de mummiën zijner voorvaderen verpanden. Vgl. Ebers, Warda, Dl. I. Hoofdst. II.
[51] Memphis, waarvan de overblijfselen bij het dorp Mitrahenneh zijn weergevonden, zou door Menes, volgens oude getuigenissen de eerste koning van Egypte, aan den linkeroever van den Nijl gesticht, en door kanalen en dammen tegen de overstrooming beveiligd zijn. Menes' zoon en opvolger zou het paleis van Memphis hebben gebouwd. Hier stond eens de tempel van den god Serapis (Serapeum), waarin de heilige stieren (Apis) werden begraven, en een tempel van Ptah, en in later tijd het kolossale standbeeld van Ramses II. De doodenstad (de pyramiden) is het best bewaard gebleven. Mariëtte, een Fransch geleerde in dienst van den onderkoning van Egypte, heeft zich door talrijke uitgravingen en ontdekkingen voor de kennis van dezen ouden zetel der pharaonen hoogst verdienstelijk gemaakt.
[52] De Psametichus der Grieken, de eerste koning uit de 26ste of Saïtische dynastie, die Egypte opende voor het verkeer met het buitenland. Uit de opschriften op de Apis-graven weten wij, dat hij den 5den Febr. 664 den troon besteeg.
[53] De kat werd van alle dieren door de Egyptenaren voor het heiligste gehouden en overál vereerd. Wie zulk een dier van kant had gemaakt, werd zonder genade ter dood veroordeeld, of wel door het woedend gepeupel op staanden voet omgebracht. De lijken dezer dieren werden zorgvuldig gebalsemd, en kattenmummiën vindt men in alle musea, o.a. te Leiden. Toch was er aan muizen geen gebrek. De papyrus-Ebers behelst middelen tegen de muizen. Een papyrus te Turin vertoont een katten- en muizenoorlog.
[54] Bubastis was eene stad in Neder-Egypte, gelegen nabij Saqaziq, thans Tell Bastah geheeten. De godin Pacht had hier haar voornaamste heiligdom. Vele katten-mummiën werden daarheen gebracht. Men schijnt Pacht ook vereerd te hebben als de beschermgodin van de geboorte en de kraamvrouwen.
[55] Mus, een eigennaam bij de Grieken zeer in gebruik, beteekent: muis.
[56] Hathor was bij de Egyptenaars de godin der liefde. Zij was eene der voornaamste godheden, en had haar grooten tempel in de doodenstad van Thebe (Ebers, Warda, Dl I, Hoofdst. XIV.) Zij is de hemelsche moeder, die de moeders op aarde ter zijde staat, de geefster aller zegeningen. Men beeldde haar af met een koekop, want de koe was haar heilig dier, de zonneschijf tusschen de hoornen dragende. Zij heet de moeder van den God Horus. De godin Isis is Hathor in bovenzinnelijke vorm. Hathor was de lievelingsgodin der koninklijke vrouwen.
[57] Een der beroemdste gebouwen van oud-Egypte, dat reeds dagteekende van den vroegsten tijd, en door latere koningen telkens werd uitgebreid en verfraaid. Ramses II richtte er standbeelden op voor zich, zijne gemalin en twee zijner kinderen. Beelden, die Amasis er deed plaatsen, lagen in den tijd van Herodotus reeds omver.
[58] Het bestond uit dertig rechters, namelijk tien uit Memphis, en even zooveel uit Heliopolis en Thebe. De voortreffelijkste werd tot voorzitter gekozen. Klachten en verdedigingen moesten schriftelijk worden ingebracht, opdat men door woord en gebaren geen invloed op de rechters zou oefenen.
[59] Volgens de Egyptische wet was hij, die van een misdrijf kennis had gedragen, even schuldig als de dader.
[60] Aanvoerder eener taxis of hoofdman eener compagnie.
[61] Amasis had met goed gevolg een oorlog tegen Cyprus gevoerd.
[62] Stad in het westen van Neder-Egypte. Vandaar kwam een van de beste Egyptische wijnen. Op de gedenkteekenen komen ook nog verschillende andere roode en witte wijnsoorten voor, o. a. van Kakem.
[63] Oostelijke haven van Corinthe.
[64] De Noordenwind.
[65] Reeds in de oudheid bestond de gewoonte, om zijne vrienden van eene reis kleine geschenken mede te brengen. Theocritus bracht voor de vrouw van Nicias een elpenbeenen spinrokken mede, dat hij haar zond met eenige dichtregelen, die door F. Rückert vertaald zijn. Ook de Egyptenaars droegen armbanden in den vorm van slangen.
[66] Cimon liet voor deze paarden, waarmede hij driemaal overwon, nabij Athene een gedenkteeken oprichten.
[67] Zij beroemden zich af te stammen van Ajax, gelijk de Alkmaeoniden van Nestor, beide helden uit de gedichten van Homerus, Miltiades en Cimon behoorden tot de Philaïden.
[68] Zij, die bij de Eleusinische mysteriën fakkels mochten dragen, welk recht in Kallias' familie erfelijk was.
[69] Deze overwon drie Olympiaden later met zijne vier hengsten. Phönix, Korax, Samos en Knakias, waarvoor hij gedenkteekenen liet oprichten.
[70] Spanje. Rhoda lag in het tegenwoordige Catalonië, Tartessus in Andalusië.
[71] De Zwarte zee.
[72] Ongelooflijke wonderen werden van hem verhaald. Zevenmaal overwon hij te Olympia, negenmaal te Nemea, zesmaal bij de Pythische, tienmaal bij de Isthmische spelen.
[73] Aan gehuwde vrouwen was het op doodstraf verboden bij de spelen tegenwoordig te zijn.
[74] Karthagers.
[75] Een offer van honderd ossen, een feestoffer.
[76] Het heilige plataan- en olijvenwoud, dat, door een muur afgesloten, tusschen den Alphaeus en de beek Cladeus lag. Op de plaats van het oude Olympia zijn, op kosten der Duitsche regeering, uitgravingen gedaan en belangrijke kunstschatten gevonden.
[77] De ruimte waarin de wedstrijden plaats hadden.
[78] Spartaansche bakers waren door geheel Griekenland beroemd.
[79] Stad nabij Olympia. Het lot bepaalde welke kampvechters tegen elkaar zouden optreden, wanneer gebleken was, dat zij vrijgeborenen waren, en dat er op hun leven niets viel aan te merken.
[80] Titel van den persoon, aan wien in Sparta het toezicht over de opvoeding was toevertrouwd.
[81] Hij was uit Croton afkomstig. Na de Pisistratiden, Polycrates en aan het Perzische hof gediend te hebben, keerde hij aldaar terug en huwde de dochter van Milon.
[82] Volgens de wetten van het kampgevecht, had de overwinnaar, wiens tegenpartij stierf, geen aanspraak op den prijs.
[83] Hij overwon in het vuistgevecht, in de 59ste Olympiade.
[84] Oorspronkelijk aangesteld om de koningen te vervangen gedurende den Messenischen krijg, had de adel zich van deze staatsbetrekking bediend, om tegenover de macht der vorsten eene andere te stellen. Als hoogste rechterlijke beambten, die tegelijk het toezicht hadden over de opvoeding en eene zedelijke politie uitoefenden, wisten zij zich in vele aangelegenheden zelfs boven het koningschap te plaatsen.
[85] De Grieken lieten zich gewoonlijk door hunne slaven naar de gastmalen begeleiden.
[86] De bedden der oudheid waren van hout, brons of elpenbeen, soms ook gemetseld in den vorm van eene 7-8 voet lange en 2-2 1/2 voet hooge trede, waarvan de voorrand een weinig was verhoogd. De matrassen en lakens werden daarop gelegd.
[87] De Grieken droegen niet zelden amuletten, om zich te beveiligen tegen gevaren of voortdurende gezondheid te genieten. Nog menigvuldiger komen zij bij de Egyptenaren voor, niet alleen om het kwaad van de levenden, maar ook van de zielen der dooden af te wenden.
[88] Hij was de eerste Grieksche denker, die zich "philosophos", vriend der wijsheid noemde en is zeker in Amasis' tijd in Egypte geweest.
[89] Halicarnassus lag aan de zuidwest-kust van Klein-Azië, thans Bodru. De opgravingen van Newton en Pullans, in 1850 aangevangen, hebben hier de prachtigste overblijfselen van Grieksche kunst, o. a. het graf van koning Mausolos, aan het licht gebracht. Ofschoon Herodotus getuigt, dat Phanes uit deze stad afkomstig was, heeft Ebers dezen tot een Athener gemaakt, omdat hij in den persoon van Phanes opzettelijk een Joniër handelend wilde doen optreden.
[90] Edelman.
[91] Het meest westelijke der drie schiereilanden van Macedonië.
[92] Zij werden om de vier jaren te Delphi gevierd, ter eere van Apollo, den Python-dooder.
[93] Hades (Pluto), de god der onderwereld.
[94] Miltiades was door dezen volksstam, die den Thracischen Chersonesus (het schiereiland Gallipoli) bewoonde, tot koning uitgeroepen, omdat hij hunne naar Delphi trekkende gezanten had geherbergd.
[95] Zoo heet hij op koningsschilden, te Karnak en op het eiland Philae gevonden. De Grieken noemden hem Psammetichos of Psamenitos.
[96] Zoo komen zij voor op verschillende gedenkteekenen. Desgelijks vindt men Isis en Hathor met het Horus-kind afgebeeld. Deze laatsten schijnen tot model gediend te hebben van de oudste voorstellingen van Maria met het Christus-kind.
[97] Zulke stokken zijn bijna in alle musea aanwezig, ook te Leiden. Te Thebe moet men er gevonden hebben van kersenhout, hetgeen dubbel merkwaardig zou zijn, daar kerse- en pruimeboomen thans in Egypte niet meer worden gekweekt.
[98] Zulk een amulet stelde Ma voor, de godin der waarheid, die een struisveder op het hoofd droeg. Zij werd ook afgebeeld met geslotene oogen. De gansche priesterklasse of orde der Pterophoren droeg struisvederen. Ook andere hoogere priesterorden sierden zich daarmede het hoofd.
