Een verlaten post · Johanna van Woude

Chapter 2: Hoofdstuk 2

"Ik begrijp niet waar je die gratie vandaan hebt, kind!" zeide mevrouw Gerlings met hare kwijnende stem, terwijl zij nog een gaslicht ontstak om Renée beter te kunnen zien. "Zeker van je mama: zij was ook net een veertje."

"Ja, tante?" vroeg Renée, hare japon dichtknoopend.

Zij droeg een zilvergrijs kleedje, in den verloopen zomer uit Parijs medegebracht en op haar dorpje nog weinig gedragen.

"O, je doet mij telkens aan haar denken," ging mevrouw Gerlings voort op de lieftallige, innemende wijze, welke zij zich had eigen gemaakt. "Zij werd een vriendin van mij, omdat wij in dezelfde stad woonden en met twee broers geëngageerd waren, maar na ons trouwen.... och toen liepen onze wegen meer uiteen. Wij waren uit zulk verschillend hout gesneden.... Kijk eens, wat een figuurtje nu! Zonder corset negentien jaar geworden.... 't Is ongehoord!"

"Papa vond het gezonder," antwoordde het meisje zacht.

Mevrouw Gerlings antwoordde niet; zij was ijverig bezig nog iets te veranderen aan Renée's weerspannig bruin haar, dat nu in een bevallige wrong op het kleine hoofdje lag.

"Zie zoo, nu ben je al een heel andere Renée dan toen je uit het rijtuig sprong met je wit wollen baret en hangende vlecht. Ik zal eer inleggen met mijn nichtje. Het is wel jammer dat wij dat avondje nu geven moeten zoo kort na je komst; maar het was nu toch het avondje van Huug.... Ik heb je immers gezegd dat ik een broer heb?--Nu, dat is Huug; een vroolijke, lieve jongen. Of eigenlijk een man, want hij is al twee en dertig jaar; maar ik ben wat ouder dan hij, daardoor schijnt hij mij altijd nog een jongen,--een allerliefste jongen."

Onwillekeurig dacht Renée aan een dikwerf herhaalde bewering van haar papa, dat "lieve" jongens doorgaans geen flinke jongens, "lieve" mannen geen flinke mannen zijn, maar zij had te weinig ervaring om te kunnen beslissen of deze bewering waarheid inhield.

"Natuurlijk zou hij je een visite hebben gebracht, als hij geweten had dat je hier waart. Maar je begrijpt: alles is zoo overhaast gegaan. Hij komt altijd om de veertien dagen een avondje, en nu vond oom het geschikt tegelijk die kennissen te vragen, omdat wij voor Huug toch altijd een lekker soupertje klaarmaken.... Die ondeugd, men moet hem wat lokken, weet je; tenminste, daar verdenk ik hem van. 't Is ook altijd een heele reis voor hem, want zijn kamers liggen aan het andere einde der stad.... Kijk eens, zoo'n enkel zilveren pijltje in je haar staat goed bij de zilveren broche en armbanden.... Gelukkig dat je papa je altijd verbood te rouwen! En heel verstandig ook. Een jong meisje in den rouw kan ik niet zien.... Huug ontmoet je nu straks vanzelf. Je hebt immers werkelijk wel lust binnen te komen?"

"Wel zeker, tante," antwoordde Renée voorkomend, "ik wil uwe vrienden graag eens leeren kennen," maar zij sloeg hare oogen niet op, vreezende dat deze geheel iets anders verraden zouden.

"Och, je bent natuurlijk erg bedroefd; maar dat zijn zoo van die dingen, die men maar op zijn kamer laten moet, niet waar?"

Renée gevoelde zich pijnlijk getroffen, als greep iemand met ruwe hand in de fijnste snaren harer ziel. Bij dergelijke gezegden—en zij had er in die weinige dagen reeds vele zoo gehoord,--gevoelde zij maar al te goed, evenals hare moeder "van ander hout gesneden" te zijn dan deze vrouw, die haar in de eerste dagen toch zoo had aangetrokken door hare schoonheid en innemendheid.

"Maar ik zou je nog van Huug vertellen," ging mevrouw Gerlings voort, terwijl zij met hare blanke vingers een der strikken op Renée's japonnetje wat opdofte. En zij babbelde maar voort, het verstrooide meisje verhalend hoe Huug vermaard was om zijne vlugheid met den degen, bewonderd werd om zijne behendigheid op de jacht en benijd om zijn geluk bij de vrouwen.

