De vreemde plant · Herman Johan Robbers

Chapter 9: Hoofdstuk 9

Ook de winter ging voorbij en 't was op een guren middag in Maart dat mevrouw Rubrecht een briefje uit de bus haalde met Wouter's adres er op. Dat gebeurde heel zelden; Wouter had weinig vrinden door zijn lang verblijf buiten 't land, door zijn engagement zoo kort na zijn terugkomst. 't Was een briefje van een mannehand, geadresseerd: "den heer Wouter Rubrecht ZijnEdele in handen," een glanzend-witte, vierkante enveloppe, van dat gladde stijve papier, en 't was niet goed dichtgeplakt geweest, want toen zij 't heen en weer schoof in haar handen, gissend naar den afzender, ging 't krakend open. Ze schrok er even van. Nu zou Wouter denken dat 't open gemaakt was! Kom! zij zou 't immers zelf weer dicht plakken! Maar .... nu 't toch eenmaal open was....; zou er een geheim in kunnen staan voor zijn moeder? .... zou er misschien wat in staan....

Zij gaf zich niet helder rekenschap van wat ze meende dat er in zou kunnen staan, maar voor ze 'r verder over nadacht had ze 't briefje uit de enveloppe gehaald en begon ze te lezen. 't Was van een ouden schoolkameraad van Wouter, dien hij later ook nog dikwijls gezien had, Willem Veegens. Hij vroeg geld terug, dat hij Wouter had geleend, vijftig gulden; hij had ze noodig, schreef hij, anders zou hij er niet om vragen. Toen de moeder 't briefje gelezen had, vouwde ze 't schielijk weer toe; ze schrok toen 't even kraakte tusschen haar vingers, ze keek rond of niemand haar bespiedde, ze werd bang. Maar 't kon immers niet, Rubrecht en Wouter waren naar kantoor, Anna uit om boodschappen en de meid hoorde ze in de keuken. Haastig stopte ze 't briefje in de envelop en bracht die aan den mond. Ze sneed zich in de tong met het scherpe papier. Toen sloot ze den brief en liep op haar teenen naar boven, waar ze den brief op den schoorsteen lei, op de gewone plaats.

Angstig verlangde ze naar Wouter's thuiskomst, 't duurde lang. Eindelijk, daar kwam hij de trap op. "Er ligt een brief voor je, Wouter," zei ze, langzaam, om bedaard te blijven, maar ze voelde dat ze bloosde; ze boog zich diep over haar werkdoos als om een naald te zoeken. Gelukkig was 't in de schemering, 't licht nog niet op. "Aha!" zei Wouter, "dank u." En hij liep met den brief naar 't raam, waar hij ging staan lezen, de rug naar haar toegekeerd. Zij hoorde 't papier weer kraken, zij was beklemd, angstig. Vergeefs redeneerde ze tot zichzelf, dat 't immers niets was. Wouter zou dat geld voor korten tijd hebben geleend op een oogenblik dat hij er om verlegen was, hij zou 't terug geven en daarmee uit! Zij zag dat hij den brief in zijn zak stak en nog even staan bleef, in gedachten. Hij streek eenige malen met zijn hand door zijn haar; toen draaide hij zich plotseling om: "Moedertje," zei hij, "'t zal u wel verwonderen, dat ik 't u vraag, maar .... kunt u me ook wat geld leenen?"

Zij schrok hevig, zij beefde, zij moest zich fel in 't gebit bijten om niet te klappertanden. Ze kon niet dadelijk antwoorden. "U verstaat me toch wel, moeder," zei hij, dichter naar haar toekomend.

"Ja, ja! .... je wat geld leenen .... ja, zeker, Wouter, als je 't noodig hebt...."

"Ja! .... niet voor lang, ziet u, 't is maar om een paar kleine rekeningetjes te betalen, .... bij me kleermaker .... en .... en bij .... bij me barbier, .... ziet u, de volgende maand krijgt u 't terug natuurlijk...., 'n vijftig gulden bijvoorbeeld."