[99] De pharao werd altijd begeleid door personen met zulke staven in de hand. "Waaierdragers" was de gewone titel der hofbeambten.
[100] In het Berlijnsch museum is zulk eene pruik aanwezig, waarvan de krullen 2 voet 6 duim lang zijn. Het dragen van dit hoofddeksel, dat den schedel voor de felle zonnestralen en de plotseling invallende avondkoelte moest beschutten, had zijn oorsprong zeker te danken aan het godsdienstig voorschrift om de haren te laten afscheren.
[101] "Uw zeil was van gestikte zijde uit Egypte." (Ezechiël 27 vs. 7).
[102] De Egyptenaars mochten geen zwijnenvleesch eten. In een graf te Abd-el-Qoernah kan men dit verbod lezen. Het zwijn werd voor een onrein dier gehouden. De god Typhon (Seth) had de gedaante van een zwijn aangenomen. Zwijnenhoeders werden diep veracht. Alleen bij het feest van Osiris en de Eileithyia werd zwijnenvleesch geofferd. Waarschijnlijk is het Mozaïsch verbod aan de Egyptische voorschriften ontleend.
[103] Naar eene afbeelding in het museum te Berlijn. Alle aanzienlijke Egyptenaars bezaten meer of minder kostbare Nijlbarken. Op een graf uit den pyramiden-tijd vinden wij reeds gewag gemaakt van een hoofdopzichter over deze talrijke schepen. In het Leidsch museum zijn modellen van Egyptische vaartuigen.
[104] Meer bekend onder den naam Smerdis, zooals de Grieken hem noemden, men weet niet zeker waarom. Op de opschriften in spijkerschrift van Bisitoen of Behistân heet hij Bartja of Bardiya, Babylonisch Barzia.
[105] De kleuren van het Perzische koningshuis.
[106] Deze beschrijving van de Perzische kleederdracht is ontleend aan Aeschylus, Xenophon, Curtius, het boek Esther en een te Pompeji gevonden mozaïek, den slag bij Issus voorstellende, waarschijnlijk afkomstig van eene Egyptische schilderes Helena, dochter van Timon.
[107] Om deze laarzen noemde het orakel Cresus "weekvoetig."
[108] De Grieken vereenzelvigden hun boozen god Typhon met dien der Egyptenaars, Seth.
[109] Zoo noemden de Egyptenaars zelve hun land, naar de donkere kleur van den bodem.
[110] De Persen hadden werkelijk onder de Achaemeniden geene tempels, alleen altaren. Wat de dooden aangaat, het onreine lijk mocht noch de reine aarde bezoedelen, noch aan het reine vuur of het reine water worden overgegeven. Men legde dus dakhma's of begraafplaatsen aan, die ten minste vier duim dik met cement bepleisterd en met touwen omgeven moesten zijn. Dit beteekende, dat het geheele gebouw in de vrije lucht hing.
[111] Dat een vreemde volksstam van dezen naam, over welks herkomst verschil van gevoelen bestaat, werkelijk meer dan 400 jaren over het grootste gedeelte van Egypte heeft geheerscht, is uit monumenten en papyrussen gebleken. Zij drongen de wettige koningen naar het Zuiden terug. Hunne verdrijving, omstreeks 1600 v. Chr., had plaats onder den laatsten koning van de 17de dynastie en den eersten van de 18de. De vreemde indringers, die niet met de Joden verward mogen worden, werden den aat-u, geesels, pestmenschen genoemd.--De Ethiopiërs voerden later onder drie koningen heerschappij over Egypte, waarvan Taharka (Tirhaka) de laatste was. Zij werden in 693 teruggedreven.
[112] Onder het gevolg van Darius, dat Alexander de Groote gevangen nam, waren 277 koks, 29 keukenjongens, 17 kuipers, 70 hofmeesters, 40 zalfbereiders en 66 kransenvlechters.
[113] Het portret van Amasis als jongeling wordt in de werken van Rosellini en Lepsius gevonden. Uit de trekken blijkt, dat Herodotus het karakter van dezen vorst goed geteekend heeft.
[114] Titel van Amasis. Alle andere pharao's voerden dergelijke bijnamen en werden als goden vereerd, gelijk uit ontelbare hiëroglyphische opschriften is gebleken. In de 26e dynastie komt de titel Neb-pehti, heer van den krijgsroem, meermalen voor.
[115] Ra, met het mannelijk artikel Phra, was het middelpunt van den Egyptischen zonnedienst. Hij werd inzonderheid te Heliopolis (Hebr. On. Egypt. An) vereerd. Hij komt op de gedenkteekenen voor met eene roode kleur. De sperwer was hem geheiligd. Aan hem zijn de meeste hymnen en gebeden gericht, en in het Doodenboek speelt hij de hoofdrol. Plato, Eudoxus en waarschijnlijk ook Pythagoras hebben aan de voeten zijner priesters gezeten. De obelisken, volgens Plinius afbeeldingen van de zonnestralen, waren hem geheiligd. Als lichtgod bestuurde hij de zichtbare schepping, gelijk Osiris de geestenwereld. Ra was de openbaring van Osiris, gelijk deze weder de ziel van Ra. Als Ra treedt Osiris elken morgen zichtbaar te voorschijn, om 's avonds tot zijn eigenlijk rijk terug te keeren. De Osiris-, Isis- en Horus-mythe gaf aan deze voorstelling een allegorisch-dramatischen vorm. (Vgl. Ebers, Warda, Dl. I, bl. 115. v.). Tot zijn dienst behoorde de phoenix (Bennoe), die om de 500 jaren uit het palmenland (oost-Phoenicië) kwam, om zich in den tempel te Heliopolis te verbranden en uit zijn asch te verrijzen. Zoo vernieuwden ook die tijdperken zich eeuwig. Het zesmaal terugkeeren van dit tijdperk bepaalde den tijd, dien eene ziel noodig had, om geheel gelouterd uit hare omzwerving terug te keeren.
[116] Grieksche berichtgevers niet alleen, maar ook de monumenten kunnen dit getuigen. In sommige kamers heeft men de opschriften gevonden in een toestand, die duidelijk bewees, dat ze opzettelijk vernield waren. In de groote pyramide van Choefoe (Cheops), die het volk met geweld had gedwongen aan zijn reusachtig graf te bouwen, ja, de tempels had doen sluiten, opdat de godsdienst den arbeid niet vertragen zou, vond men eene ledige en vernielde sarkophaag.
[117] Elke menschelijke ziel werd beschouwd als een deel der wereldziel, Osiris, waarmede hij zich na den dood des lichaams weder vereenigde, om dan Osiris genaamd te worden. De Egyptische kosmos bestaat uit hemel, aarde en onderwereld. Op den oceaan, die het hemelgewelf omgeeft, vaart de zonnegod in een schuit, getrokken door sterren en planeten. De goden wonen daarboven in eeuwige rust. De mensch nu behoort, wat zijn ziel aangaat, tot den hemel, zijn lichaam tot de aarde, zijne gedaante of schim tot de onderwereld. Bij zijn dood worden deze tijdelijk vereenigde deelen gescheiden, om tot die drie rijken weder te keeren. Het was een der voornaamste voorschriften in de Egyptische godsdienstleer, dat het lichaam zoowel voor bederf als voor vernieling bewaard moest worden. Misschien hebben de priesters, bij het opstellen van deze verordening, ook wel de gezondheid op het oog gehad. Daarbij stelde men zich voor, dat de ziel nog gedurende een grooten cyclus van zonnejaren aan het lichaam gebonden was, dat zij ook naar welgevallen verlaten kon, om zich in allerlei andere gedaanten aan de menschen te vertoonen.
[118] De door Ebers uitgegeven medische papyrus, die over het genezen aller lichaamsdeelen handelt, heeft een aantal allermerkwaardigste bijzonderheden omtrent de geneeskunst, de dokters en de geneesmiddelen bij de Egyptenaars aan het licht gebracht.
[119] De Egyptische zuilen stellen meestal palmen voor, gekroond door bloemen of het zaadomhulsel van de lotusplant, wanneer men ten minste de kapiteelen niet versierde met het gelaat van goden, zooals te Dendera. Ook komen dikwijls zuilen voor in den vorm van papyrus-schachten.
[120] Volgens Herodotus zouden tweeduizend sterke schippers drie jaren bezig zijn geweest, om dit gevaarte uit de steengroeven van Syëne naar Saïs te brengen.
[121] Het tafereel van dit gezelschap is ontleend aan muurschilderingen die Lepsius, Wilkinson, Rosellini e. a. in hunne werken hebben afgebeeld, en gevonden worden in de rotsgraven van rijke Egyptenaars, vooral in de Nekropolis van Thebe. Als de naastbestaanden van den overledene in de grafkamers zich vereenigden om te offeren, dan brachten die muurschilderingen hun het leven van den afgestorvene weder voor den geest, met zijne werkzaamheden, bezittingen, uitspanningen, enz.
[122] De gewoonte om de oogleden te verven, bestaat in Egypte nog. Men bezigt daartoe vooral het sap van de henna-plant. Het Arabische spiesglas, dat zij "mestem" noemden, komt op de monumenten en ook in den papyrus-Ebers voor.
[123] Deze gemalin van Amasis moet volgens haar naamschild Sebaste hebben geheeten. Deze naam zou Egyptisch kunnen zijn, en dan beteekenen: dochter der godin Bast. Maar waarschijnlijk is het een Grieksche bijnaam, beteekenende: "de geëerde, de aangebedene."
[124] Vgl. Ebers' Warda, Dl. I, bl. 60. In het museum te Leiden wordt zulk een koninklijk hoofdsieraad bewaard.
[125] Anchnas, de weduwe van Psamtik II, schijnt Amasis' eerste vrouw geweest te zijn.
