"Och kind," zeide mevrouw Verhulst en zij zag Renée aan met den beschermenden glimlach, dien een ervaren wereldlinge zich veroorloven mag tegenover een pas getrouwd vrouwtje, dat zoo juist met schitterende oogen over de heerlijkheid van het leven heeft uitgeweid, "als men ouder wordt, beschouwt men alles zoo anders. Dan krijgt men een geheel ander kijkje op het leven."
"Maar het huwelijksgeluk...."
"Juist dat huwelijksgeluk is zoo hersenschimmig," zeide mevrouw Verhulst met de hand wuivend. "Natuurlijk—als men jong is, heeft men idealen, dat is bij alle menschen eender. Kijk maar naar de geëngageerde luidjes, die loopen allemaal met de hoofden naar elkaar gebogen, maar na tien jaar doen ze heel anders. Idealen en hersenschimmen behooren bij de jeugd en gaan ook met de jeugd over."
"Maar de liefde kan toch blijven," wierp Renée bescheiden tegen, bescheiden alleen om haar verschil in jaren met de spreekster, maar met heilige, onwrikbare overtuiging in het hart.
"Och, liefde is ook al een hersenschim, bij de mannen ten minste. Het egoïsme drijft bij hen altijd weer boven. Ieder klein gekkinnetje droomt er van een meester, een meerdere te zullen vinden, tegen wien zij kan opzien; maar hoe anders komt dat meestal uit! De vrouwen moeten tegenwoordig als schildwachten staan bij de deugd van hare mannen!" En zij lachte, maar bitter, weemoedig bitter, zoodat Renée heimelijk dacht dat wel een diep leed ten grondslag moest liggen aan zulk een hard oordeel.
Hoe gelukkig, hoe trotsch, hoe rijk voelde zij zichzelf! School al eenige waarheid in zulke beweringen, dat alles ging toch buiten haar klein paradijsje om, waar "de tijdgeest" niet binnen mocht treden, maar waar slechts geofferd werd op het altaar van het eeuwig schoone en goede: liefde en trouw. Zij luisterde wel is waar met huivering naar de voorbeelden, door hare bezoekster te berde gebracht, maar twijfelde heimelijk aan de waarheid er van. Wel begreep zij nu het leven en de maatschappij een weinig anders dan vóór haar huwelijk; wel dacht zij er soms met weemoed aan hoeveel zonde en schuld in de wereld rondwaarden; doch er was geen punt van aanraking tusschen die wereld en haar zonnig huis, haar kleinen tempel van geluk.
Daaraan dacht zij, toen zij, alleen gebleven, aan het venster post vatte om naar haar man uit te zien. 't Was eigenlijk nog wel wat vroeg, maar op hem wachten was ook een heerlijke bezigheid. Wat zou zij ook anders doen? Van den morgen tot den avond was haar leven een genieten van zijne tegenwoordigheid, een verlangen naar zijn terugkeer.
Die arme mevrouw Verhulst, dacht zij. Zou zij ongelukkig gehuwd zijn?.... Haar man zag er niet prettig uit, heel anders dan Huug, haar Huug....
Hare borst rees en daalde sneller bij de gedachte aan hem.... O, dat was immers juist zoo heerlijk in het leven dat men alleen door de liefde tot het huwelijk komen mocht; "want," zoo redeneerde zij heel wijsgeerig, "immers de liefde alleen geeft ons de kracht om onze gebreken te bestrijden en dan veredeld en gelouterd te zamen het leven in te gaan!"
Die arme mevrouw Verhulst! Kon zij haar toch maar overtuigen!.... En andere menschen, die ook al zoo dom praatten.... Maar daartoe zou zij eigene gedachten en gewaarwordingen moeten brengen in vreemde harten, en dat ging niet. Misschien ook was niemand ooit zoo gelukkig geweest als zij, en al was zij nu bijna reeds vijf maanden getrouwd, het was alsof dat geluk nog dagelijks grooter werd.
Nu voelde zij iets aan hare hand; het was Caesar, die zijn kouden neus liefkoozend tusschen hare vingers duwde. En zij streek hem teeder over den kop en dacht aan dien heerlijken Augustusdag, toen zij van hun huwelijksreisje thuis kwamen en Huug, de deur openend, lachend zeide: "Treed binnen, mevrouwtje!" Wie was toen de eerste geweest, die haar verwelkomend te gemoet was gesprongen, die met luid geblaf en woeste sprongen gezegd had: "Ik heb zoo naar je verlangd." Niemand anders dan Caesar, die lieve, goede Caesar! O, dat gevoel—zoo lang ontbeerd—van dien vochtigen snoet en die zachte, warme haren! Tallooze herinneringen waren er plotseling mede voor haar geest gerezen; het was als een groet, een zegening voor haar uit het oude huis, juist nu zij hare intrede deed in een nieuwe, eigene woning! En toen zij, met hare armen nog om Caesar's hals, bij wien zij was neergeknield, den vochtigen blik naar Huug had opgeheven, toen had zij aan zijne stralende oogen gezien dat zij niemand anders dan hem deze verrassing te danken had.
Weer zag zij naar buiten. De straten waren dik besneeuwd. Nu en dan rinkelde een ar voorbij. Jongens waren aan het sleden, en sneeuwballen vlogen van alle zijden door de straat. Maar het was toch geen vroolijk schouwspel, want de lucht hing er zwaar en droevig over, geelachtig grauw, als was zij vol nieuwe sneeuw.