Die laatste uitdrukking kwam niet tot klaarheid in het brein van Caesar's vriendinnetje, maar zij vroeg er geen verklaring van. Hare gedachten dwaalden. Zij wijlden niet rustig in het oude huis of bij een enkel punt in het verleden of de toekomst, maar zij waren nu hier, dan daar, zooals gedachten doen, wanneer men zich nieuw en vreemd gevoelt in een nieuwe, vreemde omgeving. En werktuiglijk antwoordde of glimlachte zij, al naar zij dacht dat van haar verwacht werd. Maar daar was een droef heimwee in haar, dat haar geheel vervulde, dat haar blik mat maakte en hare bewegingen langzaam en hare stem zacht.

"Nu, loop eens naar den spiegel," zeide mevrouw Gerlings recht tevreden. "Om je de waarheid te zeggen: ik had verwacht een boerinnetje te zien, maar je papa heeft eer van zijn opvoeding, dat moet ik zeggen.--Wacht," vervolgde zij opeens levendig, "bijna zou ik nog vergeten je te poederen. Je teint is ook nog zoo gaaf en glad, maar niet blank. Sla dien handdoek even om.... Wat?"

Ditmaal week Renée beslist terug.

"O neen, tante, geen poeder!" en zij staarde met zekeren afschuw naar het donzen kwastje, dat hare tante reeds opgeheven hield.

"Waarom niet?!" riep mevrouw Gerlings uit, verwonderd lachend.

"O neen," herhaalde Renée onrustig, "ik weet niet goed waarom niet. Ik ben verbrand, dat weet ik, en het zou zeker heel mooi staan, maar.... er is zoo iets in—u moet er niet boos om zijn, tante—zoo iets, alsof ik mij anders wil voordoen dan ik ben. Heusch, tante,.... neen, ik kan er niet toe besluiten."

Blijkbaar was zij zeer verlegen over hare besliste weigering, en nochtans—het was duidelijk merkbaar—zij zou er bij blijven.

Mevrouw Gerlings maakte zich nooit boos. "Dat geeft rimpels," placht zij te zeggen en dus duwde zij het kwastje weer in de doos.

"Wel kind, als je er tegen hebt, zullen we het niet doen," zeide zij lachend, maar in hare neergeslagen oogen flikkerde spot over Renée's "overdreven denkbeelden." "Nu, kijk eens in den spiegel. Ik heb je haar wat opgestoken, en een paar kleinigheden.... zie je, laatste smaak en," zij begon weer te lachen,--"zooals je daar staat, zoo ben je."

"O!!"

Dat was alles wat Renée in de eerste opwelling van verrassing en bewondering uiten kon. Was zij dit slanke, bekoorlijke schepseltje, met de aardige krulletjes langs hals en voorhoofd, welke haar geheele gezicht zooveel mooier maakten, en dat schitterende pijltje in het opgestoken haar, dat vroeger glad naar achteren lag? Had die hals vroeger ooit zoo blank geschenen als in dit wolkachtig plooisel?--die polsen ooit zoo slank als in die zilveren armbanden?

En toch beviel zij zichzelf maar half; van de oude, wilde, ongeharnaste Renée was zoo weinig overgebleven; alleen daarbinnen, daar was zij nog.

"Ik bewonder uwe kunst, tante," zeide zij vriendelijk.

"Ja, dat dacht je niet, hé?.... Toilet is alles, kind. Wat mijn uiterlijk betrof, heb ik al vroeg de kunst geleerd, die door sommige jonge meisjes veel te veel veronachtzaamd wordt: to make the most of it.... Nu, ik ga vast naar beneden. Je komt zeker ook dadelijk, niet waar.

"Zij moet er plezier in krijgen," dacht mevrouw Gerlings recht voldaan, terwijl zij in haar elegant toiletje de trap afging. "Er moet leven in komen; dan kan ze hier een goed huwelijk doen! Wat een vervelende last zou zij worden, als het lang duurde. Maar ze is mooi en aantrekkelijk, een echte ingénue.... Ja, zij trouwt bepaald gauw.... Wat een taille; als een ree...."

En de coquette veertigjarige dame trad peinzend haar salon binnen, voornemens in den spiegel haar eigen middel nog eens te vergelijken met het slanke figuurtje boven; maar een mannenstem hield haar van dit voornemen terug.

"Mijn hemel, Lucie, wat maak je lang toilet! Ik wacht hier al een kwartier," en een jonge man in uniform trad naar voren en reikte haar de hand. Hij deed dat met een zekere matheid, misschien uit gewoonte, misschien uit gebrek aan hartelijkheid.

Hij was een dier mannen, welke overal de aandacht—vooral de aandacht der vrouwen—trekken, door hunne hooge gestalte en fraaien kop. Er lag iets edels in het niet fijne, maar fijnbesneden, aristocratisch gelaat, trekken, hem bij de geboorte door een vriendelijke fee geschonken en misschien lang bewaard; maar nu lag er tevens een ontsierend waas over van genotzucht en oververzadiging tegelijk.