[126] Egyptische vrouwen werden in de oudheid juist niet voor schoon gehouden, hoewel Euripides spreekt van de schoone meisjes aan de oevers van den Nijl. Onder de portretten der koninginnen en prinsessen zijn inderdaad lieve gezichtjes, en ook bij de uitgravingen van Saqqara heeft men proeven gevonden van zeer fijne gelaatstrekken. Er werden in Egypte ook blondine's gevonden. Op de gedenkteekenen hebben de vrouwen meest eene lichtgele huidkleur. Onder de Koptische vrouwen, die men voor afstammelingen mag houden van de oude Egyptenaars, munten vele door schoonheid uit.
[127] Afbeeldingen van danseressen en muzikanten vindt men in de werken van Wilkinson e. a., muziekinstrumenten in de musea, o. a. ook te Leiden. De zingende danseressen, zooals men in Egypte nog vindt (Ghawasi), droegen den naam van Achennoe en schijnen tot het personeel van aanzienlijke heeren gehoord te hebben. Voorname familiën hadden hunne huiszangers; een hunner ziet men afgebeeld in het graf van Neferhotep te Abd-el-Qoernah, waarbij een zijner niet onverdienstelijke liederen te lezen staat.
[128] Op de monumenten zijn zoowel beschonken mannen als vrouwen afgebeeld. Bijv. een man wordt, bijwijze van een balk, door drie slaven op hun hoofd naar huis gedragen; een ander staat op zijn hoofd; sommige dames zijn door het overtollig gebruik van wijn onpasselijk geworden. Bij het groote Techoe-feest te Dendera schijnt de roes tot het feestprogram te hebben behoord. Toch werd de dronkenschap veroordeeld en vaak gestraft. In den papyrus-Anastasi IV wordt van den dronkaard gezegd: "Gij zijt een tempel zonder godheid, een huis zonder brood."
[129] Zulke beeldjes zijn er velen gevonden. De Grieken te Alexandrië namen later deze gewoonte over, maar zij gebruikten een gevleugelden genius des doods, in plaats van eene mummie. In vele graven leest men spreuken als de volgende, uit dat van Neferhotep: "Vergeet alle zorgen. Gedenk vroolijk te zijn, tot de dag aanbreekt voor de groote reis, wanneer men aankomt in het rijk, waar alles zwijgt."
[130] Vooral de Demawend in het Elburs-gebergte.
[131] Deze verzekering heeft hij, gelijk blijken zal, tot waarheid gemaakt.
[132] Dat een koning van Egypte op deze wijze den dag verdeelde, zooals Diodorus mededeelt, wordt bevestigd door de gedenkteekenen.
[133] Opperbestuurder van eene nomos (Egypt. p—tasch of hesp) of provincie. Wij weten thans dat het geheele land meestal in 26 Opperen en 24 Neder-Egyptische provinciën was verdeeld, die genoemd werden naar de hoofdplaatsen en elk weder drie onderafdeelingen hadden.
[134] De jaarlijksche overstroomingen van den Nijl, maakten het aanleggen van dijken en dammen noodzakelijk. Verschillende vorsten rekenden het zich tot eer voor deze werken te zorgen. Het is niet onwaarschijnlijk dat Menes reeds den westelijken Nijlarm bij Memphis deed afdammen. Ook wordt het niet meer betwijfeld, of het meer Meuris is gegraven om de overstrooming te regelen.
[135] Herodotus en Xenophon verzekeren, dat het liegen bij de Persen voor de grootste misdaad werd gehouden. Volgens den Zend-Avesta was het zondigen tegen den alwetenden god des lichts. Darius zegt in een opschrift van Behistân: "Ahoeramazda en de andere goden verleenden mij bijstand, omdat ik geen leugenaar was."
[136] Vgl. voor Ramses II en het Egypte van zijn tijd: Ebers' Warda.
[137] De Egyptenaars waren zeer bedreven in de vestingbouwkunde, zooals uit de afbeeldingen op de monumenten blijkt.
[138] Typhon, Egyptisch Seth, was de god van het kwade. Eerst sedert de dagen der Hyksos, die hem vereerden, schijnen de Egyptenaars hem als eene verderfelijke godheid te hebben beschouwd. Hij heet "de almachtige verwoester." De schadelijke krachten in de natuur stonden onder zijn bestuur, ook de bedriegelijke onvruchtbare zee. De weerbarstige ezel, het logge Nijlpaard, de verslindende krokodil en het wilde zwijn zijn zijne lievelingsbeesten. Rood was zijne kleur, roodharige menschen heeten zijne kinderen. Schadelijke dingen worden daarom ook "roode" genoemd. Men stelde hem voor met den kop van een krokodil, ezel of nijlpaard, en met hangende borsten op den rug.
[139] De Egyptische astrologen waren wereldberoemd. Elk uur had zijne planeten, die geluk of ongeluk voorspelden; Ammon (Jupiter) was bijv. steeds gunstig, Seb (Saturnus) steeds ongunstig, Toth (Mercurius) wisselvallig. De gesternten konden ook op enkele ledematen invloed oefenen. De gedenkteekenen zijn vol van astronomische voorstellingen, terwijl ook meer dan een feestkalender bewaard bleef.
[140] De Egyptische tempels zijn zóo gebouwd, dat zij, daar de op elkander volgende zalen steeds lager worden, den aanbidder stemmen tot aandachtigen ernst. Zie eene beschrijving in Schnaase, Kunstgeschichte. I, 394.
[141] Dit meer (Sa-el-Hagar bij de ruïnen van Saïs) bestaat nog. Ebers bezocht het. Zulke meren werden bij de meeste tempels gevonden.
[142] Poortgebouwen, of wel de torens, die door een poortdoorgang verbonden waren.
[143] De jongste ontdekkingen hebben geleerd, dat volgens het geloof der Egyptenaren de god Hor—Hoet (Horus) den booze en zijne medestanders in de gedaante van eene gevleugelde zonneschijf overweldigde, en dat, ter herinnering hieraan, de gevleugelde zonneschijf met de Uraeusslang op alle tempels en heiligdommen moest worden aangebracht. Dit symbool verkondigde dus den tempelganger, dat het goede het kwade overwint, het licht de duisternis, de vruchtbaarheid de dorheid en het leven den dood.
[144] Dit Egyptisch gebod, dat zoo veel overeenkomst heeft met het vierde der Tien Geboden, komt voor in den Papyrus-Prisse, het oudste ons bekende hiëratisch handschrift.
[145] Ethiopië.
[146] De gemalin of zuster van Osiris. Zij is de natuur, waarin de godheid zich openbaart. Zij kan ook beschouwd worden als de verpersoonlijking van de door de godheid vruchtbaar gemaakte aarde. De koe was haar geheiligd en meermalen wordt zij met een koekop afgebeeld.
[147] Op de monumenten zien wij niet alleen geringe Egyptenaars, maar ook de pharao's zich met dammen en dergelijke spelen bezighouden. Zoo bezitten wij eene voorstelling van Ramses, spelende met zijne dochter. In de musea van het Louvre en Boulaq worden schoone damborden bewaard.
[148] In alle musea vindt men zulke ballen, o. a. te Leiden.
[149] De gedenkteekenen en koningslijsten bewijzen, dat ook vrouwen konden regeeren. De echtgenoot van eene kroonprinses, werd door haar koning. Vorstinnen hadden haar eigen inkomen, en wanneer zij na haren dood onder de godinnen werden opgenomen, hare eigene priesterschap. Kortom, uit alle getuigenissen blijkt, dat de vrouwen bij de Egyptenaars gelijke rechten hadden als de mannen.
[150] Simonides van Amorgos, de dichter der Pandora-sage, had het vooral op de vrouwen gemunt, die hij vergelijkt met allerlei onreine dieren. De vrouw die het karakter der bij had, was alleen goed. Phocylides, een barsch, vinnig maar scherpzinnig man, en de mismaakte Hipponax waren zijne navolgers. Onder de Egyptenaars waren er niet minder, die op slechte vrouwen scholden, en ze met hyena's en panthers vergeleken.
[151] Over dezen scheldnaam, dien men later aan Darius gaf, nader in het 3de Boek.
[152] Aoeramazda (Ahoera-Mazda) wordt in de spijkeropschriften de groote en reine god der Persen genaamd, meer bekend onder den naam Ormuzd. Hij staat tegenover Angramainjus of Ahriman, den god der duisternis en van het booze.
[153] Nebucadnezar zou dit reuzenwerk hebben doen vervaardigen voor zijne Perzische gemalin Amytis.
[154] Uit zulke in Egypte opgevoede Hellenen zou Psamtik I eene kaste der tolken hebben gevormd. Herodotus is zeker door zulk een "dragoman" rondgeleid.
[155] Zulke torentjes vindt men daar heden nog.
[156] De handwerkslieden waren en zijn nog altijd gewoon in de vrije lucht, of in wijdgeopende werkplaatsen te arbeiden.
[157] Toovenaars en slangenbezweerders waren in het oude Egypte in het geheel niet zeldzaam. Nog worden er ontelbare gevonden. Hekt was de godin der magie. Choensoe komt op een schild in de bibliotheek te Parijs voor als verdrijver der booze geesten.
[158] Libyë heette de westelijke Nijloever, met het land daarachter. De streek die aan de woestijn grensde, was rijk aan slangen.
[159] Een eed bij Mithra, den zonnegod, was den Persen bijzonder heilig.
[160] Achaemeniden heeten de van Achaemenes (Hakhâmanis) afstammende koningen en de met hen verwante edelen.
[161] De Grieken bepaalden in den voormiddag den tijd naar het bezoeken van de markt. Zij rekenden naar den tijd waarop de markt begon, waarop zij gevuld was, en waarop zij weder ledig werd. Deze tijdberekening is met onze uurindeeling niet overeen te brengen. De grootste bedrijvigheid zal zoowat van 10 tot 1 uren geduurd hebben.
[162] Vóor den tijd der Persen hadden de Egyptenaars geen gemunt geld. Men woog de edele metalen af, en bracht ze in den vorm van ringen, dieren, enz. in omloop. Op de monumenten zien wij menschen, die goud afwegen tegen koopwaren; anderen, die hunne belastingen met gouden ringen betalen. Deze ringen komen nog voor in den tijd der Ptolemaeën.
