Dokter Helmond en zijn vrouw · Jacobus Jan Cremer

Chapter 21: Hoofdstuk 21

't Was Augustus.--Reeds sedert eenige dagen hebben Helmond en Eva hun nieuwe woning betrokken.

Inderdaad, het deftige oud-burgemeestershuis was prachtig opgeknapt, zoowel vanbuiten als vanbinnen. Ja, en men komt zoo van 't een op 't ander. De stadstimmerman beweerde dat dokter het huis "schandekoop had: tweeduizend gulden voor reperaties—met de serre, waar mevrouw zoo'n zin in heeft gehad erbij--'t was hem wel driehonderd gulden meegevallen. Zoo goed als present!"

De zaal, waarin Helmond en zijn vrouw zich op dit oogenblik bevinden, is de kleinste der beide zalen in het huis, en werd de Oranjezaal genoemd sedert Koning Willem I er op zekere doorreis, bij den voormaligen hoogadellijken burgemeester een collation gebruikte.

Eva heeft aanstonds een bijzonder zwak voor deze zaal gehad. Het prachtige stukadoorwerk met zijn fiks gesneden cherubs; de fraai geschilderde doeken aan den wand—Arkadische landschappen voorstellend: de hooge zeer kunstig gebeeldhouwde schoorsteenmantel, met zijn prachtig wit marmeren beeldengroep in 't midden en een paar wapenschilden in 't lofwerk erboven, dit alles heeft Eva van het eerste oogenblik afaan ten zeerste bekoord.

En dan, niet al te groot en daardoor ongezellig: een vroolijk uitzicht hebbend op het ruime marktplein met de frisch groene linde- en kastanjeboomen; zóó, keurig gemeubileerd, was het niet vreemd dat Eva de Oranjezaal tot het vertrek heeft gekozen, waar ze het meest vertoeven en haar vrienden ontvangen zal.

Ja zelfs August, die in den laatsten tijd wel wat somber en afgetrokken was--"geen wonder na de infame behandeling van den ouden despoot"--zelfs August die eerst in de onaangename bui drie stuks meubels voor de Oranjezaal onbarmhartig van het lijstje had geschrapt, hij stond verrukt toen hij voor 't eerst een kijkje mocht nemen, en zijn Eva met een kus moest toestemmen, dat, zonder de drie stuks—die ze natuurlijk tóch maar komen liet—het geheel lang niet zóó zou voldaan hebben.

Weinige oogenblikken geleden heeft Helmond een boodschap van zekeren boer Bikkers ontvangen, om aanstonds op De Schebbelaar te komen.

Dat verzoek kwam zeer ongelegen. Dokter Helmond heeft het dezen morgen zóó met zijne visites geregeld dat hij den namiddag vrij had.--Het theegoed stond reeds gereed; men wachtte behalve papa en mama Armelo, den majoor Kartenglimp, die den uitslag zijner nasporingen betreffende de veronderstelde afstamming der kapiteinsfamilie van de graven Van Armeloo, zou komen meedeelen.

"Ja August, 't zou al heel onredelijk van me zijn indien ik niet volmondig toestemde, dat je als een lieve brave man hebt woord gehouden. Welzeker heb je getoond dat ik je onverdeelde liefde bezit, ja, door alles te doen wat mij genoegen kon geven, wanneer het namelijk niet in strijd was met je plicht. Maar mij dunkt, je neemt het nu met dien plicht wat al te zwaar. Of je een paar uur vroeger of later naar dien boer gaat, dat zal zooveel niet uitmaken. Aanstonds zullen de oudelui en de majoor hier zijn. Je dient er toch bij te wezen August, en 't zou me bepaald een groot verdriet doen als je nu heengingt."

"De Schebbelaar ligt een heel eind buiten de stad Eva. Men kan niet weten; misschien is er werkelijk haast bij."

"Die menschen hebben altijd haast August."

"'t Is waar, de boer wacht langer met den dokter te roepen, dan hij zelf wachten wil. Indien ik wist dat Kartenglimps verslag wat spoedig afliep...." Hij ziet naar de pendule; "Maar nee 't is toch beter....."