"Ik heb je in het geheel niet hooren komen, Huug. Ik was boven. Hoe gaat het?.... Ik heb groot nieuws," vervolgde zij dadelijk.

"En?"

"Ons nichtje, Renée Gerlings, is hier."

"Wat?--Toch niet om te blijven?"

"Ja zeker.--Je weet dat Albert's broer gestorven is.... Appropos, je hadt wel eens kunnen komen condoleeren."

"Onzin. Albert gaf niets om hem."

"Maar voor den vorm!"

"Voor den vorm heb ik een kaartje gezonden. Och," vervolgde hij ietwat ongeduldig, "je weet dat Albert om mijn troostredenen niet verlegen is.... En toen?"

"Nu, toen hij op zijn sterfbed lag, liet hij telegrapheeren of wij haar wilden nemen.... Wat zal je doen in zoo'n geval!" ging zij voort, even hare schouders ophalend en hare blanke, mollige handjes uitbreidend. "Bij zijn leven bemoeiden de broers zich weinig met elkander, vooral doordat zij en ik zoo weinig sympathiseerden. Maar nu dat telegram kwam, seinde Albert dadelijk terug dat ons huis voor haar openstond.... Ja, wat zal men anders doen! Zoo'n laatsten wensen van je eenigen broer!.... niet waar?.... Zoo kun je soms onverwachts in een leelijk parket komen."

Hij draaide peinzend zijn langen, donkeren knevel om zijn wijsvinger.

"Een koopje, hoor!--Je stuurt haar naar kostschool zeker?"

"Wel neen, ze is volwassen."

"Is dat kind nu al volwassen?" vroeg hij verbaasd.

"Ja jongen, de tijd vliegt. Ze is negentien; wel een echt kind nog, zooals die buitenmeisjes zijn, maar we zullen haar wel gauw wat fatsoeneeren. Straks komt ze binnen.... Ik ben eigenlijk blij dat ik je nog even spreken kan: ik wou je wat vragen."

"En dat is?"

"Kom wat drukker en breng wat goede vrienden van je mee," vroeg zij vleiend. "Uitgaan doet ze nog niet, maar hier aan huis kan zij natuurlijk ieder ontmoeten. Ik zou met een jaar of zoo graag weer van haar af zijn. Ze is lief, maar zoo'n doorloopende logée is toch vervelend."

Hij fronste de wenkbrauwen, maar antwoordde niet rechtstreeks.

"Zeker leelijk?"

"O neen, een snoesje!.... En dan—origineel, weet je," ging zij voort, hare indrukken verzamelend. "Wel een beetje een soldatenkind en...."

"Dat is een compliment."

"In jouw oogen, maar in de mijne niet," lachte zij vriendelijk, bevreesd hem uit zijn humeur te maken. "Overigens nogal fortuin. Ik reken op je hulp, Huug.... Maar scheelt er wat aan?" vroeg zij, op eens het gesprek op hem zelf brengend. "Ik vind dat je bleek ziet."

"Ik!" riep hij uit, als achtte hij zulk een veronderstelling van onwelzijn van een kloek man een beleediging. "Maak je niet bezorgd, hoor!.... Neen, ik heb tegenwoordig het land, dat is het. Ik verveel mij."

"Waarom trouw je toch niet?"

"Ja.... God!.... maar met wie?" riep hij uit, met een gebaar van wanhoop.

"Och kom, ieder wil je graag hebben, en er zijn toch meisjes genoeg!"

"Geen naar mijn zin. En als ik trouw, doe ik het magnifiek.... Voor de vrijwillige ballingschap moet ik ten minste ook vergoeding hebben," wierp hij lachend tegen met zijne welluidende, klankrijke stem. "Ik vind het ook werkelijk geen kwaad idée."

Hij, van alles verzadigd en toch smachtend naar nieuwe emotie, was tot het besef gekomen dat éen levensgenot hem nog een gesloten paradijs gebleven was: het huiselijk geluk. En schoon hij tot hiertoe de poort van het paradijs met zijne vrienden spottend was voorbijgegaan, nu wilde hij die eindelijk eens openen en daarbinnen een kijkje nemen, nieuwsgierig naar de zoete mysteriën daarachter verborgen, zeker—straks nog had hij onder het genot van een geurige havana op zijn sofa liggen peinzen over een mogelijk huwelijk, kalm overwegend, voorzichtig berekenend.... Een mooi en natuurlijk rijk meisje, jong als Aurora.... Zij zou hem een gezellig thuis geven—een paar kinderen.... hij hield wel van kinderen. Hij zou wat minder druk uitgaan—dat zou beter voor zijne gezondheid zijn ook.... Hij zou meer een geposeerd man worden, lid van dit en van dat.... een huishouden geeft altijd meer waardigheid. Hij was ook al zoo jong niet meer.... Zeker, zeker, geen kwaad idée. Het begon hem werkelijk meer en meer toe te lachen....