[163] Volgens Diodorus. Plato meldt, dat de Egyptenaars in zijn tijd bij de wet verplicht waren hunne beelden even schoon of liever even leelijk te maken als voor duizend jaren; de gedenkteekenen bevestigen dit. Toch heeft de studie der gedenkteekenen bewezen, dat elk tijdperk zijn kunststijl had. In het oude rijk zijn de vormen gedrongen; onder Seti I bereikt de schoonheid der proportiën haar hoogste punt; onder de 20e dynastie begint de kunst te vervallen, om nog eens onder de 26e, de dynastie der Psamtiks, te bloeien.
[164] Het hier bedoelde standbeeld is dat van Chefren in het museum te Boelaq, dat in 1867 op de tentoonstelling te Parijs algemeen de aandacht trok. Hetzelfde museum bezit een houten beeld, te Saqqara gevonden. Het is uit den pyramiden-tijd, en als kunstwerk niet genoeg te roemen.
[165] Toen de Alkmaeoniden voor Pisistratus gevlucht waren, namen zij den bouw van den nieuwen tempel te Delphi op zich, waarvoor de Delphiërs echter een vierde der benoodigde gelden moesten opbrengen. Zij collecteerden o. a. in Egypte eene niet onbelangrijke som.--Driehonderd talenten is ongeveer 810,000 gulden.
[166] Candaules, die zich door het vermoorden van koning Gyges van den troon had meester gemaakt.
[167] Het oude Attische zilvertalent bedroeg zoowat 2700, een mine 45 gulden; een drachme was ongeveer 8 stuivers, een obolus iets meer dan een stuiver.
[168] De volkstammen, die rondom een gemeenschappelijk heiligdom woonden, zooals dat van Delphi.
[169] De rijke erfdochter van Clisthenes van Sicyon.
[170] De Egyptische tandmeesters moeten zeer knap zijn geweest. Men heeft werkelijk in de kaken van mummiën kunsttanden gevonden.
[171] Eed van Rhadamanthus, den zoon van Zeus, om den naam der goden niet op de lippen te nemen.
[172] Het Nijlwater smaakt bijzonder lekker. Een reiziger noemde het den champagne onder de wateren. De vrouwen uit den harem van den sultan laten Nijlwater naar Constantinopel brengen. De Arabieren zeggen dat Mohammed, bijaldien hij er van gedronken had, eeuwig zou hebben willen leven.
[173] Voorgebergte aan de westkust van Klein-Azië.
[174] Naar eenige verzen van Theognis van Megara.
[175] Naar de vertaling van Ten Kate en Van den Bergh, waarvan het laatste couplet luidt:
Cytherea kuste 't wichtje.
"Voelt ge," sprak zij, "zulk een smart,
Enkel door eens bietjes angel,
Denk dan eens wat pijn zij lijden, die ge uw flitsen jaagt in
't hart!"
[176] In het museum te Leiden is een ledepopje, een man voorstellende die deeg kneedt.
[177] Zoo heette de trouwe hond van Odysseus (Ulysses). Italiaansche schoothondjes waren in de oudheid zeer beroemd.
[178] Nog heden worden vriendschapsverbintenissen in Perzië feestelijk gesloten, en wel op het zoogenaamde feest der navolging. "Twee Perzen," verhaalt Brugsch, "die voor hun leven een verbond van vriendschap met elkander willen sluiten, gaan tot den Mollah. Aan dezen openbaren zij hun voornemen, waarna zij zich als 'brader hâ of broeders' plechtig laten inzegenen."
[179] De Perzen hadden ten tijde der Achaemeniden geene tempels en godenbeelden. (Vgl. Tiele, De godsdienst van Zarathustra, bl. 71 vv.). Het goede en het booze beginsel, Aoeramazda en Angramainjus, waren onzichtbare wezens, die de gansche schepping vervulden met een talloos heir van goede en booze geesten. De eeuwige tijd schiep het vuur en het water. Hieruit ontstond Ormuzd, de goede geest. Deze was rein, helder als het licht, en wilde alleen het goede. Nadat hij in 12000 jaren den hemel, de aarde, het paradijs en de sterren had geschapen zag hij den boozen geest, Ahriman (Angramainjus), die zwart was en onrein, en niet anders wilde dan het kwade. Ormuzd besloot Ahriman te vernietigen. Er ontstond een groote strijd, waarin de booze werd overwonnen, om 3000 jaren lang machteloos neder te liggen. Gedurende dezen tijd schiep Ormuzd het uitspansel, het water, de aarde, de goede planten, den stier en het eerste menschenpaar. Hierna kwam Ahriman weer te voorschijn. Hij werd opnieuw bedwongen maar niet gedood. Men had Ahriman dan alleen kunnen dooden, wanneer zijne onreinheid zich had kunnen veranderen in reinheid, zijne duisternis in licht. Zoo bleef het booze voortleven, om, zoodra de goede geest iets goeds en reins had geschapen, iets kwaads en onreins er tegenover te stellen. Deze kamp zal voortduren tot den jongsten dag. Dan zal Ahriman rein en heilig zijn. Deze leer is echter niet ouder dan 220 jaren n. C. en schijnt zelfs veel jonger te zijn.
[180] Nog staan de vuuraltaren der Perzen op de bergen. Zij kunnen altijd bidden, als er maar vuur en water in de nabijheid is.
[181] De koningen der oudheid waren reeds gewoon met dergelijke geschenken de daden hunner onderdanen te beloonen.
[182] In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.
[183] Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.
[184] Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.
[185] De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.
[186] Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.
[187] Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.
[188] Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.
[189] Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den "Faust"), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.
[190] Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.
[191] Bijnaam van Aphrodite (Venus).
[192] De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.
[193] Sappho's grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.
[194] De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin voortbestaan.
[195] Klaaglied.
[196] De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en myrten.
[197] Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aangegeven.
[198] De Perzische koningsweg liep van Ephesus over Sardes, en verder midden door Klein-Azië naar Susa en Babylon. Deze werd reeds door Cyrus aangelegd en door Darius zorgvuldig onderhouden.
[199] Dit voertuig komt het eerst bij Xenophon voor, die er eene koningin in laat rijden. De Romeinen gebruikten het later als reiswagen.
[200] Een Oostersch peulgewas, dat in de omstreken van Babylon zeer weelderig groeide, en uit welks zaden eene zoete, heldere olie werd geperst.
[201] Belangrijke handelsstad aan den Euphraat. Hier trok men gewoonlijk den stroom over, want hier vereenigden zich de groote handelswegen. Deze stad was ook het middelpunt der metingen van Eratosthenes.
[202] Het aardpek, thans nog in groote hoeveelheid dáar aanwezig, werd door de Babyloniërs gebezigd om de muren te bepleisteren.
[203] Gesnedenen.
[204] Bijna alle Egyptische beelden, die zonen of dochters van pharao's voorstellen, dragen zulke haarvlechten, die van het voorhoofd tot aan den hals reiken.
[205] Bij de overblijfselen van den Perzischen koningsweg, die de steden Niniveh en Ekbatana verbond, vindt men thans nog de oude mijlsteenen, die de tegenwoordige Koerden, keli-Shin, d. i. blauwe zuilen, noemen.
[206] Volgens het boek Esther was er in de dagen van koning Ahasverus een eunuchen-overste voor de gemalinnen en een tweede voor de bijzitten des konings. Boges bekleedt hier veel vroeger beide ambten tegelijk.
[207] Het "moederlooze" getal heeft tot tien geen factor.
[208] zie boven bl. 24.
[209] Volgens Diodorus moet in het graf van koning Osymandyas (het paleis van Ramses II te Thebe, het Ramesseum) een gouden cirkel hebben gelegen, die een omtrek had van 365 el, éen el breed was, en eenen volledigen astronomischen kalender bevatte. De te Parijs aanwezige dierenriem van Dendera is eerst uit den laatsten tijd der Ptolemaeën afkomstig.
[210] Lapis lazuli was een in het oude Egypte zeer geliefkoosd edelgesteente, dat men, evenals het smaragd, kunstig wist na te maken.
[211] Eene Perzische munt, volgens Herodotus de eerste die geslagen werd.
[212] Naar voorstellingen op de gedenkteekenen, waarvan o. a. Layard afbeeldingen heeft gegeven.
[213] De kleederen en de opschik van den Perzischen koning zouden, volgens Plutarchus, eene waarde van 12,000 talenten, d. i. ongeveer 27,000,000 gulden hebben gehad.
[214] zie boven bl. 79.
[215] Ook Themistocles leerde, volgens Diodorus, het Perzisch op de reis naar Susa, ofschoon Nepos van een ander gevoelen is.
[216] Deze opgaven zijn aan de berichten van Herodotus en andere oude schrijvers ontleend. Volgens Aristoteles had Babylon niet de grootte van eene stad, maar van een volk. De bouwvallen zijn nog zoo ontzaglijk uitgebreid, dat men daaruit genoeg kan opmaken, hoe verbazend groot die stad geweest moet zijn.
[217] Exemplaren en afgietsels van deze voortbrengsels der oud Assyrische kunst worden in het Britsch Museum, het Louvre, en in het nieuwe museum te Berlijn gevonden.
[218] Deze kleederdracht komt overeen met de afbeeldingen van Assyriërs, die onder de vertegenwoordigers van vreemde natiën op de Egyptische gedenkteekenen gevonden worden.
[219] Volgens de beschrijving bij Herodotus (I. 180).
[220] Deze tempel, waarvan Herodotus e. a. eene beschrijving geven, wordt door sommigen voor den toren van Babel uit de Bijbelsche overlevering gehouden. De ruïnen worden door de tegenwoordige bewoners dier streken "Birs Nimroed," d. i. burg van Nimrod, genoemd. De hoogte der eerste verdieping, die tot heden bewaard bleef, bedraagt 260 voet. De muren, die dezen tempel omgaven, moeten nog zeer goed te herkennen zijn. Ze waren 4000 voet lang en 3000 breed. Dit reusachtig gebouw moet tijdens Cambyzes nog in al zijn pracht hebben bestaan, want wij weten dat Nebucadnezar het liet voltooien.
