Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen, dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want Bartja's dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader, op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de stafdragers de zaal binnengeleid.
De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot inleiding: »Hebt gij een broeder?"
»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn, van zes broeders en zusters. Mijne ouders...."
»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?"
»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd."
»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en een mijner bloedverwanten opgemerkt?"
»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja, dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich thans nog bevindt, den prins noemde."
»Was hij in de laatste dagen te Babylon?"
»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst."
»Spreekt gij de waarheid?"
»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik mijn mond opende om een leugen te zeggen."
Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond hier!--Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden."
»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik, de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren binnen Babylon is geweest."
»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid."
»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen oogenblik uwe zijde verlaten heb."
»Dat weet ik!"
Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes; daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd, die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?"
»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende personen bij de Egyptische koningsdochter—Aoeramazda schenke haar vergiffenis!"
»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate te begunstigen?"
»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer: »Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels, in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd worden." Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok."
De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg: »Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is, niet bij u?"
»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar, eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar eene zelfstandige toekomst te verzekeren."
»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?"
»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd, dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje uit mijn huis te verwijderen."
»Wij weten genoeg," zeide de koning, den opperpriester door een wenk te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!"
Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe tint aangenomen.
»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk, dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!"
De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar een enkel woord uit te brengen.
»Mijn geduld is kort!" riep Cambyzes haar waarschuwend toe.
Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker, hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe, die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.
Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken, en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen, en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes zijn broeder toegestaan had mij te huwen!"
Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even te glimlachen.
Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest, zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.
»Duizendmaal," riep zij, »kuste mijne meesteres al de dingen, die men haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam zij bloem voor bloem in de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan uwe goedheid te bewaren."
Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes" met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te hebben gesmeekt.
Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij: »Uit mijne oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!"
Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit mijne oogen" klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis, om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!"
Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings, terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen, en hem dood of levend over te leveren.
Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen achterhaald had.
Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een mondgesprek liet verzoeken.
Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep: »Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten dank verschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten [318] te doen uitbetalen."
»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken."
»Misbruik haar dan!" antwoordde de koning met vriendelijken lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten, aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!"
Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen, als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar; Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten, want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van haar woest kind te beteugelen.
Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel, en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin, Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius, wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar vader vereerde;--kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige gebeden tot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar de verdediging van Nitetis aan te hooren.
Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken, zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen, zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.
Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten, verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï [319], de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!"--Dezelfde paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.
Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon, en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij, bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg: »Hebt gij mij lief, Sabaces?"
»O, meesteres!" zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.
»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn ouden goeden Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg, dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk, maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die beiden ter hand worden gesteld."
»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten."
»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen te verlustigen?"
»Ik zal het beproeven."
»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer spoedig terug!"
De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na, en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd groene cypres: trouw en onwankelbaar."--Na verloop van een uur keerde de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een in bloed gedoopten Indischen doek.
Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten, drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot zichzelve: »Bartja's ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij veil heeft."
Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met bittere tranen.
Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet, en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons gespaard blijven!"
En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde dan haar zwakken arm.
De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd, dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den druk van Atossa's warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had gegeven, naast haar rustbed.
Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende, dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde, en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.
Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin, daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet schuldig zijn!" Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der jeugdige lente over een rozenbed.
»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!" riep Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen, op de knieën viel.
Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene, en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!" Geen verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!"
Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening, met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik, mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig."
»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!" riep Atossa, de vriendin met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.
»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het wankelen," sprak de koningin-moeder.
»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!" antwoordde Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme, kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem niet meer vergeten.--Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis, dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij vergif te nemen. Ach, mijn hart!"
Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen, en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood nog eenige dagen!"
Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met tranen besproeide.
»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!" gebood de oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór alle dingen is rust noodig."
Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts, zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?"
»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten gevolge hebben."
Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle priesters en mobeds [320]! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven, ik beveel het, ik, de koning!"
Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met het gouden kettinkje aan den voet.--De blikken der lijdende vielen het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O, welk een geluk!" Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!"
Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.