En zoo lang als hij was, had hij zijn groot, vadsig, weldoorvoed lichaam eens tusschen de fluweelen pouffs uitgerekt, zich geheel overgevend aan den invloed der genotsprikkels, die van alle zijden op hem inwerkten door middel van een getemperd vuur, een smaakvol en weelderig gemeubeld vertrek, een droomerige stilte, een zachte ligging en den fijnen geur der havana.

Maar van al die overleggingen sprak hij geen woord tot zijne zuster.

"Als je een goede partij voor mij weet," vervolgde hij vroolijk, "dan stuur je maar een boodschap."

"Wel," zeide zij peinzend, voor den spiegel nog hier en daar de golfjes en krulletjes van haar kapsel een duwtje gevend, "een van de Graantjes bijvoorbeeld;.... zulke aardige meisjes!"

Hij maakte een afwerende beweging.

"Te leelijk, hoor!"

"Eva Wilson?"

"Boe, die blauwkous kan ik niet uitstaan."

"Haar logéetje dan?.... Die moet puissant rijk zijn."

"Maar de dochter van een parvenu!" antwoordde hij, zijn trotsch gelaat vol minachting.

"Laura van Vuren dan?"

"Dat coquette schepsel! Laat een ander daarmee in zijn ongeluk loopen!.... Och neen, Luus, houd maar op. Ik geloof niet dat ik in de wieg ben gelegd voor het huwelijk. Vrijheid bovenal! Alle vrouwen vervelen me, zoodra ik denk dat ik ze levenslang tegenover me zal hebben."

Eigenlijk verdroot het hem zich door zijne zuster in een dergelijke quaestie te laten raden.

Op dit oogenblik draaide Renée het licht op hare kamer uit, gereed naar beneden te gaan; maar het venster opschuivende, bleef zij geboeid door de stille pracht van den avondhemel.

Kleine, donzige wolken hingen bijna roerloos in het luchtruim en hoog boven hen troonde de maan, nu stralend in volle pracht, dan wegschuilend en slechts door een matten glans verradend, waar zij was. De avondkoelte blies ritselend in de dorre bladeren, die nog aan de heesters in den tuin hingen; overigens was alles stil.

Renée kende de stemmen der natuur, zij was er vertrouwd mede; en terwijl zij daar stond, kwam plotseling een gevoel van bevrediging, van vertroosting over haar. Een diepe zucht steeg op uit hare borst, welsprekender dan stroomen van tranen. Zij kon den blik niet afwenden van dien avondhemel, die haar als een lieve oude bekende was. Zij had willen heenvliegen als een vogel, dáár, ver door die glanzende ruimte, die schoonheid, die heerlijkheid te gemoet—en ver van dat salon beneden, vol vreemde menschen. O, dat verlangen in haar hart!--zij wist niet waarnaar;--dat heimwee!--zij wist niet waarheen. In hare nieuwe omgeving gevoelde zij zich zoo misplaatst, zoo neergeworpen, als een plant, welker wortels ruw zijn losgerukt en in den nieuwen grond zich maar niet vasthechten kunnen. Haar omzweefden duizend liefelijke herinneringen, gelijk ieder mensch ze met zich omdraagt, visioenen van "vroeger," van alles, wat eenmaal het geluk uitmaakte van het nu eenzame hart.

Zij gevoelde het, meer dan zij het onder woorden brengen kon: in dit huis was liefheid, aanhaligheid, schijnbare hartelijkheid—maar dit waren alle slechts armzalige nabootsingen van het heerlijke, zuivere goud der ware liefde, dat tot hiertoe zijn glans op haar had afgestraald.

Haar hart, overvloeiend van erkentelijkheid en van de warme genegenheid, die de jeugd zoo spoedig heeft weg te schenken, had zich reeds bij de wel niet koele, maar toch evenmin warme ontvangst half gesloten, als de pas geopende rozeknop voor den killen adem van den noordenwind: en nu lag het in hare borst als een gegrendelde schatkamer vol kostbaarheden: liefelijke herinneringen, zoete gedachten, lieve geheimen...

Zij wendde zich van het venster af; het was haar als had zij met het verleden gesproken. Zij gevoelde zich verkwikt.

Toen zij vijf minuten later de gezelschapskamer binnentrad, was zij met haar opgewekt glimlachje geheel naar genoegen harer tante; naar het scheen had zij al hare droefheid op hare kamer achtergelaten.