[221] Nebucadnezar zou ook dezen burcht hebben doen optrekken. Althans op de tegels, die men in de bouwvallen bij Hillah heeft gevonden, komt in spijkerschrift de naam van dezen grooten koning voor. Men vindt aldaar ook nog vele fragmenten van verglaasde reliëfs.
[222] zie boven bl. 94. Aan den oever van den Euphraat in het noordelijk gedeelte van Babylon vindt men een uitgestrekten puinheuvel, Babil geheeten. Men heeft er bronnen en overblijfselen van waterleidingen gevonden, die met de rivier in verbinding stonden. Vgl. F. Mürdter, Geschichte Babyloniens und Assyriens Stuttgart.
[223] Men gaf de Perzische meisjes oorringen, wanneer zij op haar vijftiende jaar huwbaar werden. Zoowel meisjes als knapen moesten zich met den heiligen band, kuçti of kosti, omgorden. Alleen in den nacht mochten zij zich van dezen ontdoen. De vervaardiging van zulk een gordel is nog bij de tegenwoordige Perzen met allerlei formaliteiten verbonden. Hij moet uit 72 draden bestaan. Er mag geen zwarte wol voor gebruikt worden.
[224] De zonne- en lichtgod der Perzen.
[225] Zij woonden in de noordelijke provinciën van Perzië.
[226] Een volksstam aan de oostkust van de Caspische zee.
[227] Deze beambten kunnen eenigermate met onze politie-commissarissen vergeleken worden. Cyrus liet, volgens Herodotus, als knaap een zijner speelnooten de rol vervullen van "oog des konings". Het stelsel van spionneeren bestond reeds onder de Meden. Ook op Egyptische gedenkteekenen, bijv. in het graf van Amen em heb te Abd el Qoernah, wordt gesproken van de twee oogen des konings van Opper-Egypte en de twee ooren des konings van Neder-Egypte.
[228] Plutarchus verhaalt echter, dat de moeder en de uitverkoren gemalin des konings met hem aan tafel zaten.
[229] De Grieken gingen, naar het oordeel der Perzen, nooit verzadigd van tafel, omdat men bij hen na den maaltijd niets meer opdroeg. De tegenwoordige Iraniërs houden nog veel van lekkernijen.
[230] Hij doodde zijn gunsteling Clitus, die in den slag bij den Granicus zijn leven had gered.
[231] Volgens het boek Esther werd dit leerjaar besteed, om de vrouwen te onderwijzen in het gebruik van zalven, specerijen en welriekende oliën. Ebers merkt op, dat dit wel wat lang was, om deze zeker niet ingewikkelde kunst te leeren, en dat het veel waarschijnlijker is, dat men dien tijd besteed heeft, om vreemde vrouwen in te wijden in de leer van Zoroaster.
[232] Zoroaster, eigenlijk Zarathustra of Zeretoschtro, was een der grootste godsdienststichters en wetgevers. De etymologie van zijn naam is onzeker. Kern verklaart dien uit de woorden "zara", gulden, en "thwistra" glanzend. Het is ook onzeker of hij in Baktrië, Medië of Perzië geboren is. De geleerde Anquetil du Perron zegt, dat hij het levenslicht aanschouwde te Urmi, eene stad in Aderbedjan. Zijn vader heette Poroschasp, zijne moeder Dogdo. Hij beroemde zich van koninklijke afkomst te zijn. Het tijdperk zijner geboorte is "hopeloos" donker. Kern is zelfs van oordeel dat het bestaan van Zoroaster tot de mythen gerekend moet worden. Wij bezitten dus aangaande hem slechts onwaarschijnlijke tradities, en het is genoeg te verzekeren, dat de leer van Zoroaster vóor het tijdsbestek waarin deze geschiedenis speelt, reeds algemeen ingang had gevonden. Zie Tiele, De godsdienst van Zarathustra en Versl. en Meded. der kon. Akad. v. wetensch. Afd. Letterk. Amst. 1867.
[233] De Perzische tuinen waren door de geheele oudheid beroemd en werden, naar het schijnt, veel vrijer en ongedwongener aangelegd dan de Egyptische. Zelfs de koningen stelden er eene eer in zich met den tuinbouw bezig te houden, en de voornaamste Achaemeniden waren gewoon schoone parken, die zij paradijzen noemden, met bijzondere zorg aan te leggen. Hunne voorliefde voor slanke gewassen ging zoo ver, dat Xerxes een bijzonder schoonen plataan, dien hij op weg naar Griekenland aantrof, met een gouden sieraad tooide. Firdausi, de grootste epische dichter van Perzië kent geen hooger lof voor de menschelijke schoonheid dan het epitheton: "rank als eene cypres."
[234] De beide zomer-residentiën, waar het vrij koud kon zijn. Ekbatana lag in de omstreken van het tegenwoordige Hamadân, aan den voet van het Elwend (Orontes) gebergte, Pasargadae niet verre van den Rachmed op het hoogland van Iran, bij het tegenwoordige Sjiras.
[235] Nergens werden in dien tijd fijner weefsels vervaardigd dan aan den Nijl, volgens getuigenis der oude schrijvers en der gedenkteekenen. Wat de prachtige inrichting van het woonvertrek van Cassandane betreft, de details zijn ontleend aan Xenophon, Aeschylus, e. a.
[236] Volgens de sage bestond het volk der Amazonen alleen uit vrouwen, die zich de rechterborst lieten afschroeien, om des te beter den boog te kunnen spannen. Ook bij de Chineezen heeft men zulk eene Amazonen-sage aangetroffen, gelijk o. a. blijkt uit eene afbeelding in het ethnografisch museum te Jena.
[237] In het Doodenboek (Zie Warda, Dl. II, bl. 3 v.) wordt eene beschrijving gegeven van de ziel, waarvan het hart gewogen en geoordeeld wordt. De rede die zij houdt, wordt hare negatieve rechtvaardiging genoemd. Deze rechtvaardiging is dubbel merkwaardig, omdat men daarin de geheele Mozaïsche zedenwet vindt. De ziel verzekert voor de twee-en-veertig doodenrechters, dat zij de twee-en-veertig doodzonden niet heeft begaan. Ook Pythagoras, die veel aan de Egyptenaren ontleende, gebood: dat men zijn hart niet moest verteren, m. a. w. zich voor berouw wachten.
[238] Van het oogenblik dat een kind der Perzen den gordel "kostie" droeg, moest het zich een schutspatroon kiezen onder de Yazatas en een geestelijk raadgever onder de Destûrs (priesters). Evenals vader en moeder de vleeschelijke ouders waren van het kind, zoo was deze raadgever de geestelijke vader.
[239] De godin der vruchtbare natuur, der alles voortbrengende aarde.
[240] Anâhita of Ardî-çûra heette de godin der bronnen, die vaak met de grieksche Aphrodite vergeleken is geworden. Uit de bron Anâhita stroomde al het water, dat zeer stellig een reinigende kracht bezat. Oorspronkelijk schijnt Anâhita wel eene Semietische godheid geweest te zijn, die met den vrouwelijken Perzischen water-genius werd samengesmolten. Haar vereering komt eerst onder Artaxerxes Mnemon voor.
[241] Een bekende vrijgeest, die wegens zijne bespotting van de Homerische godenwereld werd vervolgd.
[242] In Perzië vermaken de mannen zich nog heden met het balspel. De eene speler werpt of stoot den ander houten kogels toe, gelijk bij ons kaats- of kolfspel en het Engelsche cricket-spel.
[243] Januari tot April.
[244] De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift (uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boeken genoemd.
[245] Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van "khshatra," heerschappij, en "pavan," beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.
[246] Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren van sterrenkundige berekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles aan hun onderwijs te danken.
[247] Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.
[248] De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en heette "het volkomene." Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen in betrekking tot Ramses II: "vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag."
[249] Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.
[250] Anquetil geeft in zijn Zend-Avesta eene beschrijving en afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.
[251] Priester.
[252] Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.
[253] Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uit den slaap ontwaakte.
[254] In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook goddelijke eer bewijzen.
[255] Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.
[256] In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den "kramer." Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te leveren.
[257] De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.
[258] Deze "Onsterfelijken" dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.
[259] De Urim en Thummim.
[260] Zie Esra, VI, 2-12. Zacharia, 1-8.
[261] Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.
[262] De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de Caspische zee.
[263] Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.
[264] Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.
[265] Een der noordelijke Cycladen.
[266] Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.
[267] Vgl. Schillers Ballade: "Der Ring des Polykrates." De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.
[268] Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.
[269] Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar.--Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers, Aegypten in Bild und Wort, I, 88 f).
[270] De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijne Warda gebruik gemaakt.
[271] Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.
[272] De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.
[273] De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit van de morgen- en avondster.
[274] De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.
[275] Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.
[276] De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.
[277] Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.
[278] Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (speldenduitje), het inkomen van gansche steden.
[279] Deze naam beteekent: "uit het geslacht der Peri."
[280] De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27:18.
[281] Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.
[282] Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.
[283] Kamerheeren of ceremoniemeesters.
[284] Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede zij het ooft weten te schikken.
[285] Zie boven blz. 11.
[286] De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.
[287] De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.
[288] Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.
[289] Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.
[290] De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.
[291] De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.
[292] Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij 's nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.
[293] Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.
[294] Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.
[295] Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.
[296] Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen "de heilige" noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.
[297] Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô gebonden en naar de hel gesleept. Vgl. Tiele, a. w. bl. 251 v.
[298] Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.
[299] Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde aan het leven hechtten, zich in 't bijzonder op de geneeskunst toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.
[300] Zie boven blz. 92.
[301] Een booze geest, die de menschen doodt.
[302] Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.
[303] In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.
[304] Dit schoone gezang is ontleend aan het "Koningsboek" van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het "Zend-Avesta" een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.
[305] Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft ter wille van zijn held Cyrus.
[306] zie boven bl. 59, v. Daar de afgestorvene, volgens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.
[307] Naar een grafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt bewaard.
[308] zie boven bl. 59.
[309] Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.
[310] Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doodenboek, "het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel" geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of van andere vogels voorgesteld.
[311] Ader bet. Maart.
[312] De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.
[313] In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.
[314] De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.
[315] 5400 gulden.
[316] Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent bliksem.
[317] Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw v. Chr.