"We kunnen hem immers zeggen dat je wat haast hebt, en later neem je een vigilante."

"Nee Eva, vigilantes nemen dat kan en wil ik niet, dan zou ik zelf op die visite een gulden toegeven."

"Och arm arm mannetje!" zegt Eva; en opstaande komt ze aan zijn zij, en hem zacht onder de kin strijkend, vleit ze met zoete stem: "Zal dat nu altijd zoo blijven?"

"Wat meen je lieve kind?"

"Nu ja, wát meen ik.... Niet boos worden August!"

"Boos....? Geef ik zooveel reden om dat te vreezen?"

"Nee zeker niet. Maar...." Aarzelend: "We zijn immers één als man en vrouw; en waarom dan altijd die achterhoudendheid! Toen je mij 't eerst van liefde hebt gesproken, toen vroeg ik er niet naar of je..... rijk waart; maar, nu ik het weet—ja natuurlijk, ik weet het—nu moest je vis-à-vis je eigen vrouw dat vertoon van armoede, of wat er naar zweemt, toch laten varen.--Is het uit vrees August, dat ik op den duur wat veeleischend zal worden? O, geloof me, wanneer je mij in alles je vertrouwen woudt schenken, dan zou je me waarschijnlijk al gauw moeten opdringen wat ik nu onstuimig begeeren blijf." Hem liefkoozend: "We dokteren zoo wat voor liefhebberij.... hé....? en hebben fortuin, nog al veel fortuin....?"

"Ik, Eva, ik?"

"Nu ja, van mijn kant is er geen quaestie van. Pa en ma hebben geen sous; en tante in Den Haag heeft haar fortuintje in een levensverzekering gestoken. Als de goeje ziel morgen sterft: La bonne nuit ses écus!"

"Nee Eva, je bedriegt je; ik heb geen...."

Eva legt hem snel de hand op den mond: "Stil, niet jokken. Foei, die guldens- en stuiversberekeningen á la Zonsberg, zouden den besten en verstandigsten mensch van de wereld ten laatste in de war brengen. Wat je me verbergt, je doet het op aanraden van het gepensionneerd reliek...."

"Eva! zóó niet!"

"Pardon, op aanraden van Rechtsomkeert met de leege tasch, marsch! Volgens het mooie systeem: Eet alle dagen beschimmeld roggebrood zoo hard als een keisteen, dan zal beschimmeld wittebrood zoo hard als een baksteen, taart of pastei voor je wezen."

"Eva, Eva!"

"Heb ik er iets aan miszegd, lieve August, dat ik je voor den besten verstandigsten man van de wereld houd—met een klein deukje door een schriele opvoeding misschien?--Toen we op de catechisatie eens den tekst behandelden: "Geldgierigheid is de wortel van alle kwaad," toen heb ik er tegenover-gesteld: "Royaliteit is de moeder van alle deugd," en, dominee en al de meisjes hebben er toen met sympathie om gelachen. Jij bent au fond royaal mijn beste man, ik weet het bij ondervinding; maar zeg dan nu ook ronduit dat je die dubbeltjes- en centen-uitzuinigings-manie zult zien af te leeren; dat past niet wanneer men...."

"Maar Eva, ik bezweer je...."

"Tuterletuterletu!" roept Eva zoo hard mogelijk, als wilde zij een valschen eed voorkomen. En dan vleiend: "August, als je me nu waarlijk liefhebt, veins dan niet langer. Of je arm of rijk bent, ik heb er je even lief om, dat weet je; maar, nu je het bent, toon me nu ook, door het te erkennen, dat je me heelemaal vertrouwt. Als je het niet waart dan zou je immers wel de domste man van de wereld moeten zijn. Welk verstandig mensch zou er huizen koopen zooals dit, en het meubileeren zooals wij deden, wanneer hij er niet zeer warmpjes inzat. O, ik heb het al begrepen toen je in Parijs, voor mijn toilet en diamanten, zooveel meer kondt uitgeven dan het totaal van je reisgeld bedroeg!"

't Was Helmond bij Eva's laatste woorden alsof hij door een wesp werd gestoken.--Dát was te veel!