Hij liegt, hij wil 't me niet zeggen, suisde 't door haar hoofd.

"O, dat hoeft anders niet, Wouter .... maar vijftig gulden, dat is nogal veel!.... Maar ik kan 't je toch wel geven .... uit mijn spaarduiten, zie je! .... wacht! ik zal 't even halen!"

"O, wel nee, moesje, 't heeft geen haast!"

"Jawèl, nu is 't maar 't beste, dan merkt niemand er iets van...." En ze ging de kamer uit. Ze ging naar haar slaapkamer, waar de oude schrijftafel stond, 't eenige stuk uit het huis van haar vader, dat ze had mogen houden--'t oude ding was toch niets waard!--daar, in een van de laadjes, lag 't geld dat ze af en toe had gekregen, als Rubrecht een extratje had gehad van den patroon. Ze had 't nooit gebruikt, waarom ook? Ze had voor zich zelf geene bizondere behoeften, ze had 't altijd maar opzij gelegd voor een cadeau als de kinderen trouwden. Vijftig gulden nam ze er af. Er bleef nog zoowat evenveel liggen.

Haastig liep ze er mee terug en gaf 't geld aan Wouter. "Hier heb je ze," zei ze "stuur ze nu maar gauw aan Willem."

Wouter schrok, hij bloosde sterk.

"Aan Willem, moeder? hoe weet u dat...." zei hij zacht, "u hebt toch niet...."

"Ja, ja! .... jawèl! .... ik heb dat briefje opengemaakt .... ik weet wel, ik had 't niet moeten doen .... dan wist ik nu niet .... dan dacht ik nu dat 't voor je kleermaker en voor je barbier was...." Ze zonk in één op haar stoel en begon te snikken. Wouter knielde bij haar neer, hij streelde het zachte donkerblonde haar en de witte handen die in haar schoot lagen, terwijl ze snikkend voor zich keek. "Moedertje, moedertje," zei hij, "huil nu niet zoo .... en wees niet hard tegen me .... toe, moedertje."

Maar 't hielp niet, ze keek hem niet aan, ze staarde zoo diep treurig voor zich uit! Toen zei hij niets meer, maar lei zijn hoofd op haar knie en snikte ook.

"O Wouter," fluisterde ze toen, "Waarom vertel je me niet meer alles...., zooals vroeger altijd!.... Ik ben toch nooit hard tegen je geweest, ben ik wel?.... Waarom heb je me niet gezegd, dat je geldgebrek hadt...., dat je zaken slecht gaan....?"

"Omdat u je dat zoo zoudt aangetrokken hebben, moedertje...."

"Maar, mijn arme jongen," zei ze, een hand op zijn hoofd leggend, "ik merk 't immers toch!.... Heb je veel schuld?"

"Nee...., niet veel! .... nog zoowat een honderd gulden, maar ik zal 't heusch allemaal wel inhalen!...."

"En van wien heb je dat alles dan geleend?"

"Van Willem .... en van oom .... en ook wat van .... van Greetje."

"Van haar? Leent ze je geld? Vraagt ze dan niet waar of dat voor is?"

"Och, ze weet 't wel!...., maar ik zal 't immers allemaal wel inhalen, als de zaken maar wat beter gaan, als er maar .... als.... Och! moeder, laat me maar tobben! u kunt er toch niets aandoen...., 't zal wel weer terecht komen .... heusch!" Daar hoorde ze schellen en de meid naar beneden gaan om open te doen.

"Daar is Anna," zei toen de moeder, haar tranen wegvegend, vlug, gejaagd, "we kunnen nu niet meer praten, Wouter, 't geeft ook niet .... maar beloof me één ding. (Ze stonden beiden op, zij keek hem vast in de oogen). Vraag jezelf nog 's goed af, nog 's heel goed, zie je, of Margreet wel een goeie vrouw voor je wezen zal...."

"Maar moeder, hoe kunt u zoo iets zeggen!" viel hij driftig in. Maar Anna kwam binnen en groette en bleef in de kamer en dus waren ze weer beiden alleen met hun verdriet.