[318] Ongeveer 270,000 gulden.
[319] Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.
[320] Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.
[321] Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.
[322] De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.
[323] Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.
[324] Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.
[325] Zie boven blz. 80.
[326] De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.
[327] Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, dat de zoon het werk van den vader voortzette.
[328] Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.
[329] Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.
[330] De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.
[331] Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft. Zie verder Warda, Dl. II.
[332] De naam beteekent: palm.
[333] Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.
[334] Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.
[335] Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.
[336] Aan Toth, die met een ibis-kop werd afgebeeld, den hemelbeschrijver, later door de Grieken met hun Hermes vergeleken, schreef men de uitvinding toe van bijna alle wetenschappen. Hij, de driemaal groote (Trismegistos), zou zes boeken over de geneeskunde hebben geschreven, waarin o. a. ook over de oogheelkunde werd gehandeld. Isis, en later ook Serapis, worden als goden der geneeskunde geroemd.
[337] In de geschriften, die tot ons kwamen, wordt dikwijls gesproken van boeken, die onder het beeld van deze of gene godheid zijn gevonden, of van oude koningen afkomstig zijn, om er op deze wijze hooger waarde aan toe te kennen. Toch kennen wij de schrijvers van enkele geschriften. Zoo is het sprookje van de twee gebroeders afkomstig van zekeren Anana, die Ebers in Warda laat optreden. Van de hermetische boeken was er een geheel aan de oogheelkunde gewijd, waarover ook in den papyrus-Ebers zeer uitvoerig wordt gehandeld. In dezen papyrus komt ook de arts Nebsecht voor, die in Warda zulk eene belangrijke rol vervult.
[338] De bibliotheek van Thebe, die volgens Diodorus ten opschrift voerde: "Inrichting tot genezing der ziel", bevatte 20,000 hermetische of priesterlijke boeken. Men vond haar in het Ramesseum of Ramseshuis, dat door Ramses II in de veertiende eeuw v. Chr. gebouwd werd. Champollion herkende deze boekenzaal in de ruïnen van het Ramesseum. Op den wand vond hij de afbeeldingen van Toth, den god der wijsheid, en van Safech, de godin der geschiedenis. Verschillende hiëratische papyrussen, die thans nog aanwezig zijn, zijn uit deze boekerij afkomstig, hetgeen niet zelden op Egyptische boekrollen vermeld wordt. Lepsius vond bovendien te Thebe de graven van twee bibliothecarissen onder Ramses II, vader en zoon. De titel van zulk een bibliothecaris was, overste of "chef der boeken." Bibliotheken schijnen altijd bij de tempels behoord te hebben, gelijk wij kunnen opmaken uit opschriften in de tempels van Dendera, Edfoe en Philae. Ook aan het Serapeum te Alexandrië was eene groote bibliotheek verbonden.
[339] Zoodra er een Pers stierf, viel de onreine geest des doods, de Drukhs Naçus in den vorm van een vlieg, op hem aan en zette zich op het lijk van den afgestorvene en op een der aanwezigen neer, onreinheid en vernietiging aanbrengende. Het brengen van honden bij een lijk steunt op de oudste Arische mythologie, doch werd bij de latere Perzen beschouwd als een middel om de booze Drukhs te verschrikken, daar deze tegen de oogen van twee bijzonder gevlekte honden niet bestand is. De Drukhs Naçus is de booze geest van de ontbinding na den dood. Zij is eigenlijk de persoonsverbeelding van de onreinheid en het bederf, die bij de lijken zich vertoonen. Vgl. Tiele, Godsd. v. Zarath. bl. 184.
[340] zie boven bl. 182.
[341] 's Winters mocht het vuur na verloop van negen dagen, 's zomers eerst na eene maand in de woning van den overledene teruggebracht worden.
[342] Zie boven blz. 263.
[343] Over het balsemen der lijken wordt door Ebers zeer uitvoerig gehandeld in Warda, Dl. II.
[344] Zulke straffen werden ook wel op Perzen van hoogen rang toegepast, gelijk uit de opschriften blijkt.
[345] Zoo genoemd in een opschrift van Behistân.
[346] Herodotus zegt, dat Amasis zijn onttroonden voorganger niet hard behandelde. Hij liet hem het leven, totdat hij door de Egyptenaren overvallen en van kant gemaakt werd. Om het verhaal van Herodotus te redden, laat Ebers Hophra zijn val zoovele jaren overleven, met het oog op den leeftijd van Nitetis. Amasis kon toch den koning van Perzië geene veertigjarige tot vrouw aanbieden. Men bedenke dat eene vrouw van veertig jaren aan de oevers van den Nijl ouder is dan eene Europeesche op den leeftijd van zestig.
[347] zie boven bl. 24.
[348] Ten tijde van Amasis bestonden reeds de drie schrijfwijzen der Egyptenaren, hoewel het demotisch (volks- of briefschrift) niet veel ouder schijnt te zijn dan hij. Het hiëroglyphen-schrift is verbazend oud. De teekens van dit schrift zijn duidelijke afbeeldingen van allerlei soorten van voorwerpen. Het werd voor opschriften en sommige godsdienstige boeken, zooals het Doodenboek gebruikt. Het hiëratische of heilige schrift was eene afkorting of vereenvoudiging der hiëroglyphen, waarin de oorspronkelijke beelden meestal nog zeer goed te herkennen zijn.
[349] Het was bij de Egyptenaren een heilige plicht den ouderdom te eeren. Men denke aan het vierde gebod van Mozes, dat bijna woordelijk in den papyrus Prisse is weergevonden.
[350] Deze maand duurde van 29 Aug. tot 27 Sept. De 5de was dus onze 2de Sept.
[351] Niet alleen uit het Doodenboek, maar ook uit andere teksten blijkt, dat den Egyptenaren steeds op het hart werd gedrukt weldadig te zijn, vooral jegens weduwen en weezen. Een aanzienlijke stadhouder beroemt zich in zijn graf te Benihassan, dat hij geen zwak kind benadeeld, geene weduwe kwaad gedaan heeft.
[352] Vgl. blz. 9.
[353] Deze ongehoorde hofhouding zou dagelijks 400 talenten, dus zoowat 1,080,000 gulden hebben gekost.
[354] De groote, vruchtbaarmakende natuurgodin der Klein-Aziatische volken. De daar wonende Grieken namen haar dienst over, en stelden haar voor, rijdende op een leeuw, of in gezelschap van leeuwen. Zij hield een tamboerijn in de hand, welk instrument ook bij hare luidruchtige feesten werd gebruikt. Daar zij de verpersoonlijking was van de voortbrengende natuurkracht, droeg ook hare vereering een wellustig karakter. Aan de Niobe-sage ligt de mythe van Cybele, d. i. de vruchtbare aarde, die in den herfst van hare kinderen wordt beroofd, ten grondslag.
[355] Het Gygaeische meer was Homerus reeds bekend. Herodotus noemde de graven der Lydische koningen de stoutste werken, die door menschenhanden waren tot stand gebracht, na de Egyptische en Babylonische. De kegelvormige heuvels zijn nog te zien, niet verre van het meer, bij de puinhoopen van Sardes. De grootste, het graf van Alyattes, heeft nog altijd een omvang van 3400 en een hoogte van 650 voet. De Pruisische consul Spiegelthal vond er een grafkamer in.
[356] De planeet Venus.
[357] Volgens Herodotus zouden de Lydiërs het spelen met dobbelsteenen en met den bal hebben uitgevonden, maar niet het damspel. Dit laatste schijnt wel van Egyptischen oorsprong te zijn. Het is ook zeker, dat men aan den Nijl vroeger dan in Lydië het balspel kende.
[358] Het paleis van Persepolis bestond toen nog niet. Dit was gedeeltelijk uit den zwarten steen van den berg Rachmed, gedeeltelijk uit wit marmer opgetrokken. Darius zou dien bouw reeds hebben begonnen. Het paleis van Susa was van tegels gebouwd, dat van Ekbatana van hout, dat met goudplaten van onschatbare waarde bekleed en met tegels van allerlei edele metalen bedekt was.
[359] Mei.
[360] Eene groote handelsstad in Phrygië.
[361] Zie boven blz. 36.
[362] Dezelfde Oroetes wist Polycrates later met list naar Sardes te lokken, en liet hem daar kruisigen.
[363] Helden uit de Perzische sage.
[364] Zie boven blz. 193.
[365] Maart.
[366] Juli.
[367] Hij leefde in dezen tijd. Men zou hem "den vader der geographie" kunnen noemen. Hij verbeterde de kaarten van Anaximander en schreef eene "Reis om de Wereld", die helaas, op kleine fragmenten na, verloren ging. Perzië en Egypte kende hij nauwkeurig.
[368] Zie boven blz. 296.
[369] Niebuhr zag op zijne Aziatische reis dit spel nog door jongens te Schiraz spelen.
[370] Ook toen hielden de Oosterlingen de ontblooting van het lichaam voor hoogst ongepast, terwijl de Grieken niets schooners kenden dan het naakt.
[371] De koningen van Perzië moesten bij hunne kroning de vrucht van een terpentijnboom eten.
[372] Mars.
[373] Eene kleur die in de oudheid zeer gezocht werd, en uit de bloesems van den sandix-boom werd geperst.
[374] Het Perzisch leger was volgens het tiendeelig stelsel ingedeeld. Eene divisie telde 10,000 man, een regiment 1000, een kompagnie 100. De Taxiarch was zoo wat gelijk aan een divisie-generaal bij ons. Een hekatontarch stond aan hoofd van een kompagnie. Een chiliarch was commandant van een regiment. Zij die later bij de Perzen de waardigheid van chiliarch bekleedden, waren de eersten des rijks, na den koning.
[375] Zie blz. 101.
[376] In elke havenstad der oudheid werden zulke huizen gevonden. Van die aan den Canopischen Nijlmond maakt Strabo opzettelijk melding.
[377] Hoe ijverig de Grieken waren om ter markt te gaan, bewijst het volgend verhaal van Strabo. Een fluitspeler te Jasos werd door allen verlaten, die naar hem stonden te luisteren, toen de klok het marktuur aankondigde. Een bleef er bij hem staan. De muzikant dankte hem dat hij zich althans niet in het luisteren had laten storen. "Ach," riep de man, "heeft de klok dan al geluid?!" En meteen liep hij op een drafje heen.