Alleen ter wille van háár wier oog hem liefdevol moet toelachen, aan wier boezem hij zoo gaarne rust, en van wier heerlijk mondje hij zoo graag een zoeten kus ontvangt, slechts om haar gelukkig en tevreden te zien, heeft hij dat fatale woord gehouden, en, toegegeven, telkens meer. En nu zegt hem diezelfde mond dat hij een dwaas zou zijn geweest indien hij, zonder de middelen ertoe te bezitten, dat alles had ingewilligd; Een onverstandig, een dom, een zeer dom man!

--Maar was hij dat inderdaad? Heeft hij dan niet werkelijk een kleinen, spaarpot gehad, waarmee hij nooit heeft willen pralen, maar die hem instaat zou stellen om het dierbare wezen, dat hem geheel wilde toebehooren, als op rozen te doen gaan in de zoetste levensdagen—de eerste van een zaligen echt?--Toen was hij dan toch geen dwaas en onverstandig man, al heeft hij in die luttele dagen wat heel veel geld uitgegeven.--En later?--Ja ja Helmond! fluistert het vanbinnen: Ja, later!

--Maar, neen! nog eens neen! Hij is er immers gerust op geworden. Voor zooveel de notaris mocht laten blijken, is er sedert het gebeurde met Philip geen wijziging in het testament van den pleegvader gebracht. En heeft men dan inderdaad geen fortuin, wanneer men het later met eenige zekerheid verwachten mag? En bovendien al moest dat uitzicht in damp vervliegen—en zoo waar als er een God is, en zoo waar als hij den grijzen pleegvader altijd zal.... achten, zoo waar zal hij niet speculeeren op een vermogen, waarop hij inderdaad geen recht heeft—neen, al moest dat uitzicht geheel verdwijnen, indien hem 't leven en de kracht gespaard worden, dan kan hij, na een zestal jaren, die tot heden gemaakte schulden reeds hebben ingehaald.

--Een man als hij: een dokter wiens praktijk dagelijks toeneemt en zeer winstgevend mag heeten, hij kan waarachtig zeggen: fortuin te bezitten. En zie dan Helmond, hoe die schrandere zielvolle oogen je aanstaren. Zal hij voortaan een onverstandig man zijn in zulke heerlijke oogen!--Zou hij niet door te bekennen, de achting waarop hij aanspraak heeft verliezen, en bovendien zijn zedelijk overwicht.... 'twelk hij voortaan wat meer zal weten te handhaven! Inderdaad, met het oog op dit alles, mag bij immers zijn Eva toestemmen, dat hij niet de domme onverstandige man is, die een huis koopt en het prachtig meubileert zonder het te kunnen betalen.

Na een korte weifeling zegt Helmond:

"Nu ja kindlief, 't spreekt vanzelf. Zou ik zoo iets gedaan hebben indien ik 't niet doen kon! Maar toch...."

"Bravo, bravo!" valt Eva in: "dat heet nu waarlijk lief hebben, en zijn vrouw als zijn ander ik beschouwen. Zie, dát moest ik maar zeker, heel zeker weten: mijn beste man deed niets wat hij niet doen kon. 't Blijft me even onverschillig August, hoeveel we hebben in de wereld. Ik weet genoeg, en ben recht tevreden. Maar mannetjelief, tob dan ook over geen gulden meer, als je om mij genoegen te doen, die visite wat later per vigilante kunt maken. Zeg, zul je blijven August? De zaak is immers belangrijk genoeg?"

August stond met den rug naar Eva gekeerd in een boek te bladeren.--Hij heeft haar bedrogen, hij heeft haar gezegd dat hij.... als een verstandig man handelde, toen hij inderdaad maar al te dikwijls aan haar dwaze wenschen het oor leende. Zal hij haar nu een vermaning geven; haar nog eens het oude lied herhalen....? Neen! Maar toch:

"Eva, al is het dan waar dat ik vóór ons trouwen misschien iets terzij had gelegd, vergeet niet dat zelfs de verstandigste man door de omstandigheden zijn verstand kan verliezen, en.... dat na alles wat we reeds uitgaven, ijver en zuinigheid waarachtig boven alles plicht is.--Nu ja, wat de conferentie betreft, ik zal ze bijwonen. 't Zou niet aardig voor je zijn wanneer ik al dadelijk heenging; maar zoo spoedig mogelijk zal ik dan toch naar mijn zieke wandelen. Ja zeker wandelen Eva, al wordt het wat laat."