Maar in Renée's hart scheen een warme zomerzon. Zij dacht aan die hooggeplaatste Russische vrouw, van wie zij pas gelezen had dat deze haar echtgenoot gevolgd was naar Siberië en zij dacht dat zij dit zelf ook zou doen. Zij zou hem volgen door ontbering en ellende, tot in "de schaduwen des doods". In hare hooge stemming hield zij er van versregels of bekende uitdrukkingen uit gewijde literatuur zacht bij zichzelf op te zeggen, uitdrukkingen, die zij zich van vroeger herinnerde, maar waarvan zij nu pas recht al de diepte en schoonheid begreep. Alle hadden zij betrekking op Huug, op hare koning, haar afgod! Zoolang zij elkander zóó liefhadden, welk leed kon hen dan treffen: slechts de dood kon scheiding maken tusschen hem en tusschen haar, gelijk de bijbeltekst zeide. Zoolang dat zalige gevoel van vereering haar hart vervulde, zoolang zij met geheel hare ziel dien man aanhing, hem haar leven wijdde, een leven van stille, maar diepe vereering, omgaf haar een pantser, dat haar tegen ieder leed beveiligde. Zij was niet godsdienstig opgevoed, maar zij begreep nu volkomen het geluk, dat geloof, liefde en vertrouwen in een aangebeden godheid den mensch kunnen schenken; zij begreep den drang, die in oude tijden de menschen zich had doen werpen onder de alles verpletterende wielen van den wagen des Gods, dien zij liefhadden; zij begreep de doodsverachting der martelaren en de zelfontzegging der kloosterlingen. Vereering—zoo heette de sleutel tot al die raadselen, en die zaligmakende kracht was ook in hare ziel gekomen en vervulde er alles met gouden glans.
Nu was haar ideaal werkelijkheid geworden: zijn kleine schildwacht was zij; van den morgen tot den avond mocht zij waken over zijn geluk. Des morgens omgaf zij hem met duizend teedere oplettendheden; niemand mocht ooit die kleine zorgen en bezigheidjes van haar overnemen. Des middags ontving zij bezoeken om zijnentwil of legde ze af, bij allerlei vreemde menschen, die haar volkomen onverschillig waren, maar aan wie zij door haar stralend gezichtje steeds de overtuiging gaf dat hij "de beste man der wereld" was, gelijk zij hem werkelijk soms in intiemer kring ook lachend noemde, wanneer de stroom van zoete gedachten haar te machtig werd en uit moest barsten, ondanks haarzelf. En des avonds vulde haar salon zich met bezoekers—o, zoo vermoeiend soms!--maar heerlijk toch ook, als zij zag hoe hij genoot; als zijn blik dwaalde langs de smaakvol versierde wanden of op háár bleef rusten, zooals ze daar zat, slank en bevallig, achter haar theegoed, dat zij zoo aardig hanteerde. Nooit, zoolang zijne moeder van hem was heengegaan, had hij zich zoo tehuis gevoeld; nooit was hij omringd geweest van zooveel oplettendheid.
En hoe graag ging hij met haar uit! Zij was zoo mooi, dat de menschen op straat bleven stilstaan om haar na te zien; het was als straalde er licht van haar af, als omgaf een aureool dat reine, lieve kindergelaat, en menig dof oog verhelderde, menige in bitterheid saamgenepen mond ontspande zich tot een glimlach, als zooveel geluk voorbijging.
Ha, daar kwam hij! Hunne blikken kruisten elkaar als gouden stralen.
Bij de deur wachtte zij hem op. Een lange kus, een wisseling van teedere, zoete woordjes.... zij waren nog even dwaas verliefd als in hun kort engagement.
"Wachtte je op me?" vroeg hij.
"Ja," antwoordde zij glimlachend. "Je weet wel: als je weg ben, wacht ik altijd op je. Dan leef ik maar half.--Kom, doe nu gauw dat vervelende paradepak uit, dan ben je meer op je gemak."
"En de receptie bij den kolonel dan?"
Een uitdrukking van groote teleurstelling kwam over haar opgewekt gezichtje.
"O, die had ik vergeten.... Hè, hoe saai!"
"Ik kwam maar eens even naar je kijken. Ik geloof dat ik ook alweer verlangde," en toen glimlachten zij elkaar toe.
"Maar er is niets aan te doen," hervatte zij dapper. "Ga maar gauw. Het kan vlug afloopen, niet?"
"Een uur gaat er spoedig mee heen," zeide hij haar vertroostend op het voorhoofd kussend.
"Neem een rijtuig, Huug. Kijk, het begint te sneeuwen."
"Ja, wees maar niet bezorgd, kleintje."
Hij behandelde haar met een teederheid, die een reus voor een kind zou aan den dag leggen, maar het was een eerbiedige teederheid. Hij gevoelde haar louterenden invloed op zijn zieleleven, hoewel dan ook onbewust uitgeoefend, en was er dankbaar voor. Hij wist het: wat zij in hem zag, was hij nog niet, maar meer en meer wilde hij het worden. Hij vorderde: hij won krachten en de tijd zou komen, wanneer hij haar waardig zou zijn.
Soms, als hij haar toefluisterde hoe lief hij haar had, voelde hij plotseling tranen in zijne oogen wellen—van overstelpend geluk. Want zijne liefde, vroeger zoo vol zelfzucht, had zich gewijzigd tot dat vurig verlangen, alle ware liefde eigen: het beminde voorwerp te beschermen en veilig door het leven te doen gaan, geschraagd door zijne kracht, beschut door zijne armen....
"Adieu, lieveling!"
Het laatste, wat hij van haar zag, was haar blozend, lief gezichtje, dat hem achter de groote spiegelruit vriendelijk toelachte, tot de sneeuwvlokken haar voor hem onzichtbaar maakten.