[378] Het snelle schip.
[379] Juno.
[380] De onderscheidene waren werden binnen afgeslotene ruimten uitgestald. De plaats der bloemenverkoopsters, die over het algemeen voor meisjes van zeer verdachte zedelijkheid werden gehouden, heette de myrten-markt.
[381] Zulk een ruikertje was met een goudstuk meer dan betaald. Aristophanes laat een slaaf van Lamachus een belachelijk hoogen prijs bieden als deze voor een vette aal van Kopaï, 3 drachmen (1 gulden 35 cts), en voor een paar lijsters, 1 drachme (9 stuivers) geven wil.
[382] Het mannenvertrek.
[383] De aanzienlijkste Grieken schaamden zich niet, in gezelschap van hunne slaven aankoopen op de markt te doen. Eerzame huismoeders durfden zich niet op de markt vertoonen; gewoonlijk zonden zij hare slavinnen er heen.
[384] Zes centen.
[385] Zie boven blz. 75.
[386] Dergelijke signalementen zijn op papyrussen bewaard gebleven.
[387] De vogel die van de rechterzijde kwam aanvliegen, bracht geluk aan. Ook het trekken van het rechter oog gold voor een goed voorteeken.
[388] Men ziet: de bekende Haarlemsche kloppertjes zijn al van oude dagteekening.
[389] De Grieken plachten daar hunne waren op monsters te verkoopen.
[390] Plutarchus verzekert, dat de Atheensche bruiden, volgens een wet van Solon, vóor de bruiloft een kweeappel moesten eten, die buitendien voor de geliefden zeker eene bijzondere beteekenis had. Het lijdt geen twijfel, dat ook de Grieken onze bruidsdagen hebben gekend.
[391] De heler van een moord moest met den knoet gestraft worden, en kreeg in drie dagen eten noch drinken.
[392] De vilten hoeden (petasos) werden eerst door de Grieken, daarna ook door de Romeinen gedragen, tot bescherming tegen de zonnestralen. Op den beroemden ruiteroptocht van het Parthenon, in het Britsche museum, dragen bijna alle ruiters den petasos. Dit hoofddeksel komt ook als reishoed voor. Eene figuur met den breedgeranden hoed op den rug duidt een reiziger aan.
[393] Op de oude gedenkteekenen, bijv. te Thebe, Benihassan en Saqqara vindt men het leven der nijvere handwerkslieden, zooals schoenmakers, pottenbakkers, schrijnwerkers, vervaardigers van mummie-kisten, timmerlieden, spinners en mattenmakers, glasblazers, goudsmeden, schilders, beeldhouwers, slachters, enz. zeer aanschouwelijk voorgesteld. Bij Ebers, Aegypten in Bild und Wort, Wilkinson e. a. kan men hiervan afbeeldingen vinden.
[394] Wevende en spinnende mannen en vrouwen komen op de monumenten dikwijls voor. In het Berlijnsch museum zijn eenige Egyptische spinrokkens; in het Leidsche vindt men een keurig spinstokje en eene knoopnaald, met het roode garen er nog om, benevens vele monsters van weefsels.
[395] Het Egyptische bier, dat de Grieken 'zythos' noemden, was algemeen bekend, maar stond niet hoog aangeschreven. Osiris zou het met den wijn aan de menschen hebben geschonken. In oud-Egyptische geschriften komt het dikwijls voor onder den naam: 'hek'. Het verdient opmerking dat men Gambrinus, als een zoon van Isis, met Egypte, het land waar men het eerst bier zou hebben gedronken, in betrekking heeft gebracht.
[396] zie boven bl. 110.
[397] Eene beroemde hetaere van Naucratis.
[398] Misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, werden in Egypte gewoonlijk opgehangen.
[399] Zie boven blz. 84.
[400] Priesters, die bij feestelijke optochten, de heilige dieren, de godenbeelden, enz. moesten dragen. De priesters waren verdeeld in opperpriesters, profeten, stolisten, die voor de godenbeelden en de offers moesten zorgen, vederdragers of schrijvers der hiëroglyphen, hiërogrammaten of wijzen, waartoe de horoscopen, astrologen, kalendermakers en teeken-uitleggers gerekend werden, de heilige vaders, waartoe ook de zangers behoorden, de priesters van lager orde, namelijk de pastophoren, taricheuten of balsemers, neokoren of tempeldienaars, enz.
[401] Zie de beschrijving van dit instrument in Ebers' Warda, Dl. II bl. 102.
[402] Dergelijke optochten van vrouwen ziet men op de gedenkteekenen, bijv. te Thebe, waar de vrouw van Ramses II en de moeder, de dochter en de zuster van een priester naar den tempel gaan om te bidden. Er waren in Egypte ook priesteressen.
[403] Op de monumenten in Thebe vindt men de voorstelling van een plattegrond eener villa, in vogelvlucht gezien.
[404] Ramses III is de Rhampsinit, van wien Herodotus ons dat aardige sprookje vertelt, hetwelk graaf von Platen stof gaf tot een drama. De schat van Ptolomaeus Philadelphus zou 740,000 Egyptische talenten, d.i. ongeveer 990,000,000 gulden bedragen hebben. Doch misschien bedoelde men de gezamenlijke inkomsten van eene acht-en-dertigjarige regeering. De Egyptische schatkist had inderdaad enorme inkomsten. Volgens een opschrift in de schatkamer van Ramses den Groote, zouden de goud- en zilvermijnen jaarlijks 1080,000,000 gulden hebben opgebracht. Volgens Diodorus bedroeg de schat van Rhampsinit 5400,000,000 gulden. Door een gelukkig toeval heeft men in den tempel van Medinet-Haboe eene voorstelling van zijn schatkamer gevonden.
[405] Een Egyptisch snareninstrument.
[406] De bijnaam "meesteres of beheerscheres der weegschaal" had zijn grond hierin, dat de godin der waarheid de zielen der afgestorvenen in de onderwereld afwoog. Van dit wegen vinden wij bijna in alle doodenboeken eene voorstelling.
[407] zie boven bl. 29 en 31.
[408] Een snareninstrument, dat grooter was dan de lier. Het stond in verhouding tot de luit als eene cello tot eene viool.
[409] Antipater van Sidon vervaardigde op hem het volgend epigram:
Gij wijddet al uw dagen, o grijsaard, blij te moe,
Aan Dionysos, Eros en 't koor der Muzen toe.
[410] Anacreon was van Teos afkomstig.
[411] Een klein staafje van elpenbeen, waarmede men de snaren tokkelde.
[412] Hoewel een onweder in Egypte tot de zeldzaamheden behoort, zoo komt het toch wel eens voor. Ebers trof in Januari 1870 een onweder in Opper-Egypte nabij Antinoë. De bui was zoo hevig, dat Arabische booten op den Nijl omsloegen en geweldige waterstroomen van de bergen afdaalden. Fella-hutten werden medegesleurd en palmboomen ontworteld. Herodotus vertelt als een wonder, dat het, juist in dezen tijd, in Opper-Egypte had geregend.
[413] De Grieken waren gewoon, als een onweder dreigde, aan de stormen, die tot de goden der onderwereld behoorden, een zwart lam te offeren.
[414] Zoo heetten de bruiloftsliederen, naar het refrein: "Hymen, o Hymenaee."
[415] Eene Helleensche bruid verscheen in feestdos, en ook zij die haar geleidden droegen sierlijke gewaden.
[416] Sappho.
[417] De moeder der bruid ontstak de fakkel. De fakkeldrager moest den God Hymen voorstellen.
[418] Dit gebruik bestond later ook te Rome.
[419] Zie boven blz. 145.
[420] Het schip heette naar de godin der gezondheid.
[421] zie boven bl. 145.
[422] Perzische lusthoven.
[423] zie boven bl. 165.
[424] In onze maand Maart.
[425] Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.
[426] Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.
[427] Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.
[428] Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.
[429] Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.
[430] Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede van leder.
[431] Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.
[432] Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers' Warda.
[433] zie boven bl. 213.
[434] Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.
[435] Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.
[436] Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. Ebers Warda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.
[437] Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van hem verlangde.
[438] Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.
[439] Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.
[440] Ongeveer f 22.500.
[441] Zij was de gemalin van koning Battus III.
[442] In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes' verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.
[443] Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.
[444] Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.
[445] De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: "Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was; mijn wreker is niet verre meer!"
[446] De Egyptenaren huwden niet zelden hunne zusters of de weduwen hunner overleden broeders. Ook bij de Grieken komen zulke huwelijken voor.
[447] Dit was het kostbaarste geschenk, dat een Perzisch onderdaan van zijn vorst kon ontvangen.
[448] Wat Herodotus dienaangaande verhaalt, is genoegzaam uit Egyptische gedenkteekenen gebleken niet anders dan eene overlevering te zijn, geboren uit den volkshaat. De nagedachtenis dezer koningen (Cheops en Cephren) werd gebrandmerkt, omdat men de zware heerendiensten nimmer vergeten kon.
[449] De sarkophaag ging met het schip, dat dit kostbare voorwerp naar Europa overbracht, op de Spaansche kust verloren. De Arabische geograaf Idrisi verhaalt, dat men kort vóor hij schreef (1240) de sarkophaag geopend en daarin een mummie gevonden had, benevens een goudplaat, beschreven met onbekende schriftteekens.
[450] Zie boven blz. 75.
[451] Zie boven blz. 25.
[452] Wanneer de heilige stier stierf, dan werd hij diep betreurd en met fabelachtige staatsie begraven. Toen onder Ptolemaeus Lagi de Apis van ouderdom bezweek, besteedden de priesters tot zijne ter-aarde-bestelling niet alleen den geheelen tempelschat, maar leenden nog bovendien van den koning 50 zilvertalenten (81,000 gulden). Sommige hoofden van den Apis-tempel gaven voor de uitvaart van dit dier 100 talenten uit. Men hield er voor den stier een ganschen stal met koeien op na. De Egyptenaren meenden, dat hij de toekomst kon voorspellen, en schijnen hem ook beschouwd te hebben als het symbool van een tijdperk van 25 jaren. Dit is bevestigd toen het Serapeum en de Apis-graven zijn ontdekt. Mariëtte vond een schoon steenen beeld van den heiligen stier, dat naar Parijs is gevoerd, alsmede een menigte kolossale Apis-sarkophagen.