"Och mijn lieve beste August!" vleit Eva met een zoen; en dan vroolijk: "Wacht, om je te toonen hoe lief ik je vind, zal ik je nog maar eens dadelijk laten hooren dat mijn Erard hier uitmuntend voldoet.--Zingen? Ja zeker, zingen zal ik erbij, als je dat wilt. Wacht! een aardig lied, dat mij juist zooeven uit vroeger tijd te binnen viel. Zieje wel manlief, dat ik waarheid sprak toen ik je zei, dat ik hier in ons ruimer huis weer heel veel spelen en zingen zou?"

Eva's slanke gestalte zweeft naar haar kostbaar instrument; en, nadat ze al ras met groote kunstvaardigheid en kracht een wegsleepend praeludium deed hooren, zingt ze nu met haar overheerlijk sopraangeluid:

Vraag aan den nachtegaal toch niet,
Als hij zijn plechtig avondlied
Zoo rein welluidend klinken doet:
"Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon
"Een stem zoo schoon,
"Zoo wonderzoet?"

Laat toch het vogeltje ongestoord
Maar jubelen met vol accoord,
Wat ook natuur ten loon u biedt,
Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!

Vraag aan het bloeiend roosje niet,
Als gij haar lieflijk blozen ziet,
En ze u bekoort door zachten gloed:
"Waarvoor ontvingt ge als prijs of loon
"Een kleed zoo schoon,
"Een geur zoo zoet?"

Laat toch het roosjen ongestoord;
Van arbeid heeft net nooit gehoord.
Wat ook natuur ten loon u biedt
Haar eêlste gaven schenkt ze om niet!

Nu Eva zwijgt en de slotaccoorden reeds wegsterven, nu staat Helmond daar nog sprakeloos, doch met een glans van verrukking op zijn mannelijk schoon gelaat. Hij denkt er niet aan dat Eva misschien als tegenhanger van 'tgeen hij daar straks had gesproken, dit bijna vergeten lied gezongen heeft, 't Sloeg ook wat al te weinig op 'tgeen hij bedoelde. Maar ja, ja zeker: "Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!"--Groote God, is het werkelijk zijn vrouw, zijn eigen vrouw, die daar zoo heerlijk, zoo betooverend schoon heeft gezongen? Ze heeft woord gehouden; hier, waar het ruim hoog en niet vochtig is, hier zingt en speelt ze; hier leeft ze weer op; hier wil en zal ze gelukkig zijn met hem, en met haar prachtig talent. Reeds vier malen zong ze in deze zaal, maar zóó heerlijk, zóó onuitsprekelijk betooverend schoon, neen, zóó kan ze zelfs voorheen nooit hebben gezongen:

"Eva.... nóg eens, ik bid je, engel! nóg eens!" dringt Helmond met denzelfden blik vol verrukking, terwijl hij schier aarzelend zijn hand op haar schouder drukt: "Ja waarachtig: Natuur schenkt haar eêlste gaven om niet!"

"Bevalt het je lieve man? Komaan!" En weder zingt Eva het eerste couplet, waarin men nu werkelijk den reinen nachtegaalstoon kan herkennen.

En August, hij voelt een heeten gloed naar het voorhoofd stijgen.--Een talent als het hare, waarvan misschien de gansche wereld als van een Jenny Lind of een Patti kon hebben gewaagd, zulk een talent heeft zich aan hém, een eenvoudigen stadsdokter, overgegeven, geheel en al, met hart en ziel! En zulk eene heeft hij willen kerkeren in bedompte lage naargeestige vertrekken. En dan—deze eenige onder de Romphuizer vrouwen, zou men miskennen en beleedigen durven! Zulk eene zou niet de eerste en eenige blijven! Ja, zoo waar als God leeft, zweert August bij zich zelven, terwijl nogmaals de laatste tonen wegsterven van die wonderschoone melodie: ik zal haar in eere houden zooals ze verdient!