[453] Zulke tooneelvertooningen in het woud van Neith schijnen tot de mysteriën behoord te hebben. Het tooneel was het nog bestaande meer Sa-el-Hagar, waarbij zich een graf van Osiris bevond. "Deze schouwspelen," zegt Herodotus, "moesten de lotgevallen van bovengenoemde godheid voorstellen en heeten mysteriën."
[454] De klimop was aan Osiris, de koe aan Isis gewijd. De laatste komt op de gedenkteekenen bijna altijd voor met den kop van eene koe.
[455] Men vindt dezen geheelen strijd geteekend in een opschrift van den Horus-tempel te Edfoe.
[456] Door de Grieken Byblos genoemd.
[457] Het laatste lid werd vruchteloos gezocht, want Seth (Typhon) had het in den Nijl geworpen. Volgens de sage liet Isis dat lid namaken.
[458] Het dier, dat gewoonlijk voor Osiris in zittende houding wordt afgebeeld, gelijkt nu eens op eene teef of leeuwin, dan weer het meest op een nijlpaard. De Cerberus der Grieken heeft misschien aan dezen "draak van Amenthes" zijn oorsprong te danken.
[459] De onderwereld, eig. het westen, het doodenrijk, waar de ziel heenging na den dood, gelijk de zon na haren ondergang.
[460] Haméstegân is de plaats dergenen, wier goede daden tegen hunne slechte kunnen opwegen; Duzakh is de hel, en Gorothman is het paradijs der Perzen.
[461] zie boven bl. 239.
[462] De Perzische kleuren.
[463] Dit verhaal is ontleend aan Herodotus, evenals hetgeen er verder volgt. De Perzen waren zeer gesteld op den roem van goede boogschutters te zijn.
[464] Herodotus bericht, dat Darius eene dochter van Bartja (Smerdis), Parmys geheeten, bij Atossa tot vrouw nam.
[465] In alle musea, o. a. in het Leidsche, te vinden. De gedenkteekenen leeren, dat de Egyptenaren reeds in zeer vroegen tijd zich op allerlei wijze zalfden. De oogzalf, mestem, vinden wij reeds onder de 12e dynastie. De mummiën bewijzen, dat de hedendaagsche gewoonte om de nagels te verven, reeds in den tijd der pharao's bestond. Welriekende haarlokken waren een eerste vereischte voor eene schoone vrouw.
[466] Het Leidsche museum bezit een exemplaar van zulk eene doos.
[467] Zulk een handvatsel, en wel van eene doos, vindt men in het museum te Leiden, waar ook nog vele metalen spiegels bewaard worden, alsmede kammen, enz.
[468] Op de musea vindt men bij de mummiën allerlei vlechtwerk van koralen. Kapitein Henveys vond eenige jaren geleden een kolossale koraal, waarop een hiëroglyphisch opschrift was gesneden.
[469] Op de oude gedenkteekenen vindt men geene afbeeldingen van kameelen, terwijl het bekend is dat de Arabieren en Perzen zeer veel gebruik maakten van deze dieren, die tegenwoordig ook aan den Nijl onmisbaar zijn geworden. Toch was de kameel daar ook in de oudheid bekend, maar het schijnt dat de afbeelding van dit dier, evenals van den haan, verboden was.
[470] Eene stad nabij het noordelijk einde van de Roode Zee.
[471] Zie boven blz. 197.
[472] Herodotus doorreisde Egypte ongeveer zestig jaren na Cambyzes' dood.
[473] Op deze oase (thans Siwah) was een beroemd orakel, dat ook door Cresus was geraadpleegd, en later meer bekend werd, toen de groote Ammon verklaarde, dat Alexander de Groote de zoon eener godheid was.
[474] De door de reizigers zoo gevreesde Khamsin der Lybische woestijn. Een dergelijke wind, bekend onder den naam Samoem, wordt door de Turken Schamyele genoemd.
[475] De Apis zag er echter volgens de gedenkteekenen niet altijd eveneens uit. Op een Apis-standbeeld, dat Mariëtte liet uitgraven en thans te Parijs is, heeft men bovengenoemde kenteekenen gevonden, met zwarte verf op het lichaam geschilderd. Sommige bronzen Apis-beelden dragen den zonneschijf met den Uraeus-slang tusschen de hoornen.
[476] Volgens Herodotus gleed het zwaard uit en trof het dier in de dij, aan welke wond het bezwaarlijk kan gestorven zijn. Nu sterft Cambyzes ook aan eene dijwond, en de geschiedschrijver is er blijkbaar altijd op uit, om de vergelding van een misdrijf in een helder licht te stellen.
[477] De sage van Niobe, welker zonen en dochters door de kinderen van Leto, Apollo en Artemis, werden gedood is bekend. De namelooze smart over dit verlies deed haar versteenen. Zij was de rots op den top van het Sipylus-gebergte. De Niobe-groep, die in 1583 te Rome werd gevonden en thans te Florence wordt bewaard, is zoo niet het origineel dan toch eene voortreffelijke navolging van het werk van Praxiteles.
[478] De officieren van het Fransche fregat Luxor, die den bekenden obelisk van Thebe moesten overbrengen, vonden te Abd el Qoernah de mummie van Amasis' gemalin, half verbrand, in een lijkkist.
[479] De Atheners moesten aan Minos van Creta eene schatting leveren van zeven jongelieden en even zoo vele maagden. Toen deze schatting voor de derde maal werd gebracht, liet Theseus zich onder de jongelingen opnemen. Minos' dochter Ariadne verliefde op hem. Zij gaf hem een draad, met behulp waarvan hij het labyrinth weder kon verlaten, na het vreeselijk monster, den minotaurus, verslagen te hebben. Theseus vluchtte met haar naar Athene, maar verliet haar in stilte op het eiland Naxos.
[480] zie boven bl. 9.
[481] De hoofddenkbeelden zijn ontleend aan Plato's schets van een idealen staat.
[482] Herodotus laat alles te Susa gebeuren; doch in een opschrift van Behistân leest men: "Daar is eene vesting, genaamd Cikathauvatis, een streek genoemd Niçâya in Medië, daar heb ik (Darius) hem gedood." Het valt echter moeielijk uit te maken, welke stad hier bedoeld is.
[483] Uit de berichten van Herodotus en andere schrijvers, en uit het opschrift te Behistân blijkt genoeg, dat Cambyzes zich doodelijk wondde met zijn eigen wapen, zonder dat er grond bestaat om aan opzettelijken zelfmoord te denken.
[484] Herodotus maakt uitdrukkelijk gewag van Cambyzes' berouw in zijne laatste oogenblikken.
[485] Otanes, Intaphernes, Gobryas, Megabyzus, Aspatines, Hydarnes en Darius Hystaspes.
[486] Zie boven blz. 263.
[487] De Perzen vierden daarna op dezen dag een groot feest, het feest van den moord der magiërs.
[488] Volgens Herodotus hadden de zeven saamgezworenen met elkander afgesproken, dat zij te zamen buiten de stad zouden rijden. Hij zou koning zijn, wiens paard bij het opgaan der zon het eerst hinnikte. Weinige dagen te voren bracht de stalknecht van Darius eene merrie op de plaats waar men heen zou rijden, terwijl hij deze door den hengst zijns meesters liet dekken. Toen nu de saamgezworenen, op den bestemden dag, die zelfde plek naderden, begon het paard van Darius zijn loop te versnellen en luid te hinniken. Terzelfder tijd zou het bij een helderen hemel geweerlicht en gedonderd hebben. Het eerste verhaal is zoo geheel onwaarschijnlijk niet, omdat het paard aan de zon geheiligd was en men het wel voor een goddelijk teeken kon houden, wanneer het de opkomende Mithra tegenhinnikte. Voor het overige kon Darius, ook zonder de list van zijn stalknecht, deugdelijke aanspraken op den troon doen gelden.
[489] Atossa wordt dikwijls de uitverkorene gemalin van Darius genoemd. Hun zoon Xerxes werd door Darius tot zijn opvolger bestemd, ofschoon de dochter van Gobryas hem reeds vóor de geboorte van Xerxes drie mannelijke erfgenamen had geschonken. Herodotus verzekert uitdrukkelijk, dat de invloed en het aanzien van Atossa zeer groot is geweest. Aeschylus prijst haar in de "Perzen" als eene hooggeëerde, achtenswaardige vrouw.
[490] Ramses II werkte aan dit kanaal, waarvan reeds sporen worden gevonden uit den tijd van zijn vader Seti I. Necho vatte het werk weder op. Darius liet er vlijtig aan werken. Onder de Ptolomaeën werd het voltooid.
[491] Darius' naam komt op de Egyptische gedenkteekenen onder den vorm Ntarioesch voor. Die naam wordt het meest gevonden in de opschriften van den tempel in de oase el-Khargeh. Zeer merkwaardig zijn vooral de Egypto-Perzische gedenkteekenen op de landengte van Suez, met opschriften in hiëroglyphen en spijkerschrift. De Egyptische voornaam van Darius luidt gewoonlijk: "de door Ammon en Ra geliefde." Overal, bijv. op een porseleinen vaas te Florence en op papyrusrollen te Parijs en Florence wordt hij genoemd met de goddelijke eeretitels der pharao's.
[492] De eerste opstand, die uitbrak onder den door Cambyzes aangestelden stadhouder Aryandes, zou Darius, met een bezoek aan Egypte te brengen, onderdrukt hebben, bij welke gelegenheid hij honderd talenten beloofde aan hem, die een nieuwen Apis zou vinden. De tweede opstand begon eerst vier jaren voor Darius' dood. Xerxes bedwong de opstandelingen twee jaren na zijne troonsbeklimming, en benoemde zijn broeder Acha emenes tot stadhouder.